De EU-onderwijstop: ongebreideld vooruitgangsoptimisme

Iedereen moet geschoold worden in de Europese identiteit, maar wat is die?

Verslag | door Ruben Claesen
29 januari 2018 | Afgelopen week verzamelde de Europese beau monde uit het onderwijs in Brussel voor de allereerste EU Education Summit. Onder andere 22 ministers van Onderwijs, waaronder Ingrid van Engelshoven (D66) en Hilde Crevits (CD&V), waren van de partij. Uitgezonderd woordengloed was de conferentie echter een maat voor niets.
Het Square meeting Center in Brussel – Foto: William Murphy

Zo’n vijftien kinderen bestijgen in de voormiddag het podium van de grote aula voor een muzikaal intermezzo. Het orkest Démos uit Rijsel is een sociocultureel project voor kansarme kinderen van zeven tot twaalf jaar. De jongens en meisjes, allen gehuld in uniforme, felle gele T-shirts, bespelen nog maar enkele maanden een instrument, maar maken nu al hun brassbanddebuut voor de ogen van zoveel belangrijke mensen. Wat volgt is een enthousiast gebrachte, doch tegelijkertijd ook stuntelige, snerpende en krakende medley van klassiek en rock. Beginnen en eindigen doen ze met het Europees Volkslied, of beter Ode an die Freude.

Op datzelfde podium, uren later, mag Martine Reicherts, directeur-generaal van het Onderwijsdepartement, de conferentie afsluiten. In de slotrede schept zij een ogenschijnlijk onderwijsutopia: “In 2022 zal studeren geen hinder meer ondervinden van grenzen. Elke leerkracht in elke school zal in het buitenland gestudeerd of gedoceerd hebben. Elke afgestudeerde middelbareschoolstudent kent drie talen. In Europa zal het draaien om excellentie én inclusiviteit. Wederzijdse erkenning van diploma’s van om het even welk niveau zal regel in plaats van uitzondering zijn. Iedere EU-burger zal een mobiliteitskans krijgen.” Dat is erg optimistisch, geeft Reichert zelf ook toe, maar om dit plan te doen slagen is er maar één voorspelbare beleidsoptie voorradig: nu handelen.

Europese Onderwijsruimte

De onderwijstop komt niet uit de lucht gevallen. Commissievoorzitter Jean-Claude Juncker wil immers het menselijke gelaat van de EU meer in de schijnwerpers. Daarom organiseerde de Europese Commissie, samen met de Zweedse regering, in november vorig jaar een bijeenkomst in Göteborg, waar de zogenaamde pijler van sociale rechten plechtig ondertekend werd. De Brusselse onderwijstop is daar een uitvloeisel van.

Een Europese raamwet voor hoger onderwijs en wetenschap

In de aanloop naar Göteborg publiceerde de Commissie immers een memo, getiteld Versterking van de Europese identiteit via onderwijs en cultuur. Daarin stelde de Commissie tegen 2025 een heuse Europese Onderwijsruimte in het verschiet. De doelstellingen uit die memo vormden, samen met acht ideeën van de Europese staatshoofden, de leidraad van de conferentie, die overigens louter diende als platform voor het uitwisselen van onderwijsbeleid. Een gezamenlijk ondertekend beleidsdocument was niet de ambitie. Het zijn die twee documenten die Reichert als basis gebruikt heeft voor haar toekomstvisie, met als enige verschil dat de officiële versie uitgaat van 2025 in plaats van 2022.

Erasmus, oplossing voor alles

De beste reclame voor dat sociale gelaat van de EU is natuurlijk het Erasmusprogramma. Voor 2017 werd het uitwisselingsproject nog op 2,5 miljard begroot, doch unisono klonk de stem dat een vermenigvuldiging zich opdringt. In de memo wordt gewag gemaakt van een verdubbeling van dat budget tegen 2025, doch volgens Petra Kammerevert, Duits voorzitter van de EU-Commissie voor Cultuur en Onderwijs, mag het vervier-, ja zelfs vernegenvoudigd worden.

Bovendien kan het doelpubliek voor Erasmus ook wel wat diverser, zo klonk het uit verschillende monden. Er dient (nog) meer aandacht te zijn voor de mobiliteit van middelbareschoolstudenten (dixit Tibor Navrancsics, Hongaars EU-Onderwijscommissaris), leerkrachten (Frans Onderwijsminister Jean-Michel Banquer), stagiairs en jonge werknemers (Kammerevert) en zelfs hele klassen, met leerkracht en al (Anna Ekström, Zweeds Onderwijsminister). De bijna pensioengerechtigde Reichert maakte in haar slotrede een grapje door schertsend een Erasmuservaring voor ouderen te suggereren; het paste nochtans perfect tussen de andere voorstellen.

“Zelfs de grootste EU-critici kunnen niet beweren dat Erasmus geen zegen is”, zo vatte Zoltán Balog, Hongaars minister van Onderwijs, het samen. En dat kan tellen, als partijgenoot van Hongaars premier Viktor Orbán, opgezadeld met een opmerkelijke reputatie.

Vraag niet wat de EU voor jou kan doen

Het spreekt voor zich dat de conferentie goed nieuws betekende voor Tibor Navrancsics, de Hongaars EU-Commissaris voor Onderwijs. Ook Navrancsics is partijgenoot van Orbán en diende hem zelfs als minister van Justitie en Buitenlandse Zaken. Middels dit prestigieus congres kon hij zijn bevoegdheidsportefeuille opluisteren. En ook bepaalde vertalers-tolken zullen tevreden geweest zijn: de debatten, panelgesprekken en lezingen werden immers niet alleen simultaan vertaald in het Engels, Frans en Duits, maar ook in het Hongaars.

De Hongaarse invloed op de organisatie deed weleens wenkbrauwen fronsen. Eens temeer omdat de Europese beleidsmakers erg hoog oplopen met identiteitsvorming. Die sloop niet voor niets in de titel van de al eerder aangehaalde memo: het Europees onderwijs is meer dan kennisoverdracht, maar moet ook gericht zijn op het overbrengen van Europese Waarden.

Net als de dooddoener die Erasmus heet, is die Europese identiteit de remedie voor van alles en nog wat: tegen intellectuele duisternis (Banquer) en fake news (Portugees Onderwijsminister Rodrigues), en een middel om kritische jonge burgers op te leiden (Spaans Onderwijsminister Méndez De Vigo).

Wat die waarden dan precies zijn? Volgens Rodrigues volstaat een blik op artikel twee van het Verdrag van Lissabon. Dat levert op: menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren. Terloops introduceerde priester-minister Balog ook nog familie als belangrijke EU-waarde. Niemand nam er aanstoot aan. Gevolg: nog hoger gefronste wenkbrauwen.

Voor vlag en vaderland

De eerder genoemde memo en sommige sprekers op de conferentie getuigen ook van inzicht in de eigen onvolmaaktheden. Het Erasmusprogramma, bijvoorbeeld, biedt slechts aan 3,7 procent van de Europese jongeren de kans op een buitenlandse ervaring. Een ander geregeld terugkerende statistiek kwam uit het Pisa-onderzoek: één op de vijf vijftienjarigen in de EU heeft onvoldoende kennis van basisvaardigheden als lezen of rekenen.

Voor de antwoorden richten de Europese beleidslui zich echter tot vervelens toe op Erasmus, STE(A)M en de Europese vlag. Soms zelfs letterlijk: bij de voorstelling van een ander sociaal-educatief project in de kansarme Parijse banlieus bleek dat de onderworpen jongeren zowel Marseillaise als Ode an die Freude moeten zingen. De bewuste scholen kennen drie vlaggen: een schoolvlag, de Franse driekleur en de Europese sterren. Dat schijnt goed voor de identiteitskaders.

Ziedaar het drama van de ambitieuze onderwijsconferentie: het contrast tussen de urgente utopie van Reicherts, de Commissie en de ministers van Onderwijs en de, naar alle waarschijnlijkheid, minder rooskleurige toekomst die weggelegd is voor de kinderen uit de Noord-Franse en Parijse achterstandsbuurten, alle beleidsdiscussies over Erasmus, identiteit, STEM en STEAM ten spijt.

Ruben Claesen :  Correspondent in Vlaanderen

Deze Brusselse jurist is ervaren in de onderwijsjournalistiek en was een aantal jaren hoofdredacteur van het universiteitsblad van de Vrije Universiteit Brussel, De Moeial.


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«