• A
  • A
  • Toezien op kwaliteit en op rechtmatigheid

    - Uit de onderzoeken naar de HBO-kwaliteit “worden stelselmatig de verkeerde conclusies getrokken.” De reden is dat men rechtmatigheid en niveau doorlopend verwart. Accreditatie-experts en –uitvoerders Van der Herberg en Hendriks doen een poging de zaak recht te zetten en waarschuwen OCW en parlement.

    'De reeds veelbesproken inspectierapporten over het hbo zijn in wezen een gecombineerd resultaat van twee totaal verschillende onderzoeken. Een onderzoek naar 'rechtmatigheid' door de Inspectie van het Onderwijs en een onderzoek naar 'kwaliteit' door de NVAO. In de presentatie van de onderzoeken en in het publieke debat over de uitkomsten vervaagt dit onderscheid.

    Daardoor wordt geen recht gedaan aan de waarde van de individuele onderzoeken en worden bovendien stelselmatig de verkeerde conclusies getrokken. Reden voor ons om ervoor te pleiten de scheiding tussen toezicht op kwaliteit en toezicht op rechtmatigheid te bewaken en te verhelderen.

    Kwaliteit en rechtmatigheid in de inspectierapporten

    Het is in de publiciteit onderbelicht dat aan de inspectierapporten over het hbo in feite twee verschillende onderzoeken ten grondslag liggen. De Inspectie van het Onderwijs heeft zelf geïnventariseerd, op basis van meldingen en een onder alle instellingen uitgezette enquête, welke instellingen risicovol waren t.a.v. alternatieve afstudeer- en toetstrajecten. De uiteindelijk door de inspectie samengestelde risico-groep is vervolgens nader onderzocht.

    Bij dit onderzoek heeft men zich geconcentreerd op de vraag of instellingen de voorschriften uit de WHW (Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek) omtrent toetsing en borging van eindniveau ook naleven. In de kern dus een onderzoek naar naleving van wet- en regelgeving (door ons wat kort door de bocht 'rechtmatigheid' genoemd), aan de hand van een overigens waardevol maar voor discussie vatbaar, beoordelingskader. De inspectie komt kortweg tot de conclusie dat in het bekostigd hoger beroepsonderwijs onvoldoende discipline in de naleving van de wetgeving rond het afstudeerniveau aanwezig is.

    Het tweede onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de NVAO door de commissie Dunnewijk. Deze commissie onderzocht eindwerken van een aantal opleidingen van hogeschool Inholland. Dit onderzoek gaat, eveneens kort door de bocht, over kwaliteit, zij het over slechts een beperkt onderdeel daarvan, namelijk: het niveau c.q. de beoordeling van een beperkt aantal eindwerken.

    De commissie constateert o.a. dat de hogeschool problemen heeft met het hanteren van een juiste cesuur bij de beoordeling van eindwerken. Sommige eindwerken zijn onterecht met een voldoende beoordeeld, terwijl andere, eveneens onterecht, zijn gewaardeerd met een te laag cijfer. De commissie doet trouwens ook een aantal waardevolle aanbevelingen die niet de aandacht krijgen de ze verdienen.

    Naleving wetgeving geen kwaliteitsgarantie

    In haar rapport merkt de inspectie op. "Dat de wet niet of onvoldoende wordt nageleefd hoeft op zich niets te zeggen over het gerealiseerde niveau van afgestudeerden. Alleen onderzoek van inhoudsdeskundigen kan daarover uitsluitsel geven". In onze woorden: voor de kwaliteit van het eindniveau is naleving van wet- en regelgeving wel een belangrijke randvoorwaarde, maar zeker geen garantie.

    Door de uitkomsten van de verschillende onderzoeken gecombineerd weer te geven in een 'aansprekende' kleurentabel zijn wellicht veel mensen op het verkeerde been gezet. Hoe immers valt te verklaren dat al snel in de publieke berichtgeving alle oordelen op één hoop zijn gegooid? Overal viel (en valt) te lezen dat de kwaliteit van alle onderzochte opleidingen ondermaats zou zijn (vermenging oordeel 'zeer zwak' en 'zorgelijk'). Bovendien wordt gemakshalve een conclusie voor één of een aantal opleidingen binnen een instelling doorvertaald naar alle opleidingen binnen die instelling, of zelfs naar het gehele hbo en hoger onderwijs.

    Wij hebben deze ontwikkeling met lede ogen aangezien. Als we niet uitkijken, dan staat dit gebrek aan nuancering een fatsoenlijk gesprek over kwaliteitsverbetering in de weg. Dat kan toch niet de bedoeling zijn geweest van de opstellers van het rapport?

    Tekort schietende externe borging?

    In de zoektocht naar een antwoord op de vraag 'hoe heeft het zover kunnen komen?' zijn vele verklaringen aangedragen. De staatssecretaris concludeert in zijn beleidsreactie dat er gaten in het systeem zijn: "de interne kwaliteitszorg van instellingen schoot tekort en de externe borgingsmechanismen werden pas actief nadat er media-aandacht ontstond. (…)". Het stelsel van kwaliteitsborging functioneert dan ook niet goed volgens de staatsecretaris. Het heeft "tot onvoldoende borging van de kwaliteit in het hbo geleid".

    Met deze stevige conclusie wordt vanzelfsprekend gekeken naar de rol van de toezichthouders in het hoger onderwijs. Dit zijn er twee: de Nederlands Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) en de Inspectie van het Onderwijs.

    Toezicht: wie doet wat?

    Op hoofdlijnen gaat de stelling op dat de NVAO de toezichthouder is voor 'kwaliteit' en de inspectie voor 'rechtmatigheid'. Toch is het passend om de in de Wet op het onderwijstoezicht (Wot) opgenomen toezichthoudende bevoegdheden van de inspectie meer in detail te bezien.

    In artikel 17 van deze wet is geregeld dat de inspectie toezicht houdt op het accreditatiestelsel. Het daarop volgende artikel 18 regelt vervolgens het toezicht op de hoger onderwijsinstellingen. Samengevat bepaalt dit artikel dat de inspectie onderzoek doet naar de naleving van wettelijke voorschriften door bekostigde hogescholen en universiteiten. Onder wettelijke voorschriften wordt in dit verband verstaan hetgeen bij of krachtens de WHW is bepaald over de kwaliteitszorg, de registratie van opleidingen, het onderwijs, de examens, de promoties of de vooropleidingseisen of toelatingseisen. Vervolgens geeft artikel 19 van de Wot de inspectie nog de bevoegdheid om incidenteel onderzoek te doen, zowel naar stelselaspecten als naar eventuele onvolkomenheden bij individuele instellingen. Deze laatstgenoemde functie staat ook wel bekend als de 'brandweerfunctie'.

    Tussen de NVAO en de inspectie is een samenwerkingsprotocol van kracht waarin de rolverdeling is vastgelegd. De hierboven beschreven toezichthoudende taak o.g.v. artikel 18 van de Wot wordt omschreven als "toezicht houden op de naleving van regelgeving en financiële rechtmatigheid.

    Meer inspectie, minder NVAO?

    Uitgaande van de eerste reactie van staatssecretaris Zijlstra mocht reeds worden verwacht dat de inspectie een zwaardere toezichthoudende rol zou krijgen. Zijlstra meldt onder meer "Ik wil dat de rol van de inspectie in het hoger onderwijs groter wordt: de wettelijke uitzondering dat de inspectie niet toeziet op de kwaliteit van het hoger onderwijs moet vervallen". Deze lijn is bevestigd in de beleidsreactie waarin een grotere rol van de inspectie is voorzien. Dit voorstel kon ook rekenen op bijval in het parlement, zo bleek tijdens het debat over de kabinetsreactie.

    Maar is het hoger onderwijs wel gebaat bij deze grotere rol? In onze optiek niet. Wij zien twee toezichthouders die gaan over hetzelfde onderwerp als een potentiële bron van competentiegeschillen die over de rug van de instellingen worden uitgevochten. Door de inspectie ook bevoegdheden te geven om toe te zien op de kwaliteit van het hoger onderwijs zal het onderscheid tussen beiden verder vervagen.

    Het kan nog bonter

    Bovendien. In de beleidsreactie stelt de staatssecretaris "Behoudens incidenteel onderzoek naar aanleiding van signalen, behoort het niet tot de taak van de inspectie om systematisch toe te zien op de kwaliteit van het hoger onderwijs. Als er zich kwaliteitsproblemen voordoen en de interne kwaliteitszorg van de instelling faalt in de periode tussen twee accreditaties, is er geen systematisch functionerend, extern mechanisme, om die problemen tijdig te ontdekken."

    Bij deze stelling kunnen grote vraagtekens worden gezet. Immers, voorziet artikel 18 van de Wot niet juist wel in deze taak? En is niet bijvoorbeeld juist de naleving van wettelijke bepalingen omtrent kwaliteitszorg (en gelet op artikel 1.18 WHW dus ook de interne kwaliteitszorg) één van de onderwerpen waar de inspectie naar (had) moet(en) kijken?

    Het kan nog bonter. Het negatieve antwoord van de staatssecretaris op de vraag of het stelsel van kwaliteitsborging wel goed functioneert, wordt mede beantwoord door te stellen dat in de recente geschiedenis ook al is geconstateerd dat in het hbo het naleven van regels en het bieden van kwalitatief goed onderwijs niet is gelukt. De simpele vraag is dan, waarom is er toen niet ingegrepen? Welke deel van externe borging (checks & balances) faalt er dan?

    Scheid toezicht op kwaliteit en rechtmatigheid

    Wij zien geen heil in een uitbreiding van toezichthoudende bevoegdheden van de inspectie. Het ware beter indien de staatssecretaris de inspectie en de NVAO aanspreekt op een effectievere uitvoering van hun beider bevoegdheden. Daarmee komen wij ook op de kern: het bewaken van de scheiding tussen toezicht op kwaliteit en toezicht op rechtmatigheid.

    Toezicht op kwaliteit (en niveau) van het hoger onderwijs dient te liggen bij inhoudsdeskundigen. Deze deskundigen (peers) dienen adequaat gefaciliteerd te worden zodanig dat zij zich kunnen richten op de kerntaak: het beoordelen van de inhoudelijke kwaliteit en het niveau van de opleidingen, in het licht van de eisen die het actuele kennisdomein en de beroepsomgeving van de afgestudeerden aan hen stelt. Zadel deze inhoudsdeskundigen niet op met (juridische) processen en procedures die moeten worden beoordeeld.

    Het is volgens ons uit principiële en praktische overwegingen niet wenselijk, dat een beoordelingskader (zoals gebruikt door de inspectie bij beoordelingen van de alternatieve afstudeertrajecten) het model wordt voor toekomstig toezicht of daarin wordt geïncorporeerd. Zulks een kader legt de nadruk op processen en procedure, op de naleving van wet- en regelgeving ten aanzien van toetsing, examencommissie en OER. De recent aangescherpte  beoordelingskaders voor opleidingen van de NVAO hebben een andere, op beoordeling van kwaliteit gerichte insteek.

    Twee takken van sport

    Voor de goede orde, wij betogen hier niet dat naleving van wet- en regelgeving niet belangrijk is, integendeel. Wij willen alleen aangeven dat beoordelen van kwaliteit en beoordelen van naleving van wet- en regelgeving twee verschillende takken van sport zijn. Dit verschil in benadering en werkwijze uit zich op verschillende onderdelen, bijvoorbeeld ten aanzien van de wijze waarop naar een onderwijs- en examenregeling wordt gekeken.

    Het maakt  nogal een verschil of bij een instelling of examencommissie nagegaan wordt of deze zich aan de wet- en regelgeving t.a.v. examencommissies houdt of dat de examencommissie in een inhoudelijk gesprek met inhoudsdeskundigen wordt aangesproken op de wijze waarop de kwaliteit van tentamens en examens (beter: toetsen en beoordelen) wordt ingevuld. In het tweede gesprek staat de 'echte inhoud'  centraal, het eerste blijft zich concentreren op formele rechtmatigheid.

    Bij een te grote focus op formele rechtmatigheid ligt een voor de hand liggende valkuil op de loer. Op papier kan alles er prima uitzien, maar de praktijk is de echte toets der kritiek. De kwaliteit van een opleiding wordt bepaald door de gezamenlijke onderwijs- en toetspraktijk die docenten erop na houden.

    De complexiteit van het begrip kwaliteit

    In sectoren waar de Inspectie van het Onderwijs qua toezicht het "alleenrecht" heeft, wordt deze discussie ook gevoerd. Nogal wat schoolbesturen in het voortgezet onderwijs en ook de VO-raad zelf geven aan dat de insteek van de inspectie niet altijd tegemoet komt aan de complexiteit van het kwaliteitsbegrip. Het toezicht van de inspectie op de kwaliteit van het onderwijs in het voortgezet onderwijs heeft een hoog "rendements" gehalte, waarbij rendement geoperationaliseerd is in "snelheid van doorstroom".

    De VO-raad heeft er recent op gewezen dat de toegevoegde waarde van onderwijs een grotere rol zou moeten spelen bij de beoordeling van de kwaliteit. Niet voor niets voeren schoolbesturen in het voortgezet onderwijs steeds vaker flankerend beleid ten aanzien van de beoordeling van hun kwaliteit. Collegiale visitaties, ketenreviews en audits worden ingezet om een genuanceerder, ontwikkelingsgericht  kwaliteitsbeeld te krijgen dan die van de opbrengstenkaart.

    Door nu de scheiding tussen toezicht op kwaliteit en toezicht op rechtmatigheid te bewaken en waar noodzakelijk bestaande bevoegdheden effectiever te benutten wordt voorkomen dat het hoger onderwijs een stap terug doet in de tijd.

    Drs R.B. (Ruud) van der Herberg (partner bij Hobéon)
    Mr. F.A.M.(Frank) Hendriks (onderwijsjurist, adviseur bij Hobéon)

     

    De auteurs zijn nauw betrokken bij accreditaties in het hoger onderwijs. Van der Herberg heeft als voorzitter met diverse commissies van deskundigen een palet aan opleidingen in het hbo beoordeeld. Tevens heeft hij veel ervaring met kwaliteitsaudits en kwaliteitsbeleid in het voortgezet onderwijs. Hendriks publiceerde in het verleden over het accreditatiestelsel en is als juridisch adviseur o.a. betrokken bij beoordelingstrajecten. Beiden schrijven deze bijdrage op persoonlijke titel.