• A
  • A
  • Schimmige fusies

    - OCW vindt het onwenselijk wanneer samenwerkingsverbanden die formeel geen fusies mogen heten, daar in de praktijk wel alle schijn van hebben. Bij zulke instellingen ontbreken de voorwaarden voor een reguliere fusietoets, onderstreept Bussemaker in reactie op een advies daarover.

    De commissie Fusietoets Onderwijs kwam in december 2012 met een evaluatie van de wet Fusietoetsen die toen bijna een jaar in werking was. Onlangs hebben Sander Dekker en Jet Bussemaker op dit advies gereageerd. De minister neemt niet alle aanbevelingen over.

    Andere voorwaarden

    Hoewel de Commissie Fusietoets Onderwijs belast is met de taak om alleen maar fusies te beoordelen in P.O, V.O, MBO en volwasseneducatie wil deze commissie met enige nadruk dat het beleid omtrent fusies afgestemd wordt met dat  ten aanzien van het hoger onderwijs.

    De minister laat in haar nu echter reactie weten het daar niet mee eens te zijn. Zij ziet voor het HO duidelijk andere voorwaarden voor een fusietoets, gezien het internationale karakter van de instellingen en de sector.

    “In tegenstelling tot u zien wij wel belangrijke verschillen tussen de HO en BVE-sector waaronder het MBO, die een verschillende toets voor wat betreft fusies rechtvaardigen. Ten eerste is de BVE-sector regionaal georganiseerd, terwijl de HO-sector landelijk en internationaal georganiseerd is."

    "In de BVE-sector mogen instellingen zelfstandig opleidingen starten, verplaatsen en beëindigen, terwijl in de HO-sector de instellingen die vrijheid niet hebben, maar eerst toestemming van de Commissie Doelmatigheid in het Hoger Onderwijs (CDHO) nodig hebben. Ten tweede kent de BVE-sector een kwalificatiestructuur waarbij de arbeidsmarktrelevantie is gewaarborgd door de rol van onderwijs en bedrijfsleven bij de totstandkoming van de kwalificatiedossiers.”

    Onomkeerbare unies

    De minister is evenals commissie Fusietoets niettemin bezorgd over de constructies die in de praktijk wel erg veel op een fusie lijken maar niet wettelijk getoetst worden. Zij noemt deze zogenaamde personele unies in het onderwijs waardoor verschillende instellingen feitelijk bestuurlijk gefuseerd zijn en “onomkeerbaar versmolten” raken.

    “Wij delen uw bezorgdheid over de personele unies. Bij de totstandkoming van de Wet fusietoets is waardering uitgesproken voor samenwerkingsvormen zoals een personele unie als volwaardig alternatief voor een bestuurlijke fusie vanwege de omkeerbaarheid van personele unies."

    "Steeds vaker zien we echter vormen van samenwerking waarbij besturen dusdanig (onomkeerbaar) versmolten zijn dat deze vorm van samenwerking sterke trekken heeft van een bestuurlijk gefuseerde eenheid. Dat is een onwenselijke situatie omdat de waarborgen waarmee een reguliere fusie is omkleed, ontbreken en in strijd zijn met de bedoeling van de Wet fusietoets.”

    Dit is uit de pen van minister Bussemaker een opmerkelijke tekst, omdat wat zij bekritiseert sterke trekken vertoont van de bestuurlijke samenwerking, zoals die is gegroeid tussen de UvA en de HvA. Ook bij de samenwerking tussen VU en UvA rond onder meer de Bèta-faculteit klinkt regelmatig zorg en kritiek over dit soort onomkeerbare versmelting.