• A
  • A
  • Selectie aan de poort sluit groepen uit

    - Uit een rapport van de Inspectie over selectie aan de poort blijkt dat niet-westerse immigranten minder vaak instromen in selectieve opleidingen. Vrouwen en studenten met Nederlandse ouders die hoogopgeleid zijn, en een hoger inkomen hebben stromen vaker in op een selectieve opleiding.

    In opdracht van het ministerie van OCW heeft de Onderwijsinspectie onderzoek gedaan naar de effecten op de instroom in het hoger onderwijs na de invoering van de nieuwe vorm van selectie aan de poort. Vanaf 2013 kunnen selectieve opleiding in het wetenschappelijk onderwijs niet alleen meer naar de eindcijfers gekeken maar ook nog naar een ander kwalitatieve eis.

    Eerder rapporteerde ScienceGuide al over selectie n.a.v. ‘De Staat van het Onderwijs’ en de technische rapportage.

    Afschaffing van toelatingsrecht

    Deze verandering houdt in dat bacheloropleidingen met een numerus fixus vanaf studiejaar 2017/2018 een decentrale selectie met minimaal twee soorten kwalitatieve selectiecriteria moeten toepassen. De tweede maatregel is de afschaffing van het automatisch toelatingsrecht tot de doorstroommaster in het wo, vanaf studiejaar 2014/2015. Deze maatregel biedt masteropleidingen de mogelijkheid om ook (decentraal) te selecteren of aanvullende eisen te stellen.

    De Inspectie onderzocht in hoeverre opleidingen deze maatregelen al hebben ingevoerd. Ook bekeken ze wat de effecten daarvan zijn op de instroom, en daarmee op de toegankelijkheid van het hoger onderwijs. Deze rapportage bevat daarnaast een geactualiseerd kwantitatief beeld van de ontwikkelingen binnen studentstromen en selecterende opleidingen in het bekostigd hoger onderwijs.

    Een wat andere instroom

    Uit de conclusie blijkt dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat deze maatregelen de brede toegankelijkheid van het hoger onderwijs onder druk zetten, maar dat selectie wel zorgt voor een wat andere instroom.

    De instroom in bacheloropleidingen met een numerus fixus groeide in het hbo tussen 2006 en 2015 sterk. In 2016 was er een daling tot naar 17 procent. In het wo is de instroom in bacheloropleidingen met een numerus fixus van 2006 tot 2013 gegroeid, maar daarna afgenomen tot 22 procent in 2016.

    Zowel in het hbo als in het wo neemt het percentage bacheloropleidingen met een numerus fixus af tot bijna 12 procent in het hbo en ruim 10 procent in het wo, na een lange periode van stijging. Tegelijkertijd zien we een beweging naar meer decentrale selectie. Van de voltijd bacheloropleidingen met een numerus fixus neemt, vooral in het hbo, het aandeel opleidingen met een volledig decentrale selectie toe. Het ligt voor de hand dat de opleidingen daarmee anticiperen op de aanstaande afschaffing van de centrale loting.

    Verschilt sterk per opleiding

    Ruim 90 procent van de selecterende opleidingen waarvan de Inspectie de criteria via hun website wisten te achterhalen past minimaal twee criteria toe. Opleidingen kijken niet alleen naar cijfers, maar wegen ook andere (niet-cognitieve) criteria mee. De manier waarop ze selecteren verschilt sterk per opleiding, qua criteria en qua intensiteit van de toepassing. Het meest gebruikte selectie-instrument is een toets. Daarnaast wordt veel gekeken naar motivatie, cijferlijst en cijfernorm. Vergeleken met masteropleidingen selecteren bacheloropleidingen relatief vaak op persoonskenmerken, zoals de mate van empathie of avontuurlijkheid.

    Bepaalde groepen studenten stromen relatief minder vaak in opleidingen met een numerus fixus in. Studenten met een niet-westerse migratieachtergrond, studenten met een lager gemiddeld cijfer in het voortgezet onderwijs en mannen zijn in deze opleidingen ondervertegenwoordigd. Dit geldt ook voor studenten met lager opgeleide ouders en studenten uit de lagere inkomensgroepen. Selectie bij masteropleidingen (wo)

    De verschillen per opleiding zijn groot

    Ongeveer een derde van de 689 masteropleidingen die zijn onderzocht past enige vorm van selectie toe voor bachelor-gediplomeerden van dezelfde instelling. Exclusief de researchmasters gaat het om 20 procent. De verschillen tussen opleidingen en sectoren zijn groot. De universiteiten die al selecteren of dit overwegen, gaan hier zorgvuldig mee om en houden oog voor de toegankelijkheid van het masteraanbod.

    De helderheid van de informatie op de website over selectiecriteria en –procedures verschilt sterk per instelling en is voor verbetering vatbaar. De informatie blijkt niet altijd te kloppen, en bij sommige instellingen is niet duidelijk wat selectie nu precies inhoudt en wie aan welke voorwaarden moet voldoen om toegelaten te worden. Ook studenten geven aan dat dit voor hen niet altijd helder is. Waar opleidingen zelf soms spreken van selectie, wordt dit door studenten niet altijd zo ervaren – en andersom. Het is volgens de inspectie van belang dat de informatie over selectie transparant en eenduidig is.

    Vergroten de mobiliteit

    De totale doorstroom van de bachelor naar de master neemt af, na een periode van stijging. De gevolgen van de afschaffing van het automatisch toelatingsrecht voor de totale doorstroom zijn nog niet vast te stellen. De direct aansluitende doorstroom nam in 2015/2016 wat af. De doorstroom naar een masteropleiding aan een andere instelling neemt de laatste jaren toe, vooral vanaf 2011. Bij selecterende masteropleidingen stromen studenten relatief nog vaker door naar een andere instelling. Selecterende maatregelen vergroten dus de mobiliteit tussen instellingen.

    Verschillen tussen subgroepen in de doorstroom naar selecterende masters zijn klein, maar deels vergelijkbaar met die bij de bacheloropleidingen. Vrouwen, studenten met een Nederlandse achtergrond, studenten met hoogopgeleide ouders en studenten met ouders uit de hogere inkomensgroepen gaan relatief vaker naar een selecterende master dan hun ‘tegenhangers’. Dit geldt ook voor studenten uit university colleges. Studenten uit numerusfixusopleidingen gaan juist relatief minder vaak naar een selecterende master dan studenten uit overige bacheloropleidingen.

    Ontwikkelingen studentstromen

    Na een jarenlange daling stabiliseert de doorstroom vanuit het mbo en het voortgezet onderwijs naar het hoger onderwijs enigszins. De totale instroom neemt  toe. Studenten met hoogopgeleide ouders en studenten uit de hogere inkomensgroepenstromen stromen relatief vaker door naar het hoger onderwijs. Hierin zijn wel verschillen tussen mbo’ers, havisten en vwo’ers.

    Studenten met een niet-westerse migratieachtergrond stromen relatief vaker in het hoger onderwijs in dan studenten met een Nederlandse of anderszins westerse achtergrond, ongeacht hun vooropleiding. Eenmaal in het hoger onderwijs stromen zij echter relatief vaker door naar een niet-selecterende opleiding, dan naar een selecterende opleiding. Dit geldt zowel in de bachelor- als in de masterfase.

    Effecten van selectie op toegankelijkheid

    Op dit moment zijn er geen concrete aanwijzingen dat de brede toegankelijkheid van het hoger onderwijs onder druk staat. Over de tijd is er een redelijk stabiele procentuele verdeling in subgroepen binnen het hbo en het wo. Kijken we echter specifiek naar de toegankelijkheid van selecterende opleidingen, dan verdient dit beeld enige nuancering. Bepaalde groepen stromen immers relatief wat minder vaak in selecterende opleidingen in dan andere groepen. Selectie zorgt daarmee aantoonbaar voor een wat andere instroom. Wij achten enige alertheid hier op zijn plaats.

    De inspectie zal de ontwikkelingen die mogelijk van invloed zijn op de toegankelijkheid en de feitelijke instroom in het hoger onderwijs de komende jaren nadrukkelijk blijven monitoren. Daarover presenteren wij jaarlijks een kwantitatieve update van de trends in studentstromen, in het bijzonder van specifieke groepen studenten. Daarnaast zullen wij ook in 2017 verschillende vormen van selectie in kaart brengen.

    Vind hier het hele rapport 'Selectie, meer dan cijfers alleen.'