• A
  • A
  • OCW slaat aanbevelingen NVAO in de wind

    - OCW houdt vast aan het opleidingspredicaat excellent van de NVAO. Bovendien kunnen ho-instellingen als geheel geen bijzonder kenmerk krijgen en worden evaluatiebureaus niet in de wet verankerd. Daarmee neemt OCW drie suggesties van de NVAO om het accreditatiebestel te verbeteren niet over.

    Minister Bussemaker heeft een nieuw wetsvoorstel naar de Kamer gestuurd met een aantal verbeteringen in het accreditatiestelsel. Met als doel om meer eigenaarschap en meer vertrouwen te geven aan studenten, docenten en instellingen. Voordat deze wet dit najaar behandeld wordt in de Tweede Kamer heeft de NVAO in een brief aan de minister nog een drietal aanbevelingen gedaan, maar het ministerie laat weten deze niet over te nemen en wil daar graag over in discussie met de Kamer.

    Niet langer excellent oordeel

    De eerste suggestie gaat over gedifferentieerde oordelen. Sinds 2011 wordt er gewerkt met de opleidingsoordelen: onvoldoende, voldoende, goed en excellent. De NVAO doet nu de suggestie om de beoordeling excellent te laten vervallen, “omdat het tot relatief veel lasten leidt bij de onderwijsinstellingen en dat dit oordeel aan minder dan 1% van de opleidingen wordt toegekend. In internationaal verband is een beperktere beoordelingsschaal gebruikelijker,” zo schrijft de voorzitter Anne Flierman aan de minister.

    Daarnaast brengt deze wijze van beoordelen moeilijkheden met zich mee voor de visitatiepanels. “Het onderscheid tussen ‘goed’ en excellent’ is voor panels van experts en dus ook door de NVAO moeilijk te onderbouwen. Dat leidt tot aanvullende vragen aan opleidingen en panels, vertraging in besluitvorming en bezwaarprocedures. Wij zien dit als een voorname bron van administratieve lastenverzwaring.”

    Al eerder liet Flierman doorschemeren dat de NVAO af wil van deze manier van beoordelen. Tijdens de zomerborrel van de NVAO zette hij zijn bezwaren uiteen. “Is een opleiding nou écht goed of is er toch een beetje sprake van inflatie van de begrippen die we hanteren. Dat leidt tot heel veel discussies intern en dat kan leiden tot vertraging van afhandeling en zelfs soms tot bezwaarprocedures.”

    Ik herken deze argumenten

    De minister reageert in een brief aan de Kamer op het voorstel van de NVAO. Zij wijst er daarbij op dat een stuurgroep die bestond uit koepels en studentenbonden vast wilde houden aan het excellente oordeel. “Ik herken deze argumenten. Tegelijkertijd is deze gedifferentieerde oordelen nu in het PO en VO juist verder uitgebreid. Ook heeft de stuurgroep mij destijds geadviseerd om vast te houden aan de huidige beoordelingsschaal. Deze afwegingen kunnen aanleiding geven om de huidige beoordelingsschalen nog eens kritisch tegen het licht te houden. Ik ga hierover graag in gesprek met uw Kamer.”

    Een ander voorstel van de NVAO was om het bijzonder kenmerk voor opleidingsniveau en instellingsniveau toch te behouden. Momenteel kan een opleiding of een instelling het keurmerk kleinschalig en intensief, duurzaam hoger onderwijs, internationalisering of ondernemen krijgen. In het nieuwe wetsvoorstel heet dit een ‘specifiek aspect’ en kunnen alleen opleidingen dit nog krijgen, de gedachte hierachter is dat dit de administratieve last zal verlagen.

    Instellingen hebben een aantoonbare wens

    Uit gesprekken tussen de NVAO en instellingen blijkt dat men hier aan vast wil houden schrijft Flierman aan de minister. “Er is vanuit instellingen een aantoonbare wens om deze praktijk voor te zetten. Juist de eigen keuze van instellingen en hun wens zich via een specifiek aspect te profileren speelt in onze optiek een doorslaggevende rol en is een argument voor het behoud van een formeel door de NVAO een toegekend specifiek aspect

    De minister denkt hier anders over schrijft zij aan de Kamer. Ze verwijst daarbij naar de nog te maken kwaliteitsafspraken. “Daar ben ik geen voorstander van. Het draagt namelijk niet bij aan een samenhangende inzet van instrumenten voor kwaliteitsbeleid. Instellingen konden zich al profileren via de prestatieafspraken. Met het oog op de voorgenomen  kwaliteitsafspraken en het wegnemen van overlap in het toezicht ligt het voor de hand om deze profileringsfunctie niet ook nog bij het accreditatiestelsel te beleggen.”

    Genoodzaakt voelen

    De minister waarschuwt voor kopieergedrag tussen instellingen. “Verder betekent de mogelijkheid van een bijzonder kenmerk op instellingsniveau extra administratieve lasten voor de instellingen. Want ook al is dit kenmerk vrijwillig aan te vragen, het kan ertoe leiden dat instellingen zich genoodzaakt voelen een bijzonder kenmerk aan te vragen als andere instellingen dat eerder ook hebben gedaan. Dit wil ik voorkomen.”

    Een laatste voorstel van de NVAO was om de evaluatiebureaus die in opdracht van instellingen de visitaties uitvoeren weer wettelijk te verankeren. Halbe Zijlstra (VVD), de voorganger van minister Bussemaker heeft dit geschrapt in het kader van de open markt om op die manier ook andere partijen de mogelijkheid te geven om visitaties uit te voeren. Nu deze niet meer wettelijk verankerd zijn fronst men in het buitenland de wenkbrauwen over de kwaliteit van het stelsel. De NVAO schrijft daarover aan de minister: “Voor Nederland is het belangrijk dat de gehele keten van kwaliteitszorg in het hoger onderwijs internationaal erkend blijft.”

    Adviseert nadrukkelijk

    “De NVAO adviseert nadrukkelijk om de positie van de evaluatiebureaus opnieuw wettelijk te verankeren. Voorgesteld wordt om de NVAO een lijst met door haar goedgekeurde evaluatiebureaus te laten beheren, deze periodiek te actualiseren zonder dat er een gesloten markt ontstaat,” schrijft Anne Flierman.

    De reactie op dit dringende advies van de minister verwijst wederom naar het belang van eigenaarschap in het nieuwe stelsel. “Ik wil uiteraard met behoud van de kwaliteitsborging van het Nederlandse hoger onderwijs, uitdrukkelijk meer eigenaarschap bij de onderwijsgemeenschap leggen. Bij eigenaarschap past ook dat de instelling zelf kiest of, en zo ja, door welke organisatie zij zich daarin laat ondersteunen en adviseren. Tegelijkertijd wil ik dat instellingen goed zicht hebben op de kosten en de kwaliteit van de verschillende evaluatiebureaus.”

    Daarnaast laat zij aan de NVAO en de Kamer weten dat de Onderwijsinspectie ook alert is op dit punt. “De Inspectie van het Onderwijs heeft mij laten weten de positie van evaluatiebureaus mee te zullen nemen in haar evaluatie van het accreditatiestelsel, die dit voorjaar beschikbaar zal komen. Deze evaluatie kan aanleiding geven om de positie van evaluatiebureaus in het accreditatiestelsel te heroverwegen.”