Job Cohen: ‘Het kan zoveel beter en rijker’

Nieuws | de redactie
2 februari 2009 | De geesteswetenschappen moeten hun structurele problemen en gebrek aan duidelijke keuzes allereerst zelf aanpakken. "De faculteiten en de colleges van bestuur gaan zich daar nu over buigen: wat willen we en wat kunnen we? Die gaan echt niet allemaal dezelfde onderwerpen of ‘gouwe ouwen’ opschrijven," hoopt Job Cohen, die de commissie voorzat die een nationaal plan ontwierpen moest.

Met Frits van Oostrom sprak Cohen met ScienceGuide over "veel goed werk dat in splendid isolation wordt gedaan. Vaak is dat niet zo splendid. Voor je het weet, krijg je ‘Het Bureau’. Vreselijk is dat, ook al levert het natuurlijk prachtige literatuur op.”

Familiezin en versnippering

“De biografie van Vondel! Mag ik die nog noemen?”, vraagt JobCohen, terwijl hij zijn hoofd nog even om de deur van zijnvergaderkamer steekt. De vraag van ScienceGuide was eerdergeweest welk boek uit de geesteswetenschappen hem de laatste tijdhet meeste getroffen had. De voorzitter van de commissie over dezediscipline begon toen over het boek van zijn broer Floris over hetwezen van de moderniteit in de westerse geschiedenis. “Hij heeftdaar twintig jaar aan gewerkt en pas toen de Engelse editievertaald werd, sloeg het aan. Vijf drukken achter elkaar ineens!”Maar zoveel familiezin zat hem tegelijk een tikje dwars, hij wildetoch ook nog werk van buiten de eigen kring noemen.

Het lijkt een weergave in het klein van het probleem van degeesteswetenschappen zelf. De commissie-Cohen schetst een beeld vanvele kleine tot zeer kleine kringen van gedreven, maar vaak als loszand en naar binnen gekeerd functionerende groepen, groepjes enindividuen. Tegelijkertijd laat het rapport ‘Duurzame Geesteswetenschappen’ successen en kansenzien, die vaak nauwelijks opgemerkt of ‘gepakt’ worden.

Commissielid Frits van Oostrom beaamt dit in het gesprek metCohen samen. “Er is veel meer dynamiek in deze disciplinesdan men zelf veelal opmerkt en uitdraagt. Dat komt ook door degrote versnippering van studies en opleidingsdomeinen. Er zijn nietalleen zo’n 150 verschillende bacheloropleidingen, maar ook nogeens 261 masters in de aanbieding. Gekscherend zeggen we onderlingwel eens ‘voor elke docent een eigen master’. Nou klopt dat niethelemaal, maar toch hè? Dit gaat zo niet”.

Cohen onderstreept daarom het belang van de strategische plannendie per universiteit nu opgesteld moeten gaan worden. Wat wil menals eigen profiel, parels en zwaartepunten nu écht verderontwikkelen? En waar zien ze witte vlekken en gebreken ontstaan?”De faculteiten en de colleges van bestuur gaan zich daar nu overbuigen: wat willen we en wat kunnen we? Deze colleges, dat zijnallemaal toch slimme mensen. Die gaan echt niet allemaal dezelfdeonderwerpen of ‘gouwe ouwen’ opschrijven. Want duidelijk is dat hetzoveel beter en rijker zou kunnen. We kunnen aan degeesteswetenschappen zoveel meer hebben.”

Gedreven door zorg

Van Oostrom gaat het regieorgaan trekken dat de uitkomsten van dezeprofieldefinities moet analyseren en daar conclusies aan verbinden.Alleen zo zal de voorgestelde impuls van 70 miljoen euro vruchtkunnen dragen, zo is de overtuiging van minister Plasterk. Dezezette daarom vast 15 miljoen euro klaar voor zo’n impuls. “Ik vinddat de minister zijn nek daarmee wel uitsteekt”, zegt Cohen. “Hijgeeft aan dat de impuls echt iets kan opleveren en het regieorgaanook echt aan de slag moet kunnen om die te realiseren. Dat beseffende instellingen, de decanen voor de geesteswetenschappen zijn hierzeer serieus mee bezig, merken wij.”

En dat moet ook, want Cohen en Van Oostrom bevestigen beiden datzorg om het perspectief van de geesteswetenschappen hun werk in decommissie dreef. De dilemma’s zijn groot, de problemen ook. “Devergrijzing gaat juist in zo’n versnipperd geheel extra toeslaan.Hoe vind je tijdig genoeg goede, nieuwe mensen op posten enleerstoelen? Hoe trek je nieuw talent?”, vraagt Van Oostrom zichaf. Ook het ’talige’, cultuurgebonden karakter van de vele kleinespecialismen heeft een nadelig effect. Het zorgt voor een zeergeringe instroom van allochtoon talent in destudierichtingen.

Bovendien blijkt de ontwikkeling van vele vakgebieden te zeer naarbinnen gekeerd. De maatschappelijke impact en ‘uitwisseling’ blijftvaak beperkt, terwijl de thema’s volop op de agenda van politiek ensamenleving staan. “We missen daarmee kansen”, zegt Cohen. VanOostrom stelt dat “veel goed werk in splendid isolationwordt gedaan. Vaak is dat niet zo splendid. Voor je hetweet, krijg je ‘Het Bureau’. Vreselijk is dat, ook al levert hetnatuurlijk prachtige literatuur op” Hij noemt het hem verbluffendevoorbeeld dat in ons land geen enkele internationale, Engelstaligemaster aangeboden wordt voor de studie van de 17e eeuwseschilderkunst. “Dat is toch gekkigheid?”

Translatio 

Cohen bevestigt tegen die achtergrond dat zowel de universiteitenals hun maatschappelijke omgeving hier veel actiever met elkaarzouden kunnen omgaan. Want ook zijn eigen Amsterdam biedt dus zo’nmaster in de schilderkunst van de Gouden Eeuw niet aan.

Het rapport van oud-gemeentesecretaris Erik Gerritsen over dehoofdstad is een voorbeeld. “Hij laatinderdaad zien dat er allerlei incidentele dingen gebeuren bij dekennisuitwisseling tussen de stad, de stedelijke omgeving en deuniversiteiten en hogescholen. Wij proberen daar bij de financiëlesector al veel aan te doen. Bij de geesteswetenschappen geldtdezelfde analyse, dat het incidenteel is en er nog onvoldoende lijnen duurzame relaties in zitten”. De strategische plannen enprofielen van de instellingen en het werk van het regieorgaan staanhier voor een duidelijke opdracht.

De geesteswetenschappen ondergaan ingrijpende veranderingen, ondermeer door de impact van technologische middelen op hunonderzoeksmogelijkheden en door de globalisering van het onderzoek.Van Oostrom noemt het een translatio studii hoe hetzwaartepunt van de topkwaliteit is verschoven van Europa naarNoord-Amerika. Ook in zijn eigen vakgebied, de mediëvistiek, zijnvan daaruit nieuwe impulsen gekomen. “Vanuit de vrouwenstudies zijnbijvoorbeeld nieuwe visies gegroeid op het werk en het leven vanHadewych. Het inzicht in haar rol als vrouw in de middeleeuwen enin de letterkunde en mystiek van die tijd is daardoor veranderd.Daar zijn nieuwe ideeën en analyses uit voort gekomen”.

Uit deze ontwikkeling trekt hij enkele stevige conclusies die depositie van de geesteswetenschappen nieuwe perspectieven zoudenbieden. “Er is een brede belangstelling voor elementen uit onzedisciplines. Bovendien zou eigenlijk iedereen die hoger onderwijsvolgt van de hoofdzaken van de geesteswetenschappen kennis moetennemen. Academische vorming houdt ook in dat je van cultuur,identiteit en het denken over de wetenschap en maatschappij kennisleert nemen. Dat de toonaangevende Amerikaanse universiteiten daareen core curriculum voor kennen is niet zo vreemd. Zijkennen zo’n bredere liberal arts traditie, die wij -ookdoor de versnippering en proliferatie van opleidingen- niet hebbenontwikkeld en dat terwijl het ten diepste toch een Europees modelis.”

In zekere zin zijn de university colleges toch een zijpad omalsnog zulk een ‘liberal arts’ aanbod mogelijk te maken?
“Ja, die springen als het ware in het gat dat de faculteiten hebbenlaten vallen en zorgen voor de veel bredere benadering, die door deversnippering verhinderd werd.”

Liever een topper

Van Oostrom acht een dergelijk core curriculum van belangvoor de belangstelling die geesteswetenschappen ook buiten de eigenacademische omgeving moeten zien te trekken. “En dan moeten diecolleges ook door de allerbeste docenten gegeven worden. Zij moetendat als een erezaak zien, zoals je dat in het buitenland tegenkomt.Wanneer je elke student studiepunten laat halen in zo’n corecurriculum,  dan ga je als student daarin toch ook lievernaar een college van een topper onder de docenten?”

Zowel Cohen als van Oostrom beseffen dat zij met deze perspectievenveel overhoop halen. Hun rapport laat zien dat degeesteswetenschappen met de invoering van BaMa al verbeteringen vande resultaten wisten te boeken. Zo is het studierendement markantverbeterd en zijn curricula eigentijdser geworden. Cohen geeft dithet vertrouwen dat de zorg die hem dreef bij het opstellen van hetrapport vruchten zal dragen. “Het zijn slimme mensen in deze sectoren de decanen werken goed samen. Hier gaat iets goeds uit komen,dat vertrouwen heb ik wel”.

Het rapport van de commissie-Cohen is hardcopy hier te bestellen.




«
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.
Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan
OK