• A
  • A
  • Kansen verzilveren in internationalisering

    - Woensdag staat het Algemeen Overleg internationalisering van het onderwijs op de agenda in Tweede Kamer. Lector internationalisering Robert Coelen (Stenden) blikt vooruit. “Onder het huidige bewind is Nederland, mondiaal gezien, een zeer vooruitstrevende positie aan het verwerven.”

    “Op 14 december gaat de Tweede Kamercommissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Algemeen Overleg voeren over internationalisering van het onderwijs. In dit overleg komen een viertal zaken aan de orde. De voortgangsbrief van minister Bussemaker van 19 september aan de Tweede Kamer (De waarde(n) van de wereld – de voortgangsbrief over de internationale dimensie van ho en mbo), de juridische (on)mogelijkheden om internationale studenten te weren uit studies met een numerus fixus, onregelmatigheden inkomende mobiliteit Erasmus+ en het advies van de Onderwijsraad ‘Internationaliseren met ambitie’. 

    Internationalisering bedient de onderwijskwaliteit 

    In dit bericht wil ik graag alle drie van de vier onderwerpen behandelen in samenhang met een wat meer algemene beschouwing van het onderwerp internationalisering. Laat ik vooropstellen dat Nederland, onder het huidige bewind, mondiaal gezien, een zeer vooruitstrevende positie aan het verwerven is, die ons en vooral onze kinderen geen windeieren gaat leggen. 

    De alom belangrijke stelling dat we ons vooral moeten concentreren op het verbeteren van onderwijs in ons eigen land, wordt in feite met de activiteiten onder de vlag van internationalisering op haar wenken bediend. Immers, onderwijs stoomt onze jonge mensen klaar voor het leven en werken in de toekomst. Hoe beter dit onderwijs die voorbereiding doet des te beter we de uitdagingen van de toekomst het hoofd kunnen bieden. Er ligt nu al bewijs dat internationalisering niet alleen internationale bewustwording en interculturele competentie verbetert, maar ook de door de maatschappij en bedrijvigheid zeer gewaardeerde 21ste-eeuwse vaardigheden aanzienlijk aanscherpt bij studenten. 

    Verder is er voldoende bewijs, mondiaal gezien, dat het Nederlandse onderwijs van zeer hoge klasse is. Dat vrijwaart ons niet van verdere verbeteringen, maar is ook geen aanleiding om juist nu alleen maar intern te gaan kijken naar mogelijkheden en om internationalisering als een bedreiging te zien. Internationalisering in de meest basale verwoording van het concept, is een reactie op globalisering. De verbondenheid van de Nederlandse maatschappij met de rest van de wereld maakt het onontbeerlijk dat wij burgers opleiden die de reactie op globalisering in goede banen kunnen leiden, hierbij past een struisvogelpolitiek vooral niet. 

    Internationaliseren tegen de vergrijzing 

    Een onderwerp op de agenda is dat van de voortgangsbrief van minister Bussemaker op de internationale dimensie van het ho en mbo. Al in 2010 rapporteerden 45% van Nederlandse bedrijven in een Europese enquête dat hun grootste probleem met het vullen van vacatures voor hoger onderwijs opgeleiden was dat ze in Nederland niet de juiste kandidaten konden vinden. 

    Het uitnodigen van buitenlandse studenten om in Nederland te komen studeren heeft niet alleen het effect dat we de zogenaamde ‘international classroom’ kunnen creëren, waarin onze eigen studenten interculturele vaardigheden mee kunnen opdoen, maar ook dat in Nederland opgeleide buitenlandse studenten, een goede kans krijgen om onze arbeidsmarkt te versterken en zodoende mee te helpen aan onze op kennis gebaseerde economie. 

    Het programma ‘Make it in the Netherlands’ waarin we buitenlandse studenten na hun studie proberen te interesseren werkzaam te worden in ons land, kent vele initiatieven die hieraan positief bijdragen. In een maatschappij die krimpend is en vergrijsd is de toevoer van getalenteerde buitenlandse studenten die zich na hun studie vestigen een onontbeerlijke verrijking om de economie op maat te houden en deels te vergrijzing tegen te gaan. Nederland concurreert hiermee met de rest van de Westerse en, in toenemende mate, Oosterse wereld. 

    Sneller internationaal door branchecampussen 

    Een ander probleem dat gesignaleerd wordt in de voortgangsbrief van Minister Bussemaker is de beperkte mate waarin Nederlandse studenten een buitenlandervaring op doen tijdens hun studie. Sinds 2010 op de hogeschool Stenden is het aantal studenten die naar het buitenland gaan voor een uitwisseling in de traditionele zin (met een buitenlandse partnerinstelling) rond de 2.5% blijven steken. Een ervaring die gedeeld wordt met de rest van het Nederlandse hoger onderwijs. 

    Echter de Stenden studenten die naar één of meerdere buitenlandse nevenvestigingen van ons zijn gegaan (in Zuid Afrika, Indonesië, Thailand, of Qatar), met volledige verwerving van studiepunten voor de tijd die ze in het buitenland waren, is ongeveer verdrievoudigd en ook ongeveer drie keer numeriek als de uitwisselingsstudenten. Wij denken dat een deel van de reden daarvoor een lagere drempel is voor studenten omdat wij de vorm en kwaliteit van het onderwijs op onze nevenvestigingen stevig in eigen hand hebben. In die zin is de ontwikkeling van een branchecampus van de Rijksuniversiteit Groningen ook van belang. 

    We zien bij Stenden ook een aanzienlijk effect op de ontwikkeling van staf die hun discipline kunnen beschouwen vanuit een andere cultuur op een branchecampus en zodoende een nog beter wereldbestendig curriculum kunnen ontwikkelen, al dan niet in samenwerking met hun collega’s van de branchecampussen. Gezien de toenemende globalisering is dit geen overbodige luxe. Dat wij deze extra mogelijkheden kunnen creëren zonder gebruik van publieke middelen maakt het nog aantrekkelijker voor Nederland. 

    Onze studenten waarderen de mogelijkheden die geboden worden door activiteiten die we kunnen scharen onder ‘Internationalisation at Home - IaH’. Toch stellen ze vrij unaniem dat een periode van studie in het buitenland echt als levensveranderend wordt ervaren. In die zin zien wij de verdere ontwikkeling van IaH niet alleen als een hulpmiddel voor niet mobiele studenten, maar ook als gedegen voorbereiding op het ‘moment suprême’ van een buitenlandervaring. 

    Vervalste diploma’s mondiaal probleem 

    Een van de onderwerpen die in het overleg behandeld zal worden gaat om een casus die ik in mijn tijd in Australië, als verantwoordelijke voor internationalisering op een universiteit ook voorbij heb zien komen. In Australië ondervonden wij problemen met frauduleuze instellingen die buitenlandse studenten aantrokken, die vaak met vervalste diploma’s toegang kregen tot een ‘studie’. Ze betaalden daar behoorlijk wat collegegeld voor, maar in feite gingen ze illegaal aan het werk. Lessen kregen ze niet en de ‘instelling’ streek grote bedragen op met illegale immigratie. 

    Het fenomeen van vervalste diploma’s is een wereldwijd probleem en initiatieven zoals beschreven in de Groningen Declaratie en andere activiteiten worden opgezet en verfijnd om dit tegen te gaan. Het gebruik van vervalste diploma’s om Erasmus+ mobiliteit te verwerven is een nieuwe wending, waartegen we in Nederland nu al substantiële maatregelen aan het nemen zijn om het te voorkomen. Nederland heeft meer gedaan dan haar plicht, aldus een rapport van de Auditdienst Rijk. 

    In deze casus ligt het probleem in een ander land dan Nederland. Ik zie dit voorval als een van de euvels van een groeiende effectiviteit en hoeveelheid van internationale studenten mobiliteit. Het is een feit dat, ondanks alle maatregelen die genomen worden om onregelmatigheden te voorkomen, er altijd geprobeerd wordt door gewetenloze mensen om gaten te vinden in zulke systemen voor financieel gewin. Hierin is onderwijs niet gevrijwaard net als alle andere bedrijvigheid. 

    Nederland moet kansen verzilveren 

    Tenslotte, het advies van de Onderwijsraad over internationaliseren met ambitie in het funderend onderwijs beschrijft een ware cultuursverandering. Het zou Nederland, mits ingevoerd, als voorloper maken van de mondiale wedloop op de voorbereiding van jonge mensen als ware wereldburgers. Een toekomst waar Nederland, zoals al vaak geconstateerd, een onevenredig hoge en positieve invloed heeft op allerlei mondiale terreinen. 

    Een dergelijke verandering, mits goed ingebed, en niet ten koste van de aandacht die er moet zijn voor basale vaardigheden, geeft ons een voorsprong die haar vruchten zal afwerpen in andere (hogere) sectoren van onderwijs waar nu veel tijd besteed moet worden aan internationaliseringsactiviteiten, bijna als reparatieactiviteit. Hoe kan het zijn dat jonge kinderen van ongeveer 6 jaar met het grootste gemak kunnen omgaan met kinderen van zeer diverse achtergronden, zelfs als ze nog maar weinig taal gemeen hebben, en na 14 jaar onderwijs in een hoger onderwijsinstelling terechtkomen en dan moeten worden ‘bijgeschoold’ om intercultureel competent te worden? 

    Ik moedig het Algemeen Overleg Internationalisering aan om de kansen die Nederland heeft dankzij de inspanning van een groot aantal mensen en instellingen verder te verzilveren voor een goede toekomst voor ons en onze kinderen.