• A
  • A
  • Extra geld voor HBO en WO geen hagelslag

    - De Kamer wil niet dat de extra investeringen in het HO ‘pondspondsgewijs’ worden uitgesmeerd over de instellingen. Dat zou leiden tot verdamping van de opbrengst van het leenstelsel. De strijd om het geld voor HO-kwaliteit is nu echt losgebarsten.

    In de discussie tussen minister Bussemaker en de Kamer over haar HO-strategie werd door VVD’er Pieter Duisenberg opgemerkt, dat tijdens de twee dagen van hoorzittingen over dat document op social media veel gaande was. “De hashtag #hagelslag was opvallend populair.” Daarmee werd wel de kern van de doordenking over de consequenties van Bussemakers nota geraakt.

    Caleidoscoop van dingen 

    Het was Cees Veerman die bij de start van de eerste hoorzitting in de Kamer toch wat schamperde over de voornemens van het kabinet. Hij herkende wel brokken van zijn rapport over het HO in de toekomst en erkende dat Bussemaker een visie heeft geformuleerd. Maar de vertaling daarvan in concrete maatregelen achtte hij mager en obligaat. “Het is een reeks kleine dingen, een soort caleidoscoop van dingen.” De financiële keuzes deed hij af als “het strooien van hagelslag over ieders boterham.” 

    Daarmee legde hij als eerste inspreker meteen openlijk de vraag op tafel, wat de concrete gevolgtrekkingen zijn, die de minister nu gaat presenteren. Het kabinet en de coalitie benadrukken immers voortdurend, dat men dankzij de afschaffing van de basisbeurs €1 miljard kan vrijspelen voor investeringen in de kwaliteit van HBO en WO, maar een echte investeringsagenda met keuzes voor zwaartepunten in bedragen - en prioriteiten in de tijd – is er nog niet. Ook als dat miljard uiteindelijk in concreto zo’n €600 mln blijkt te zijn - en door ‘Beter Benutten’ tegenvallers nog verder omlaag gebracht zou kunnen worden – is de manier waarop dat geld omgezet wordt in investeringen die doen wat ze moeten doen van cruciaal belang.

    Echte zwaartepunten 

    Veerman deed velen in de Kamer opschrikken met zijn verwijzing naar de ontbijtboterham. Hij werd bovendien bijgevallen door SER-voorzitter Hamer, die erop aandrong, dat bij de investeringen vanuit het studievoorschot echte zwaartepunten gekozen en aangebracht zouden worden. “Dat geld moet bovengemiddeld naar het HBO gaan” Ook gaf zij aan grote zorgen te hebben over de in- en doorstroom van allochtoon talent in het HO. “De cijfers over de trends daarin zijn niet goed. Daar hebben wij als SER grote zorgen over. Mede vanwege de invoering van het studievoorschot. Dit moeten we heel goed monitoren.”

    Als je dan met een strategische blik tot zulke keuzes komt, dan moet je de wijze waarop deze doorgevoerd worden en gefinancierd helder maken. Dirk van Damme van de OECD had velen in de Kamer met zijn analyse hiervan overtuigen kunnen. Hij gispte dat het erop leek, dat Nederland halverwege de rit ineens van beleidsaanpak leek te veranderen en de goede aanzet met de prestatieafspraken onaf en rommelig opzij zou schuiven. "Heel de wereld kijkt naar hoe u met ‘Veerman’ en zulke afspraken een nieuwe HO-strategie heeft ingericht. Nu lijkt u dit belangrijke experiment af te zwakken nog voordat de eerste cyclus daarvan in voltooid. U past de afspraken over de afspraken ‘en course de la route’ al weer aan en verzwakt daarmee uw eigen filosofie.”

    Voorkom verdamping

    Dit heeft ertoe geleid dat de coalitie van VVD en PvdA in de discussie met de minister een motie ten principale hebben ingediend, die aanzienlijke consequenties kan hebben. Deze motie-Duisenberg zou je als een ‘anti-hagelslag-motie’ kunnen bestempelen. De coalitie wil met steun van D66 en GroenLinks voorkomen, dat wat zij als hun winst voor investeringen in HBO en WO beschouwen min of meer verdampen zou in een ‘pondspondsgewijze’ verdeling van die middelen over de instellingen.

    ScienceGuide vernam, dat bij de overleggen in de coalitie werd gesteld door een van de woordvoerders, dat hij vreesde voor een minimale impact van de investeringen in de loop der jaren en de lange termijn waarin deze stapsgewijs beschikbaar gaan komen. Het ‘nieuwe geld’ komt immers pas substantieel na 2020 naar HBO en WO toe. “Als mijn dochter in 2025 twaalf jaar is geworden, wil ik niet moeten toegeven dat we de basisbeurs hebben afgeschaft, maar daar uiteindelijk weinig voor terug hebben gekregen.”

    Maar hoe voorkom je dat? De instellingen willen primair zekerheid over hun geld en bekostigingsaanspraken en streven binnen hun koepels en branche naar een soort ‘noninterventiebeginsel’ daarbij. Geen wonder dat HBO-voorman Thom de Graaf na de Kamerhoorzitting zei: “Het gaat niet zozeer om de ambities van de minister, maar om die van de hogescholen. Ambities en eigen accenten van hogescholen moeten we versterken, de minister zou enkel naar het proces moeten kijken.” Voor HBO en WO is uiteindelijk een vorm van ‘hagelslag’ en dus pondspondsgewijs uitsmeren van het geld verkieslijk als minst lastige oplossing. Iedereen krijgt wat, bij voorkeur naar rato van zijn soortelijk gewicht en omvang.    

    Substantiële sprong 

    De coalitie schrok dan ook toen duidelijk werd, dat men binnen de koepels zijn sommen gemaakt had. Iedere hogeschool en universiteit kon inplannen op welk bedrag men uit de opbrengst van het studievoorschot recht meende te hebben. De minister versterkte die neiging door te melden dat zij daarmee ruimte zou maken voor 4000 extra docenten in het hoger onderwijs. Die kon men onderling dus ook verdelen en uitsmeren.

    Alleen was dit niet wat men in de Kamer ambieert en hoopt te bereiken. Want zo’n verdeelmechanisme is precies de hagelslag waar Veerman voor waarschuwde en dat Van Damme als een nederlaag interpreteerde. De Kamermeerderheid wil dit niet en dat blijkt uit de motie-Duisenberg. Deze geeft namelijk als overweging “overwegende dat deze middelen in 2025 een substantiële sprong in kwaliteit moeten bewerkstelligen.” Daarmee wil men aanhaken bij onder meer de aansporing van Van Damme en SER-voorzitter Hamer om het Nederlands HO te richten op een positie bij de wereldtop en onder de landen met het hoogst ontwikkelde ‘menselijk kapitaal’.

    Dat houdt strategische keuzes in die vertaald moeten worden in de nieuwe kwaliteitsafspraken. De SER heeft in zijn advies aangegeven welke elementen in zulke afspraken centraal zouden moeten staan en bepleit daarbij een breder kwaliteitsbegrip dan in de prestatieafspraken was gehanteerd. De motie haakt daar op in met de uitspraak dat de Kamer “de regering, onderwijsinstellingen, interne en externe belanghebbenden [oproept] om maximale impact te bewerkstelligen met de extra investeringsmiddelen naar 2025.” Die formulering sluit nauw aan bij de conclusies terzake in het SER-advies.

    Drie doelen en zwaartepunten 

    De Kamer geeft tevens aan op welke lange termijn doelen de keuzes en zwaartepunten voor die investeringen gericht en gemonitord moeten worden.

    -Ten eerste “een toekomstbestendig hoger onderwijs” en dat wil zeggen, dat men de grote lijnen van het rapport-Veerman en het daarop voortbouwend SER-advies voorop blijft stellen. Daar zei bovendien Van Damme nog een en ander over, dat door Duisenberg expliciet werd aangehaald als onderbouwing op dit punt. “Van Damme zei ook: ‘je moet goede, ja heel goede argumenten hebben om de basisdimensies waarop het bestel is getekend te verantwoorden. Vele van de historische scheidslijnen waarop het Nederlandse stelsel berust, lijken me weinig toekomst-proof’.” Daarbij doelde deze ook op de binariteit als gestold beginsel.

    -Ten tweede “versterking van ontplooiingskansen van studenten” en dit verwijst naar de scherpe en bezorgde analyse van Dirk van Damme, dat het hoger onderwijs zijn emanciperende rol voor versterking van de sociale mobiliteit aan het verliezen is. Ook hier sluit men daarmee aan bij de zorgen die in het SER-advies centraal stonden, onder meer over de effecten van het leenstelsel.

    -Ten derde “een lerende, internationaal concurrerende economie.” Hiermee richten de indieners zich op de ambities die het WRR-advies formuleerde en bouwen voort op de motie-Hamer van 2009, waarin als centrale doelstelling werd geformuleerd dat ons land in de top van innovatieve kennisnaties moet horen.

    Het enige kader?

    De verdeling van de investeringsmiddelen moet op basis van deze uitspraak dus doelgericht en voor de lange termijn ingevuld worden. En dat moet niet als een proces binnen instellingen en koepels gebeuren, waarbij men de extra’s onderling verdeelt op basis van een ‘hagelslag-beginsel’. Dat kan niet anders betekenen dan dat dit ook geld voor de toegezegde gelden voor het aanstellen van die 4000 extra docenten. 

    Interessant was dat in het Kamerdebat nog een tweede motie over de verdeling van het geld voor de lange termijn voorgelegd werd. D66 zei namelijk: “De aanpak van de minister om universiteiten en hogescholen afspraken te laten maken met Den Haag, vindt D66 niet de juiste houding. We moeten niet vanuit Den Haag bedenken wat het beste is voor de instelling, want de kennis van onderwijs en onderzoek is in Den Haag beperkt kan ik uit eigen waarneming mededelen.” 

    “De enige rol die de overheid heeft is het toetsen op de kwaliteit van de afspraken, niet het maken van de afspraken, niet actief als partner aan tafel zitten met een eigen inbreng, zodat er debat ontstaat tussen minister en instelling of er wel of niet zoveel contacturen moet zijn en of er snel gestudeerd moet worden. Het enige kader kan deze Strategische Agenda zijn, dan is dat voldoende.”

    Waar voor hun geld 

    Dat leidde tot een motie waarin gesteld wordt dat de kwaliteit het best gemaakt kan worden met belanghebbende partijen op de instellingen zelf. Daarbij doelde Van Meenen op de medezeggenschap, studenten, docenten en partijen in directe omgeving van de instelling, zoals bedrijven en maatschappelijke organisaties. Daarom verzocht hij de regering de aanpak van de kwaliteitsafspraken te wijzigen en de onderwijsinstellingen zelf kwaliteitsafspraken te laten maken met relevante partijen in de directe omgeving van de instelling. Andere fracties zagen hier toch veelal een ruim baan voor de koepels van HBO en WO in om hun eigen verdeelmechanismen voorrang te geven, zo lieten zij ScienceGuide weten.

    De minister moest hier ook niet veel van hebben. Bussemaker zei dat zij deze motie ontraadde “want dan zou ik zelf geen verantwoordelijkheid meer over het totaal van afspraken hebben.” Zij gaf aan daar juist aan te hechten, “omdat ik vind dat studenten waar voor hun geld moeten krijgen. Zo kan straks goed verantwoord worden waar die middelen nu precies aan besteed zijn en hoe ze hebben bijgedragen aan de kwaliteit van het onderwijs.” Bussemaker zag nog  “een ander probleem met deze motie, namelijk dat kwaliteitsafspraken dan alleen nog maar per instelling ingevuld gaan worden, terwijl ik ook zeer hecht aan afspraken die men met elkaar kan maken met derden als bijvoorbeeld MBO-instellingen.” 

    Hiermee is de keuze tussen hagelslag of zwaartepunten heel helder op tafel gekomen n het overleg tussen de minister en de Kamer. Veermans oordeel dat de Strategische Agenda uitliep op “een reeks kleine dingen, een soort caleidoscoop van dingen” wil men alsnog zien te voorkomen. Hoe de instellingen en hun koepels zich hierbij gaan opstellen, wordt in 2016 dan een boeiend vraag.