De Leidse hoogleraar zit de commissie voor die de validering van de
kwaliteitseisen voor tentamens en examens in het HBO nog eens
scherp moet doordenken. Op het HBO Jaarcongres zette hij uiteen hoe
zijn denklijnen zich op dit terrein hebben ontwikkeld. In de
opdracht aan zijn club was al merkbaar, dat de trend in de
discussie daarover de hogescholen reden tot zorg geeft.
Niet bedoelde gevolgen
Zo werd daarbij gesteld: "Voor de hogescholen concretiseert dit
[maatschappelijk wantrouwen naar instituties] zich thans in
een zekere mate van wantrouwen ten aanzien van de autonomie die zij
bezitten om - zelfstandig en onafhankelijk - een oordeel te vellen
over de vraag of een student het beoogde eindniveau heeft
bereikt.
Dit wantrouwen leidt er toe dat door politiek en samenleving
wordt aangedrongen op objectiveerbare toetsingskaders die het
mogelijk maken dat 'neutrale waarnemers' er op toe kunnen zien dat
hogescholen gewetensvol met hun verantwoordelijkheden omgaan."
"In die perceptie is het invoeren van (vormen van) landelijke
toetsing een manier om zo'n 'objectief toetsingskader' te
realiseren. Men vergeet hierbij echter dat landelijke toetsing,
indien het als enig middel voor kwaliteitsborging wordt ingezet,
verschillende niet bedoelde consequenties kan hebben."
De commissie moet daarom de vraag ten diepste beantwoorden "waar
de balans ligt tussen objectieve, transparante en neutrale
diplomakwaliteit enerzijds, en anderzijds de hoogwaardige
inhoudelijke kwaliteit van de opleiding in kwestie, de
praktijkgerichte oriëntatie en de maatschappelijke
verantwoordelijkheid (waaronder het element van kosten/baten) die
van het hbo mogen worden verwacht."
Contra motie-Beertema
In zijn keynote rede op het jaarcongres van het HBO heeft Bruijn
deze handschoen opgepakt. Zonder de definitieve inhoud van het
adviesrapport van zijn commissie te onthullen, gaf hij aan een
duidelijk alternatief te willen bieden voor de geluiden in onder
meer de Tweede Kamer die pleiten voor centrale, nationaal bewaakte
en geregelde examineringen. Hij zette de vereisten uit de motie van
het PVV-Kamerlid Beertema daarin af tegen de randvoorwaarden voor
goede validering van kwaliteit in het hoger onderwijs.
Door de eindtoetsing van het HBO te versmallen tot het meten van
kennis in kernvakken van opleidingen door centrale examens, gebeurt
volgens Bruijn een reeks verkeerde dingen tegelijk. Allereerst
wordt de essentiële professionele kant van het HBO - in
competenties, beroepshouding en -vaardigheden belichaamd - buiten
de eindbeoordeling gehouden.
Ten tweede worden juist de professionals als docenten, lectoren
en beroepspraktijkmensen buiten de boordeling en formulering van de
kwaliteitseisen gezet. Er komt immers een centrale, door de
overheid gestuurde examenaanpak.
Op zijn kop gezet
Dat betekent dat het streven om de professional veel meer
centraal te stellen in de onderwijspraktijk in plaats van de
managers en de regelgeving op zijn kop gezet zou worden. Ook de
toegevoegde waarde van de input van die professionals en het eigen
profiel van de hogeschool verdwijnt min of meer in zo'n nationale
systematiek. En juist dat profiel en die input zouden volgens het
rapport-Veerman en de strategische agenda van het kabinet de
kwaliteit en onderscheidenheid van het HBO flink moeten
versterken.
Daartegenover plaatste Bruijn de ervaringen die in verschillende
pilots in het HBO al zijn opgedaan met het over de hogescholen en
opleidingen heen delen van toetservaringen, -materialen en -kennis.
Daar komt juist de aanpak en inhoud vanuit de docenten en professie
optimaal tot hun recht.
In zijn eigen medische professie binnen de universiteiten en
UMC's is dit al veel langer aan de orde, onder meer geïnspireerd
door de hoogwaardige onderwijspraktijk van de Universiteit
Maastricht en het PGO-model dat daar is ontwikkeld en gedeeld met
veel collega-instellingen. Juist de niet-bureaucratische, door de
experts in de disciplines opgebouwde en onderling verspreide kennis
maakt deze aanpak kwalitatief succesvol.
Koppen moeten rollen reflex
Dit bouwt voor op wat Bruijn als vice-voorzitter van de Raad van
Toezicht van de Hogeschool Leiden te berde bracht in het jubileumboek van deze instelling. Hij zei
daarover in 2011: "Voor een hogeschool is het belangrijk wat de
HBO-Monitor laat zien. Wat de alumni in de beroepspraktijk ervaren
en met ons delen als ze re?ecteren op wat ze uit de opleiding
hebben meegekregen is zinvolle informatie.
Maar ook bij de borging van kwaliteit moeten we waken voor de
'low trust'-benadering, de 'koppen moeten rollen'-re?ex bij het
eerste de beste incident. Als dat de insteek wordt in plaats van de
high trust-visie van de HOAK-nota, loopt het hoger onderwijs
vast."
"Het veld moet proactief worden. Zeg vooral hoe je het wél wilt
zien, wat je zelf gaat doen. Geef de politiek zelf de tools om
bijvoorbeeld de kwaliteit beter te borgen. Maak die gezamenlijke
diplomagarantie van alle hogescholen concreet en geef die dan ook
af."
In zijn keynote kwam Bruijn daarom met de suggestie dat in het
HBO - en ook bij de universiteiten - niet alleen een extra
validering van de onderwijskwaliteit van de docenten (in het
zogeheten SKO en BKO) wordt doorgevoerd, maar ook een 'SKE' en
'BKE' voor het specialisme van docentenkwaliteit in het ontwikkelen
en onderhouden van toetservaring en examinering.