Rinnooy Kan, Jongerius en Noorda presenteren het nieuwe, meest
actuele beeld van de kennissector en zijn ambities en mogelijkheden
in de KIA-foto. Zij noemen het beeld "gemengd." Maar de negatieve
financiële ontwikkeling mag niet reden zijn tot lethargie, zo
blijkt uit hun voorzet: "Nederland en andere landen bevinden zich
als gevolg van de financiële en economische crisis financieel in
een lastige positie. Er moet bezuinigd worden. We zien echter dat
landen die dichtbij ons staan in de diverse ranglijsten, ondanks de
crisis vasthouden aan een hoog niveau van investeringen in kennis
en innovatie."
Aansluiting met top niet verliezen
"Dat geldt bijvoorbeeld voor Duitsland, Frankrijk,
Denemarken en Finland. We kunnen het ons niet veroorloven de
aansluiting met de mondiale top te verliezen. Gegeven het
budgettaire kader zullen we de komende jaren meer moeten bereiken
met de bestaande middelen. Dat kan ook, bijvoorbeeld door meer
samenwerking tussen bedrijven, scholen en onderzoeksinstellingen en
door scherpere keuzes te maken. De leden van de KIA-coalitie zullen
zich de komende jaren dan ook blijven inzetten voor het verbeteren
van de kennis- en innovatieprestaties."
Daarom blijven zij met de KIA-partners kritisch kijken naar wat ons
land doet in vergelijking met anderen in de top 5 van de wereld en
de top 3 van Europa. "Op financieel vlak spiegelt de KIA-coalitie
Nederland aan vijf landen die in veel kennisranglijsten tot de top
behoren: de VS, Zwitserland, Zweden, Denemarken en Finland."
De langere termijnprojecties in dat opzicht zijn niet gunstig: "Per
saldo leveren de voornemens van het kabinet Rutte-Verhagen minder
investeringen in kennis en innovatie dan het KIA-basispad
veronderstelt. De precieze omvang hiervan laat zich momenteel nog
niet bepalen. Een volgend kabinet zal daardoor niet starten met de
in de KIA bepleite twee miljard euro extra publieke investeringen
per jaar, maar met, afhankelijk van de loonontwikkelingen, rond de
één miljard euro per jaar minder publieke investeringen in kennis
en innovatie."
Dalende trend bij onderwijsuitgaven
Bij de publieke investeringen in onderwijs is het beeld bepaald
somber aan het worden. De beweging van de investeringen gaat
precies de kant op die niet was afgesproken: omlaag. Hier "doet
zich het grootste verschil in investeringen tussen Nederland en de
kenniskoplopers voor. De dalende trend die zich vorig jaar
manifesteerde bij de publieke onderwijsinvesteringen zet zich
verder voort (van 4,35 naar 4,22% van het BBP). Het gat met het
gemiddelde van de top 5 (5,18%) bedraagt nu bijna 6 miljard euro
(per jaar)."
De belangrijkste factoren hierbij zijn
de volgende:
-Inmiddels is het voornemens om de lonen van docenten en
onderzoekers ook in 2012 op de nullijn te houden. Dat was in 2010
voor het onderwijzend personeel in het primair en voortgezet
onderwijs overigens ook al het geval. Afhankelijk van de groei die
de marktsector in deze periode doormaakt groeit hierdoor het gat
tussen de in de KIA 2011-2020 neergelegde ambitie en wat we
feitelijk zien gebeuren. Bij een loonstijging van 1,5% in de markt
kan dit 'gat' jaarlijks met tussen de 350 en 500 miljoen
toenemen.
- De komende jaren zal moeten blijken in hoeverre de
onderwijsbudgetten de groei in het aantal leerlingen kunnen
volgen.
-Per saldo wordt bezuinigd ten opzichte van het KIA-basispad. Dat
komt doordat het kabinet inzet op de nullijn voor de salarissen van
docenten en onderzoekers en door het wegvallen van de investeringen
uit het Fonds Economische Structuurversterking (FES). De precieze
omvang hiervan laat zich momenteel nog niet bepalen maar zou,
afhankelijk van de verdere loonontwikkeling, kunnen oplopen tot
rond de één miljard euro per jaar in 2015.
-Het verschil tussen het KIA-basispad en wat resteert bij de start
van een volgend kabinet in 2015 is een lagere investering van
tussen de 400 en 500 miljoen euro via het FES.
- De KIA noteert een forse terugslag bij de cruciale indicator
'Kwaliteit hoger onderwijs': "deze gaat van groen naar rood. Dit
komt met name doordat indicatoren die betrekking hebben op de
positie van excellente studenten stagneren:" de groei van de
excellentieprogramma's stokt, ver van het voor 2020 gestelde doel.
"Evenzo weten onvoldoende buitenlandse studenten de Nederlandse
universiteiten te vinden en studeren er te weinig Nederlandse
studenten in het buitenland."
- Nederland deed het op het opunt van de deelname aan
volwassenenonderwijs en LevenLangLeren "al slecht in internationale
vergelijkingen en juist hier wordt stevig bezuinigd door het
kabinet Rutte-Verhagen (30+ in het MBO-onderwijs, maar ook
inburgering en gemeentelijke re-integratiebudgetten). Het kabinet
is weliswaar voornemens om via de arbeidsrelatie bijscholing te
bevorderen, maar vergelijkbare pogingen in het verleden hebben tot
nog toe onvoldoende resultaat gesorteerd."
Wat goed gaat, of beter
Toch zijn er onmiskenbaar ook successen te tonen.
-Zo gaat het goed met de instroom in het leraarschap in het HBO en
op hogescholen neemt het aantal studenten per docent in een
voldoende hoog tempo af.
-De bèta-promotie is ook zeer geslaagd. "Het goede nieuws uit
het voortgezet onderwijs is de groei van het aantal havo en vwo
leerlingen die een N-profiel of bètaprofiel kiezen. De
investeringen van de afgelopen tijd in het bètatechnische onderwijs
op middelbare scholen werpen hun vruchten af. De prestaties van
middelbare scholieren, waarover onlangs nieuwe PISA-gegevens
verschenen, behouden hun oranje kleur omdat - als we alleen naar de
OESO-landen kijken - de top 5 nog in zicht is. Opkomende gebieden
als Shanghai en Singapore blijken echter hoger te scoren dan
Nederland."
-Internationaal gezien zijn Nederlandse onderzoekers "zeer
productief en hebben hun publicaties een grote impact. Traditioneel
is dat onze kracht, maar er zijn wel scheurtjes zichtbaar."
Nederland lift nu nog mee met successen elders, stelt de KIA vast,
"met name aan de technische universiteiten en in de
bètadisciplines. Dat is geen robuuste manier van werken. In de
wetenschap geldt dat wie niet levert, vroeg of laat van het netwerk
wordt uitgesloten. De vraag is daarom hoe lang deze goede
Nederlandse positie gehandhaafd kan blijven zonder extra
middelen."
- Op de diverse internationale ranglijsten doen de
universiteiten het zeer behoorlijk. "Ze horen (bijna) allemaal bij
de eerste 200 van de wereld, maar geen enkele Nederlandse
universiteit neemt een echte toppositie in. Door de bank genomen
laten de internationale ranglijsten van universiteiten niettemin
een lichte verbetering van de positie van Nederlandse
universiteiten zien. De door buitenlandse bedrijven in Nederland
verrichte R&D laat een forse stijging zien."