• A
  • A
  • Prestatiebekostiging niet pluis

    - Zijlstra’s plannen voor prestatiebekostiging liggen onder vuur. Ook bij ten principale constructieve partijen. Onderwijsspecialist Elbert Dijkgraaf (SGP) noemt het zelfs “Sovjet-plannen”. De “vrije en volle ontwikkeling” van het HO raakt in de knel. “Juist de factor die kwaliteit doet bloeien.” Hij mist “een klassiek liberalisme”.

    In een bijdrage aan het constitutionele debat over de prestatieafspraken en hun consequenties voor de bekostiging van het hoger onderwijs kijkt Dijkgraaf met zijn partij al enige tijd met een lodderoog naar de plannen van de staatssecretaris. De SGP acht hem eerder een doorgeschoten SP'er dan een waarachtige liberaal, zo blijkt uit de analyse ten principale uit reformatorische kring. 

    Onderwijswoordvoerder Elbert Dijkgraaf draait en in zijn visie hierop niet omheen. "De enige harde conclusie is dan wellicht dat er veel papier van de pers is gerold. In het slechtste geval is het profiel van het hoger onderwijs ingesnoerd tot datgene wat Den Haag belangrijk vindt. Als Den Haag altijd weet wat belangrijk en goed is, is dat natuurlijk geen probleem." U leest hieronder zijn betoog. 

     

    "Prestatiebekostiging zet in de hoger onderwijspolitiek momenteel de wereld op z'n kop. Niet een socialist, maar een staatssecretaris van VVD-huize komt met voorstellen voor een plan-geleid-hoger-onderwijs. De aanpak van Zijlstra doet denken aan plannen uit de voormalige Sovjet-Unie. SP-Kamerleden daarentegen uiten juist hun zorg over de geplande bureaucratie en de vergaande invloed van de overheid. Het kan verkeren. Voor de SGP is duidelijk dat het hoger onderwijs wel wat klassiek liberalisme kan gebruiken. 

    Simplistische onderwijsvisie 

    De keuze voor voorwaardelijke bekostiging op grond van prestaties lijkt op het eerste gezicht eenvoudig. Immers, wie kan voorstander zijn van verspilling van overheidsgeld in het hoger onderwijs? Het risico daarop is onvermijdelijk wanneer instellingen een zak geld uit Den Haag krijgen. 

    Dat risico kan, zo denkt men, vermeden worden wanneer alleen geld wordt gegeven aan instellingen die aantoonbaar prestaties hebben geleverd. Daar zou iedereen voor tekenen, als het kan. Helaas getuigt die redenering van een simplistische visie op onderwijs. Zowel het wantrouwen tegen bestedingsvrijheid van instellingen als het vertrouwen in directe sturing door de overheid is namelijk ongegrond. 

    De plannen voor prestatiebekostiging ademen een neoliberale geest van maakbaarheid en meetbaarheid. Daarin wordt miskend dat kwaliteit niet zo makkelijk te vangen is in een model. Het oordeel over kwaliteit vraagt persoonlijke keuzes en draagt een subjectief karakter. Wie kan bijvoorbeeld bepalen of plannen voldoende ambitieus zijn? Zelfs de intersubjectieve toetsing binnen het experiment doet niets af aan het problematische karakter van een oordeel over zulke vragen. 

    Bij de beoordeling van profilering speelt dat probleem nog duidelijker. Het is niet aan de bewindspersoon, maar aan de instelling om zijn profiel te kiezen. Afwijken van dit uitgangspunt en het loslaten van objectiveerbare kwaliteitscriteria betekent afwijken van de Grondwettelijke onderwijsvrijheid. Het experiment kent daarom drie fundamentele mankementen. 

    Krakende grondslag 

    Eisen aan het onderwijs moeten berusten op een heldere wettelijke grondslag. De SGP is blij dat het advies van de Raad van State definitieve invoering van prestatiebekostiging op grond van een ondeugdelijke basis voorkomen heeft. Dat hetzelfde systeem nu als experiment ingevoerd lijkt te gaan worden, is dubieus. Het is niet in lijn met de aangenomen Kamermotie op dit punt. 

    Wat duur en omvang betreft, blijven de consequenties van de prestatiebekostiging namelijk ongewijzigd. De experimenteerbepaling in de wet is bovendien niet bedoeld om met een lichte procedure te kunnen experimenteren met zware Grondwettelijke beschermingsbepalingen. 

    Het experiment laat inhoudelijk ook te wensen over. Experimenteren kan nuttig zijn ten aanzien van criteria waarvan de effectiviteit en wenselijkheid onduidelijk is. Dit experiment wordt echter ook gebruikt als een vergaarbak van allerlei criteria waarover de wetgever nu al een heldere keuze kan maken.

    Te denken valt aan de status van contacturen en overhead. Het is niet wenselijk instellingen zes jaar op eisen hieromtrent af te rekenen, terwijl de basis wankel is. Over de wenselijkheid ervan kan de wetgever nu al een knoop doorhakken. Ook vervuilen zulke elementen een experiment dat juist de kwaliteit van het onderwijs centraal wil stellen. 

    Basisbekostiging onder druk

    In het onderwijsbeleid is vaak te leus te horen dat de basis op orde moet zijn en dat de lat omhoog moet. Binnen het voorgestelde bekostigingsmodel lijkt die vlieger niet op te gaan. Daarin wordt eerder de lat omhoog getild door de basis onder druk te zetten. Die constructie is bouwtechnisch gezien niet aan te bevelen. Ook juridisch en economisch gezien zijn hier vraagtekens bij te plaatsen. 

    Op basis van de Grondwet moeten onderwijsinstellingen voldoende bekostiging krijgen om hun taak te kunnen uitvoeren. Door de prestatiebekostiging komt dat uitgangspunt onder druk te staan. Het reguliere budget wordt namelijk met 7% beperkt, waardoor het studentafhankelijke deel van de bekostiging kleiner wordt. Zonder nadere onderbouwing is dat een merkwaardige zet. 

    Zo'n wijziging kan pas acceptabel zijn wanneer uit berekeningen blijkt dat het nieuwe bekostigingsniveau afdoende is om aan de wettelijke verplichtingen te kunnen voldoen. Daar kan dus niet zomaar op voorhand vanuit worden gegaan. Het risico ontstaat dat instellingen die naast de prestatiebekostiging grijpen straks onvoldoende middelen hebben om hun taak te vervullen. De Raad van State wijst daarom terecht op de noodzaak van een additioneel budget, bovenop de bestaande bekostiging. 

    Dubbele verwarring 

    Kwaliteitsbewaking van het hoger onderwijs moet helder en daadkrachtig zijn. De NVAO is de aangewezen instantie om de kwaliteit van het onderwijs te toetsen. Op twee manieren raakt dat uitgangspunt de afgelopen tijd vertroebeld. Allereerst is de Inspectie zich naar aanleiding van misstanden meer met de kwaliteit van het onderwijs bezig gaan houden, terwijl haar toezicht zich vooral op de kwaliteit van het stelsel moet richten. 

    Daarnaast introduceert de staatssecretaris nu nog een model, met eigen criteria. Dat werkt verwarring in de hand en zet de legitimiteit van het systeem onder druk. Het kan bijvoorbeeld gebeuren dat een instelling geen aanvullende bekostiging ontvangt omdat de staatssecretaris de plannen niet goed genoeg vindt, terwijl de NVAO excellente kwaliteit bespeurt. 

    Het mag duidelijk zijn dat er een kleine kans is dat de verantwoordingslast voor instellingen binnen dit model zal afnemen. Met elk nieuw systeem komt bureaucratie kijken die veelal overbodig is, hoe onbedoeld ook. Dat geldt temeer wanneer systemen naast elkaar worden gebouwd.

    De 40 pagina's van het instellingsplan richting de reviewcommissie staan er symbool voor. Niet meedoen aan dit plancircuit levert een financiële afstraffing op. Instellingen doen daarom liever dubbel werk dan dat zij de boot missen. Dat is moeilijk kwalijk te nemen. De enige beroepsgroep die hier wellicht geen probleem in ziet, is de consultancy.

    Tot slot

    De stellige verwachting van de staatssecretaris is dat zijn planmodel de komende jaren een grote sprong voorwaarts zal opleveren. Er zijn redenen te over om die verwachting te temperen. In het gunstigste geval zal het in 2017 lastig blijken om inhoudelijke conclusies te trekken. Data, doelstellingen en uitkomsten laten zich namelijk gemakkelijk kneden tot een mooi, maar tegelijk weinig zeggend verhaal. 

    De enige harde conclusie is dan wellicht dat er veel papier van de pers is gerold. In het slechtste geval is het profiel van het hoger onderwijs ingesnoerd tot datgene wat Den Haag belangrijk vindt. Als Den Haag altijd weet wat belangrijk en goed is, is dat natuurlijk geen probleem. Helaas is dat niet het geval. De vrije en volle ontwikkeling van het hoger onderwijs raakt dan in de knel. En dat is juist de factor die kwaliteit doet bloeien. Dat is het hart van de vrijheid van onderwijs."

     

    Elbert Dijkgraaf

    Onderwijswoordvoerder SGP Tweede Kamer