Universiteiten moeten een gezamenlijke visie hebben

Gesprekken bij de VSNU zijn een 'Afghaanse discussie' die de universiteiten niet verder helpt

Interview | de redactie
16 november 2017 | “De rol van de universiteit zijn wij een beetje uit het oog verloren.” Op de dag van de 90e dies van de Tilburg University reflecteren Rector Emile Aarts en hoogleraar communication and technologies Marjolijn Antheunis op de inhoud en de vorm van het academisch onderwijs en onderzoek. Wat zijn de nieuwe disciplines die ontstaan in het digitale tijdperk, en kunnen universiteiten daar op inspelen. Worden universiteiten niet te veel uitgespeeld tegen het bedrijfsleven? Nemen universiteiten gezamenlijk wel genoeg verantwoordelijkheid voor een visie waartoe de universiteit op aarde is?

Terugkijkend op de tijd waarin de Tilburg University werd opgericht zien Aarts en Antheunissen dat alhoewel de tijden veranderd zijn “we nu in net zulke spannende tijden leven als negentig jaar geleden.” Waar men bijna een eeuw geleden bouwde aan de afsluitdijk en voor het eerst naar de radio luisterde, leven we nu in een tijd van razendsnelle digitalisering die eveneens onze levens ingrijpend gaat veranderen.

“Wat je in deze technologische ontwikkelingen ziet is dat het een grote sociale component heeft.” Antheunissen ontving kort geleden een grote beurs uit de NWO Westerdijk Talentimpuls De naar Johanna Westerijk vernoemde Talentimpuls werd ingesteld door oud-minister Bussemaker en heeft als doel het vergroten van het aantal vrouwelijke hoogleraren en daarmee het bijdragen aan meer diversiteit in de wetenschappelijke top. Het programma biedt universiteiten de mogelijkheid om premies aan te vragen als zij vrouwelijke onderzoekers benoemen tot hoogleraar. en heeft binnen dat programma een leeropdracht geformuleerd die zich richt op de effecten die nieuwe technologieën hebben op onze wijze van communiceren en vriendschapsvorming. “The internet of things is een mooi voorbeeld daarvan. In ons dagelijks leven doen we heel veel aan micro coördinatie; even vooruit bellen naar huis dat de oven aan kan voor het eten. Nu zien we dat dit wordt vervangen door technologie, en het is interessant om te zien wat dat met communicatie gaat doen..”

Voor Aarts, van huis uit theoretisch natuurkundige, is het inmiddels niet meer dan logisch dat techniek ook een sociale component heeft. “Waar we bij de overwinning van Deep Blue De door IBM ontwikkelde schaakcomputer Deep Blue was de eerste computer die ooit een mens wist te verslaan. De strategie was gebaseerd op 4000 stellingen en 700.000 grootmeesterpartijen die in Deep Blue waren opgeslagen. op schaker Kasparov nog zeiden: ‘dat is nog gewoon pure rekenkracht’. Maar inmiddels zien we met Watson De eveneens door IBM ontwikkelde supercomputer Watson is de eerste computer die ooit de quiz 'Jeapardy', een programma op de Amerikaanse televisie, won. Watson is computer die met behulp van kunstmatige intelligentie, zogenaamde diepe vraag-en-antwoordsoftware, vragen kan leren te beantwoorden. dat we steeds meer in het antropomorfe domein komen: technologie en de mens komen steeds dichter bij elkaar.” Antheunissen vult het aan. “Die combinatie maakt dat je een band aangaat met sociaal intelligente technologie. In het kielzog daarvan zien we de alfa-, bèta- en gamma disciplines steeds dichter bij elkaar komen.”

Afghaanse discussie

In zijn openingsspeech vanmiddag zal Aarts het woord richten tot de andere Nederlandse rectoren. Hij wil ze oproepen om meer gezamenlijk doelen te stellen. “Ik vind dat wij toch nog te veel een Afghaanse discussie hebben.” Aarts licht zijn uitspraak verder toe: “Als wij met de universiteiten rond de tafel zitten en we praten over het systeem, dan begint er altijd iemand van ons met de uitspraak: ‘bij ons doen we het zo’.” Aarts is van mening dat deze houding, geredeneerd van uit de individuele belangen van de instellingen, de samenwerking niet bepaald vooruit helpt. “Sterker nog, als je erop gaat letten dan is het echt een energy drain die de vaart eruit haalt.”

“Je komt er op die manier namelijk nooit aan toe om systeemvraagstukken, zoals een onderzoeksagenda, gezamenlijk aan te pakken.” Aarts typeert de samenwerking als polderen. “Iedereen mag alles doen, want dat is veilig. Je ziet dat terug in de slogan van de VSNU: ‘verenigd in diversiteit’. Dan zetten we al bij voorbaat in de statuten dat het om de provincie gaat.”

Internationalisering op eigen houtje

Antheunissen kan deze uitspraak van Aarts illustreren. “Een mooi voorbeeld daarvan vind ik het Engels in het onderwijs. We schakelen nu om verschillende redenen over op het Engels en een daarvan is een financiële prikkel: dan komen er meer studenten.” Volgens haar is het een logisch gevolg van het krimpende aantal Nederlandse studenten.

“Dan kun je er andere studenten bijhalen uit het buitenland zodat je begroting weer sluitend is. En dat doen we dan ook met zijn allen.” Antheunissen ziet in de praktijk terug dat deze beslissing in ieder geval niet nationaal afgestemd wordt. “We zouden ook met zijn allen kunnen zeggen: waarom doen we dit nu eigenlijk?”

De aanpak waarin instellingen zonder fatsoenlijk overleg hun eigen weg hierin bewandelen is volgens Antheunissen namelijk uiteindelijk niet de oplossing. “We houden onszelf in de wurggreep in de strijd om beperkte middelen. En het feit dat we wanneer we over dit soort onderwerpen praten, niet meer over de ‘waarom-vraag’ praten, maar over ‘hoe’ we het doen, dat is precies wat er verkeerd gaat.”

Bedrijfsleven vreet het geld op

Deze interne competitie wordt volgens Aarts verder aangewakkerd in het regeerakkoord van Rutte III. Daarin staat dat er een investering van € 200 miljoen gaat komen voor fundamenteel onderzoek en € 200 miljoen voor toegepast onderzoek en innovatie. “Over die investering is verder niets vastgelegd. En in die verdeling van die investering, daar vinden wij elkaar dus niet.”

Het gebrek aan een gezamenlijke visie kan volgens hem desastreus zijn voor deze investeringen. “Dan zijn er redeneringen als ‘er moeten sectorplannen komen’ of dat de kenniscoalitie mee moet werken. Maar dan geef je de controle over. En in die kenniscoalitie zitten ook partners die er een heel groot belang bij hebben om dat publieke onderzoeksgeld te kanaliseren naar hun eigen private domein. Bijvoorbeeld omdat het vaak gaat om bedrijven die hun eigen research aan het afbouwen zijn.”

“Het gerucht gaat nu dat de grote bedrijven het voor elkaar hebben gekregen om naast de dividendbelasting nu de vennootschapsbelasting af te gaan schaffen. Wie denk je dat er de grootste vinger in de pap heeft bij het verdelen van die middelen uit de tweede en derde geldstroom?” Aarts vindt het een slecht idee om in te geven aan dreigementen. “Want dat is wat er dan boven ons hoofd gehouden wordt als Nederland is: kom ons tegemoet of anders gaan we weg.”

Herbezinning is nodig

Al met al betreurt Aarts het dat instellingen zich teveel tegen elkaar uit laten spelen door financiële prikkels vanuit overheidswege. “Laat ik een voorbeeld geven: de technische universiteiten worden uitgedaagd om meer bèta’s op te leiden. Dat zijn hoog bekostigde opleidingen, en die zeggen dat de bodem in zicht is. Maar in plaats van dit gezamenlijk op te lossen zijn zij toch hun eigen weg gegaan en zijn de technische universiteiten op eigen houtje gaan lobbyen om er geld bij te krijgen.”

Een ander terrein waar Aarts een gezamenlijke visie en aanpak van de instellingen mist is op het terrein van het personeelsbeleid, bijvoorbeeld in de verhouding onderzoek en onderwijs “Er is nog steeds een overwaardering van onderzoek in Nederland. Er zijn tophoogleraren die op het moment dat ze een grote beurs binnenhalen zeggen: ‘Vind je het dan goed dat ik geen onderwijs meer geef?’ Het idee dat de academische top ook de verantwoordelijkheid zou nemen om studenten op te leiden, dat besef dat is niet zo groot.”

Die houding is ook voor Antheunissen heel herkenbaar. “Ik ben al een tijdje opleidingsdirecteur van de opleiding communicatie en informatiewetenschap. Toen bekend werd dat ik hoogleraar zou worden vroeg iemand mij ook direct of ik dan ook ging stoppen met die functie. Dat typeert volgens mij heel goed wat de cultuur is.”

De laatste vorm van slavernij in het Westen

Wat dat betreft wil Aarts nog wel een duit in het zakje doen over de academische cultuur. “Kijk bijvoorbeeld naar hoe wij omgaan met promovendi. Dat is de laatste vorm van slavernij in het Westen. Hoogleraren houden promovendi – en zo praten ze er ook over: alsof het lijfeigenen zijn.” Hij vindt dat er op een slechte manier omgegaan wordt met deze groep. Die bij sommige instellingen bestaat uit soms wel meer dan duizend onderzoekers. “Als je bijvoorbeeld kijkt naar de contracten waarop zij moeten werken dan zie je dat die bijzonder slecht in elkaar zitten.”

“Het is een van de weinige beroepscategorieën waar zonder enige legitimatie een contract opengebroken of verlengd wordt, dat is ongehoord.” Daarnaast vindt hij dat er veel te weinig aandacht is voor het feit dat velen van uiteindelijk geen academische carrière zullen hebben. “Je moet promovendi breder opleiden dan alleen in het publiceren, en onderwijs is daar een onderdeel van. Maar het aantal keren dat promovendi met hun begeleider daarover in conflict komen is legio.” Antheunissen vult dit voorbeeld van Aarts aan: “Behalve aan het einde van de rit, als het om verlenging gaat, dan komt het goed uit dat er ergens nog een vak gegeven moet worden.”

Aarts valt terug op zijn eerder uitspraak over het gezamenlijk oppakken van onderwerpen. “Op het gebied van doctoral training zie je ook weer dat iedereen onafhankelijk van elkaar programma’s aan het ontwikkelen is.” Volgens hem is het ook niet heel vreemd aangezien er verschillende visies op promoveren zijn. “Eenheidsworst is nooit goed, en ik zeg dus ook niet dat iedereen hetzelfde moet doen, maar wat we wel kunnen doen is georganiseerd luisteren naar promovendi en daar toch enige uniciteit in vinden.”


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide maakt gebruik van cookies

Klik op OK om hiermee akkoord te gaan

OK