• A
  • A
  • HBO-rendement problematisch

    - De profilering van HBO en WO loopt goed. “Niet iedereen doet meer alles,” zegt Frans van Vught van de Reviewcommissie HO. Bij het rendement en uitval is het contrast niettemin groot. Alleen het WO slaagt hier echt en “wij doen niet aan een afrekencultuur,” mits het HBO een goed verhaal heeft.

    De stelselrapportage van Van Vughts RCHO laat voor de stand van zaken in 2015 en de blik vooruit naar het geheel en eindbeoordeling eind 2016 belangrijke vooruitgang en obstakels zien voor de verbetering van het HO, zoals de Commissie Veerman deze beoogde in 2010. De instellingen omarmden die ambitie met hun hoofdlijnenakkoorden van 2011 en prestatieafspraken met Rutte-I. Wat komt daar nu uit?

    In een briefing aan de Tweede Kamer liet Van Vught een reeks conclusies en indrukken presenteren die een helder beeld geven van de komende eindbeoordelingen van de inhoud, uitkomsten, effecten en doeltreffendheid van de prestatieafspraken en de eigen ambities van de hogescholen en universiteiten.

    1] Nederland is wat Veerman een beetje een gidsland geworden in het internationale HO-beleidsdebat. Missie gebonden bekostigingsarrangementen en prestatiefinanciering zijn een bredere trend geworden.

    2] Profilering en zwaartepuntvorming zijn een geslaagde inzet gebleken. De verscheidenheid van het onderwijs is in aanbod en invulling groter geworden. Dat wordt concreet zichtbaar in het succes van het Sirius-programma voor excellentietrajecten en honours-aanbod en het nadrukkelijker inspelen op de Human Capital Agenda’s van de topsectoren en Europese programma’s voor onderwijs en onderzoek.

    Het masterplan Bèta Techniek, sectorplannen als die in het kunstonderwijs en de ontwikkeling van de Centres of Expertise zijn eveneens geslaagde, concrete stappen in de goede richting. De verbreding van de bacheloropleidingen en in het WO vooral de aanzienlijke herschikking in het masteraanbod leiden er daarmee samen toe dat “niet iedereen meer alles doet,” en dat acht de RCHO een goede ontwikkeling in het licht van Veerman. Vooral omdat dit vaak op het eigen initiatief van de instellingen gebeurt en nog steeds voortgaat, zoals zichtbaar is in het Ad-aanbod in het HBO.

    Opvallend is dat Van Vught ook “positief is over de situatie bij kleine opleidingen zoals bij de talen.” Dat komt omdat hij “in de jaren voor de prestatieafspraken er ook al wel sectorplannen waren, maar we nu zien dat er eindelijk actie is ontstaan om gezamenlijk opleidingen in de lucht te houden. Dat is dus het voorkomen dat de diversiteit van het aanbod afneemt. Zoiets zorgt ervoor dat er differentiatie blijft in het stelsel. Ons beeld is dat de prestatieafspraken daartoe aan hebben bijgedragen.”

    3] In het onderzoek is de verbreding van het WO-portfolio vooral geslaagd bij kleinere, gefocuste universiteiten als Maastricht, Tilburg en Twente. Elders is sinds 2012/13 sprake van een trendbreuk naar juist grotere uniformiteit. Het HBO kent een duidelijke verbreding van het portofolio, mede door het succes met de CoE’s.

    4] Bij onderwijskwaliteit en studiesucces kennen de universiteiten een krachtig, positief resultaat. “De verwachting is dat we straks zien dat het rendement in het WO een zeer positieve sprong toont,” zegt Van Vught. “Maar ze komen ook van ver. Het HBO had al een beter rendement op verschillende terreinen. Dus verdere verbeteringen zouden daar al lastig zijn.”

    Van Vught waarschuwt voor eenzijdige interpretaties van de rendementscijfers. “Het gaat altijd om de verbinding van de kwaliteitsmaatregelen met die voor beter rendement.“ De uitkomsten daarvan kunnen daardoor per instelling markante verschillen vertonen, ook binnen het HBO. “Er is soms lager rendement dan in de tijd voor Veerman en soms een behoud van een hoog rendementsniveau.” Ook de ambities van instellingen in het 2012 waren weleens hoog gespannen en dat leidde tot prestatieafspraken over niveaus “waar we nog niet zijn , maar men wel nog kan komen.”

    5] Docentkwaliteit is daar een scherp voorbeeld van. Het WO haalt de afspraken rond structurele opwaardering via het BKO nauwelijks per eind 2016. Het HBO komt er wel, maar had bijvoorbeeld bij het aandeel gepromoveerde docenten de lat voor zichzelf wel erg hoog gelegd.

    6] Het HBO-trilemma van ‘hogere lat - zwaardere curricula - meer rendement’ erkent Van Vught wel, maar hij geeft aan deze redenering als generiek excuus voor het niet halen van de afspraken niet zondermeer te accepteren. Ook de uitval is namelijk nog steeds hoog. Dit gehele beeld in het HBO noemde hij “problematisch.”

    “De verschillen zijn onderling aanzienlijk. Wij vragen de instellingen daarom wel waarom bij de ene hogeschool niet lukt wat bij een ander wel slaagt en dat dan ondanks dat trillemma. Het verhaal achter de cijfers nemen we serieus, maar dan moet er ook echt een verhaal zijn.” Dat oor voor zo’n verhaal is overigens geen opdracht van de minister, stipuleerde Van Vught op een vraag van Paul van Meenen van D66. “Wij willen een verstandig gesprek voeren. De instellingen zullen zo’n verhaal dus wel hard moeten maken.”

    7] De positieve trends in het WO staan in contrast met het discours over rendementsdenken, zo viel de Kamer direct op. Had Van Vught geen klachten vernomen op dit punt over de prestatieafspraken? “Wij doen niet aan een afrekencultuur,” zei hij snedig.

    “De afspraken met het vorige kabinet zijn door de VSNU en toen nog HBO-Raad omarmd en dat met de instellingen samen. ‘Wij gaan dit echt doen,’ zeiden ze en wij zouden als RCHO daarnaar gaan kijken. Intern is het ook goed geland, zoals bij de grotere nadruk op de BKO’s en dat is echt gaan leven.”

    “Het kan zijn dat men met de opleving van de discussie over ‘rendementsdenken’ naar buiten toe ging zeggen: ‘we hadden dit zo niet moeten doen met prestatieafspraken.’ Wij hebben dat gecheckt, want wij stellen de vraag daarnaar regelmatig als wij spreken met de instellingen. Men zegt dat niet tegen ons in ieder geval.”

    “Tegen ons wordt gezegd: ‘we hadden die afspraken gemaakt en we kunnen ze goed gebruiken, we zijn bezig en komen een heel eind. Een afrekencultuur moet er niet zijn, dat was destijds niet de bedoeling en wat ons betreft is dat nog steeds niet de bedoeling. Dus de angst daarvoor hoeft niet zo groot te zijn. De context van de afspraken na Veerman staat dus nog redelijk overeind.”

    8] Wie toen hoge ambities formuleerde zal dit bij de eindbeoordeling uiteraard terugvinden. “Dat gaan we nu terug zien. Men zal merken of wij die ambities achteraf terecht vinden. Maar dat geldt zeker ook voor wie lagere ambities formuleerde. Dat waarderen we lager dan zeer stevige doelstellingen waar men voor wilde gaan. We gaan niet mechanisch afrekenen of dingen op een goudschaaltje wegen.”

    9] Voor de toekomst ziet Van Vught veel in de opzet die de SER heeft geformuleerd voor  ‘kwaliteitsafspraken.’ Op een vraag van PvdA’er Mohandis hiernaar noemde de RCHO-voorzitter deze “een uiterst verstandige genuanceerde aanpak. De SER ziet de balans in de driehoek instellingen – stakeholders – overheid die in zulke nieuwe afspraken centraal zou moeten staan.”