‘Geharnast volksnationalisme’ en andere golfbewegingen

Nieuws | de redactie
20 november 2007 | Het Jaarboek Parlementaire Geschiedenis 2007 gaat over "de moeizame worsteling met de nationale identiteit." De angst voor het verlies van de eigenheid van Nederland en de Nederlander is gedurende de afgelopen tien jaar hand over hand toegenomen. Die gegroeide bezorgdheid hangt samen met (inter)nationale ontwikkelingen, zoals de uitbreiding van de EU, de voortschrijdende globalisering en de toegenomen culturele diversiteit.

De bedreiging van de eigen cultuur die velen als gevolg daarvan waarnemen geeft een nieuwe impuls aan de zoektocht naar de nationale identiteit. De discussie over de dubbele nationaliteit, het WRR-rapport over ‘identificatie’ met Nederland en de opwinding over Maxima’s ontkenning van het bestaan van dé Nederlandse identiteit, tonen de actualiteit van het onderwerp maar al te zeer aan.

De onderzoekers van het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis van de Radboud Universiteit Nijmegen hadden een vooruitziende blik toen ze dat eind vorig jaar, net na de Tweede Kamerverkiezingen, als onderwerp vaststelden voor het Jaarboek Parlementaire Geschiedenis 2007. Of toch niet? ‘Het stond al langer op ons lijstje’, vertelt Jan Ramakers, historicus en redacteur van het Jaarboek. ‘De zoektocht naar wat onze identiteit bepaalt, steekt van tijd tot tijd de kop op. Dat het nú zo leeft, komt niet uit de lucht vallen. De negen zetels van Wilders waren een duidelijk teken. Voor de Verenigde Staten mag het idee van de melting pot sinds lang deel zijn van de nationale identiteit, veel Nederlanders zien de aanwezigheid van allochtonen als een bedreiging van hun identiteit. Ook rondom de invoering van de zogenaamde Europese Grondwet leefde de discussie over nationale soevereiniteit en identiteit op. En dan is er nog de economische globalisering… Er zijn verschillende processen tegelijk gaande die maken dat de interesse voor identiteit, nationale identiteit oplaait.’

Tussen zelfbewustzijn en afkeer van nationalisme
Marij Leenders, historicus, schreef het ‘Ten geleide’ voor het Jaarboek. Alle bijdragen overziend, constateert zij dat het denken over de Nederlandse identiteit heen en weer golft tussen nationaal zelfbewustzijn enerzijds en afkeer van overdreven nationalisme anderzijds. En tussen: insluiting en uitsluiting. ‘Als we het hebben over onze nationale identiteit moeten we terug naar de eerste helft van de negentiende eeuw. Dan wordt Nederland een eenheidsstaat, wat deels een formeel proces is, maar waar ook een bindend nationaal gevoel aan te pas moet komen, als je wilt dat burgers loyaal zijn aan die staat. Dat gevoel wordt uitgedrukt in symbolen zoals een vlag, een volkslied, een eenheidstaal: symbolen die op zichzelf al weerstand opriepen toen zij van bovenaf werden opgelegd. Want wie bepaalt wat de Nederlandse identiteit inhoudt?

Een voorbeeld dat in het Jaarboek wordt beschreven, is de brochurestrijd die in 1868 uitbrak rondom de herdenking van de Slag bij Heiligerlee, het begin van de Tachtigjarige Oorlog driehonderd jaar eerder. Ramakers: ‘Er gingen stemmen op om daar een Nationaal Monument voor op te richten en toen was het land te klein. Want die slag had te maken met het beeld van de zeventiende-eeuwse Oranjes, en toen werd duidelijk dat de katholieken die Oranjes niet meer dan ordinaire opstandelingen tegen het wettig gezag en roofridders vonden, dat de protestanten hen zagen als de verdedigers van het ware geloof en dat de liberalen de Oranjes beschouwden als de grondvesters van de Nederlandse staat. Kortom: er was geen sprake van één nationale identiteit, al is het monument er wel gekomen.’

Een zwak voor Nederland
Van één Nederlandse identiteit is volgens socioloog Dick Pels nog steeds geen sprake. In zijn bijdrage aan het Jaarboek waarschuwt hij tegen het geharnaste volksnationalisme dat sinds de opkomst van Fortuyn furore maakt. Pels pleit voor een sober en bescheiden nationaal volksgevoel. Zelfrelativering die verdraagzaam maakt tegenover andere culturen is het beste uitgangspunt voor integratie van ‘vreemdelingen’ in Nederland én voor de integratie van de Nederlandse cultuur in Europa. Een zwak voor Nederland is meer dan genoeg als kern voor onze nationale identiteit, aldus Pels.

Volgens Ramakers sluit Pels daarmee tot op zekere hoogte aan bij de Nederlandse verzuilde traditie. Toch stelt Pels hogere eisen, ook al is zijn voorstel op het oog bescheiden geformuleerd. Ramakers: ‘In het verzuilde bestel konden de verschillende bevolkingsgroepen desnoods onverschillig blijven tegenover elkaar. Zelfrelativering vereist échte tolerantie voor de ander.’

Wie hoort erbij – en wie niet
Marij Leenders schreef zelf een bijdrage over meervoudige nationaliteit. Ook daarin ziet ze een golfbeweging: ‘Twee decennia geleden was het meest beleden standpunt dat dubbele nationaliteit geen probleem mocht zijn. Sterker nog: wie zijn ene paspoort niet in hoefde te leveren, zou daarom makkelijker kiezen voor het Nederlanderschap als tweede nationaliteit en dat zou de loyaliteit aan die nieuwe keuze bevorderen. Nu wordt het hebben van twee nationaliteiten gezien als niet écht kiezen voor het Nederlanderschap, een soort verraad.’

Loyaliteit, duidelijk maken wie ‘erbij hoort’ (én wie dus níet), is een argument dat in het huidige debat over nationale identiteit steeds vaker wordt genoemd. En ook dit punt kent een langere geschiedenis, zoals blijkt uit een artikel over parlementaire debatten over ‘nieuwe’ Nederlanders uit de voormalige koloniën en genaturaliseerde Nederlanders met een niet-westerse achtergrond. Debatten die, in verschillende toonaarden, al sinds 1949 gevoerd worden en waarbij dan steeds opnieuw de Nederlandse identiteit wordt uitgevonden. Leenders: ‘Dat maakt dit Jaarboek wel duidelijk: het debat zoals dat nu gevoerd wordt, mag scherp zijn, maar het is niet de eerste keer dat er een pittige discussie is gevoerd over wie wij zijn en wat dat ertoe doet. Die wetenschap relativeert.’