• A
  • A
  • Draai die verrekijker nu eens om

    - “Bij differentiatie is het glas half vol, we zijn echt nog niet klaar.” Nu Marijk van der Wende naar Harvard en China vertrekt, kijkt ze naar hoe het Nederlands HO zich ontwikkelt. “Onze instellingen kunnen nog grote stappen nemen in de graduate fase. Bologna is nog niet af.”

    Een jongen begint in de foyer beneden de glazen werkkamer van Marijk van der Wende piano te spelen. “Wat ik ga missen?” vraagt de Dean van het Amsterdam University College. “Dít ga ik missen.” Van de studenten uit heel de wereld die met grote gretigheid zich in ons land willen komen vormen en ontwikkelen heeft Van der Wende steeds weer kunnen genieten. En toch gaat ze naar de VS en China om de globalisering van het hoger onderwijs en haar impact daar te onderzoeken.

    Half een gevaar

    “We kijken met onze westerse verrekijker naar China en zien dan dingen met onze eigen blik. We vinden China groot, heel erg groot. We zien een razend tempo van ontwikkeling van hoger onderwijs. Zijn wij niet gewend, wij deden er eeuwen over om ons bestel te laten ontstaan. En we zien dat half als een gevaar, een dreigend perspectief, half als een zaak waarvan we de kwaliteit, de betekenis op langere termijn nog niet in kunnen schatten.”

    Dat laatste is een oud patroon, dat al in de 19e als ‘het gele gevaar’ opdoemde tegelijk met de koloniale visie van een verzwakt, corrupt keizerrijk, dat weinig presteerde en niet kon tippen aan het westerse vernuft.

    Precies. Daarom  denk ik “draai die verrekijker nu eens om. Wat zien we dan?” Kijk eens hoe men in China zelf globalisering beschouwt en probeer dan van daaruit te de ontwikkeling van het hoger onderwijs te analyseren . Wat betekent deze voor hen, in de huidige fase van de ontwikkeling van China? Hoe pakken ze dit aan en waarom zo, met wie ook?

    Een van de opvallende elementen daarbij is hoe ook in China het accent op ‘Liberal Arts and Sciences’ naar voren komt. Harvard en het AUC organiseren daar dan ook een seminar over in Shanghai en doordenken dit thema wereldwijd. Heel recent was er zo’n bijeenkomst in Sint Petersburg. Gisteren kwam bij ons de universiteit van Hiroshima voor de tweede keer op bezoek.

    Hier in Europa is een hoger onderwijs dat voortbouwt op de ‘liberals arts and sciences’ weer sterk opgekomen. Herkent men daarin nu de 21st century skills en Bildung eigenlijk niet ten diepste terug?

    Het komt niet op, volgens mij, het komt terug, het herstelt! Het was hier immers de vorm van hoger onderwijs bij het ontstaan van onze oude universiteiten.

    De hamsterquiz van Dijkgraaf

    In Nederland is het vooral sterk weer opgebloeid vanwege drie motieven. Er was allereerst een gebrek aan differentiatie in het geheel van het HO-bestel. Daar wees Veerman ook sterk op. Ten tweede kennen wij een overmatige specialisatie van smalle opleidingen op alle niveaus. Die vergelijking door Robbert Dijkgraaf met die quiz waar hamsters door smalle poortjes moesten hollen, die blijft nog altijd treffend. En tenslotte was de internationalisering hier nog zwak ontwikkeld.

    De university colleges met hun liberal arts and science profiel gaven op elk van die drie aspecten een antwoord. Ze zijn breed, kiezen allemaal voor een internationale opzet en voor een excellent onderwijs aanbod binnen de researchuniversiteiten. Dit durven we nu doen, omdat we verscheidenheid als kracht zien.

    Nederland heeft een hoger onderwijs en ook een VO dat voor de middenmoot van de jongeren voortreffelijk is. Dat laten alle internationale analyses zien, prima dus. Voor de zwakkere studenten doen we het ook goed, gelukkig wel. Maar voor de heel goeie? Voor hen was er weinig specifieke aandacht.

    Die komen er wel. Die doen wat de middenmoot aan kan en verzinnen zelf wel hun extra’s. Dat is toch de idee?

    Vaak wel, maar we weten helemaal niet of dat waar is. We weten niet waar die heel goeie studenten heen gingen, welke keuzes ze maakten. Ik vermoed dat veel maar het buitenland gingen, relatief veel gingen geneeskunde doen of twee studies. Maar we hadden geen specifiek oog voor hen, daagden ze zelf niet uit. Ik vind dat jammer. Je moet toch alle talenten van alle jongeren willen bedienen en uitlokken?

    Confrontatie met soft skills

    Het nieuwe van de colleges en hun differentiatie is dus eigenlijk dat ze zo oud zijn?

    Nou, nou. Ze zijn én breder van opzet én gewoon ‘moeilijker’ en bewust interdisciplinair. Dat maakt de studenten zoveel meer vaardig. En als ze willen kunnen ze zich ook heel smal in een vak storten, maar toch een ‘academic core’ van 60 studiepunten realiseren. Als je dat ‘Bildung’ of ‘21st Century Skills’ wilt noemen, be my guest..

    Het meeste is niet ‘nieuw’, dat is zo. Veel zien we in de kerngedachte terug van de aloude artes liberales. Wel nieuw is de accentuering van de ‘soft skills’ daarbinnen. Maar dat is voor Nederlandse studenten niet zo’n punt. Die zijn daar allang heel erg goed in. We doen in PO en VO weinig anders lijkt het wel eens…

    Bij studenten uit andere landen ligt dat nogal anders, hoor. Die komen soms uit culturen waar leren en de school nog heel directief zijn. Voor hen zijn die ‘soft skills’ soms een behoorlijke uitdaging. Dat is voor Nederlandse studenten dan weer een groot leerproces: leren omgaan met een omgeving waarin anderen heel verschillend functioneren. Het bewust verbinden van excellentie én diversiteit is essentieel voor een ‘liberal arts and sciences college.

    Als je nu 15 jaar na je werk aan de commissie-Rinnooy Kan over invoering van BaMa kijkt naar de voortgang van het HO-bestel, hoe is de stand van het land dan?

    Bij differentiatie is het glas half vol, we zijn echt nog niet klaar. Maar er zijn wel echt goede stappen gezet, kijk bijvoorbeeld naar de TU Eindhoven die hun bacheloropzet open durft te gooien. In het WO moet er nu wel werk gemaakt worden van de graduate fase. De kwaliteit van het onderzoek en die van het onderwijs op dat niveau moeten beter in balans worden gebracht. We lopen internationaal talent mis dat hier graag zou komen studeren. Onze instellingen zijn nog niet erg professioneel ontwikkeld in het aannemen van mensen van buiten de eigen bachelor-opleidingen. We zouden hier heel veel heel goeie mensen kunnen krijgen én houden. We laten wel mensen toe die met een 6 een bachelor in eigen huis hebben behaald, maar toppers van buiten laten we moeizaam toe, niet erg slim is dat.

    PhD is nog te lang gezien als een individueel onderzoek en niet als ook een belangrijke opleiding die mensen voorbereidt op een carrière in of buiten de wetenschap. We kunnen ook de professional master en doctorate beter vorm geven.

    Tekort aan gretigheid in HBO

    De liberal arts benadering en andere innovaties en differentiaties lijken in het HBO minder te lukken. Je hebt zoiets met VU en Windesheim gepoogd, maar het komt niet van de grond. Waarom is dat?

    Men is in het HBO nu wel met de Associate degree begonnen, maar de hogescholen zijn verdeeld daarover. Toch is het een belangrijke stap voor veel jongeren, die in het MBO zijn opgeleid en meer kunnen. Het HBO heeft een tekort aan gretigheid op dit punt, zelfs nu ‘stapelen’ weer mag. Daar hadden ze op moeten springen om die kans te pakken. Men ontwikkelt liever mastersopleidingen.

    Innoveren is in het HBO echt veel moeilijker dan bij universiteiten. Ik heb dat bij Inholland en bij Windesheim ervaren. Waarom dat is, heb ik me ook vaak afgevraagd. De veronderstelling is vaak precies omgekeerd. Men denkt dat in het WO de academici conservatief zijn, moeilijk in beweging komen en hogescholen veel meer dicht op de praktijk en de bedrijven zitten en daarom innovatief en flexibel zijn.

    Mijn ervaring is dat in het HBO de docenten veel minder autonoom zijn dan de onderzoekers en docenten in het WO. Aan een universiteit zit achter elke deur iemand met een leuke vraag, een goed idee. Dat zit in de mensen daar. Hun identiteit is een andere, elke docent heeft er vanuit het onderzoek  expliciet iets waar hij voor staat. Zij hebben allemaal ’een onderwerp’ en zijn daarin geaard. Dat geeft ze zelfvertrouwen en iets eigens binnen de organisatie die bovendien een veel grotere autonomie biedt.

    Amorf innoveren

    Ik weet dat ik generaliseer, maar je merkt dat bij een universiteit men makkelijker te triggeren is op vraagstukken., op nieuwsgierigheid. Men laat zich daarbij ook niet zo sturen door management of formele aspecten. Dat is in het HBO anders, de schil van formaliteiten en management is er dikker en de cultuur is dan bij nieuwe dingen wel wat van ‘ben ik hier verantwoordelijk voor? Welke bevoegdheden en regels gelden hier? Heb ik hier wel uren voor?’

    Die neiging tot minder activering van de eigen kennis, van ‘je eigen onderwerp’, maakt innovatie in het HBO moeizamer. Het moet dan meer van buiten komen. Het is de docenten wellicht ook een beetje ontfutseld. Regels en vooral ook roosters zijn erg dwingend. Daarin zit nog iets van het voortgezet onderwijs waar de opleidingen uit voortgekomen zijn, vermoed ik, en dat is blijven leven in hogescholen.

    Het benadrukken van ‘binariteit’ en het niet werkelijk doorontwikkelen van BaMa met professional masters en doctorates past daar wel bij. Het WO houdt zo het zelfbeeld in stand, dat men academische vorming biedt die vrij, ongebonden onderzoek helpt vormen.

    Meer dan de helft van de WO-studenten wordt opgeleid voor een gereguleerd beroep, met formele vereisten vanuit de professie. Arts, advocaat, ingenieur, leraar, dominee, vul maar aan. Het academische zelfbeeld is inderdaad heel anders!

    Die beroepsopleiding kent het WO dankzij zijn lange historie. De universiteit moest de topmensen van de samenleving opleiden. Onze eerste echte universiteiten, zoals Leiden en Utrecht, zij hadden allemaal beroepsgerichte faculteiten. Wees daar dan liever nuchter en zelfbewust bij.

    Krijgen we dat hier ook?

    De nadruk op de onderzoekkant van de universiteiten is door de onstuitbare opmars van de rankings mede aangemoedigd. Je hebt daar met mensen van CHEPS, CHE in Duitsland en anderen veel aan getrokken in de voorbije jaren. Is de uitkomst daarvan naar je zin?

    We hebben er vanuit CHEPS zeker veel aan gedaan. De gedachte bij mij was toch steeds’: ‘zorg dat je snapt wat er op dit terrein gebeurt, diep dat me elkaar uit en voer vooral ook een beleid dat iets anders inhoudt dan achter de feiten aanhollen of achter de nieuwste trend aanjagen zonder dat je weet wat die betekenen.’

    Bij de methodologie van rankings zijn inmiddels verbeteringen doorgevoerd, daar zijn tussen de verschillende organisaties in dit veld ook afspraken over aan het ontstaan. CWTS heeft met de Leiden Ranking en vooral goede indicatoren daarvoor veel betekend. Het feit dat de makers van de Shanghai Ranking die Leidse input overnemen, geeft dat wel aan.

    Wel is het jammer dat nog vaak eenzijdig ‘gestuurd’ wordt op onderzoekresultaten en -prestaties, bij het opstellen van rankings. Een focus op alleen de onderzoekmissie van universiteiten onderbelicht de onderwijstaak. Rond 2001 zag ik de gevolgen daarvan al in Amerika. Stanford en Berkeley dreigden toen onderwijsaccreditaties kwijt te raken, omdat ze de kwaliteit van het undergraduate onderwijs hadden laten sloffen. Dat was natuurlijk een reden tot groot gedoe. ‘Krijgen we dat hier ook?’ dacht ik toen wel eens, omdat we toen net BaMa gingen invoeren.

    In ons land hebben we hier gelukkig tijdig tegengas tegen gegeven. In eerste instantie sprong iedereen natuurlijk op de masteropleidingen. Maar na een paar jaar nam de aandacht voor het bacheloronderwijs gelukkig weer toe. Door de agenda van de VSNU en ook het Sirius Programma is daarvan een mooi voorbeeld en de manier waarop met de Review Commissie HO van Van Vught ook juist naar de onderwijskant is gekeken.

    De doordenking van rankings, hun kwaliteit en impact heeft je uiteindelijk nu naar dit China-project gevoerd, is het niet?

    Eigenlijk wel, ik zat al jaren in de adviesraad van het Center for World Class Universities die bij de Jiao Tong universiteit in Shanghai de rankings ontwikkelt. Zo’n extern adviserend college is wel bijzonder daar, omdat zoiets bij universiteiten in China niet erg gebruikelijk is. Daar ben ik gaan zien hoe men in China zelf lijkt naar de ontwikkeling van het eigen onderwijs en het globale perspectief daarvan, met name in het hoger onderwijs. China is heel lang afgesloten geweest en daarom is het gesprek daarover en onderzoek daarnaar interessant voor ons en voor hen.

    Vanuit het Fairbanks Center for Chinese Studies op Harvard ga ik ook ‘veldwerk’ in China doen Tevens zal ik als ‘visiting scholar’ actief zijn aan Boston College. Daar zit Philip Altbach’s Centre for International Higher Education en dat is op dit terrein toch ook echt ‘a place to be’.