“Niet alle leden van een koepel willen zich laten vertegenwoordigen”

Interview | door Ingeborg van der Ven
7 februari 2018 | Arco Timmermans onderzoekt als hoogleraar Public Affairs sinds 2013 de wereld van de lobby en belangenbehartiging. ScienceGuide sprak met hem over de lobby in onderwijsland. "Past de huidige inrichting van het hoger onderwijs wel bij het idee van een belangenbehartiging door een koepelorganisatie? Ik denk van niet."

Timmermans bekleedt aan de Universiteit Leiden een bijzondere leerstoel die door de beroepsvereniging voor Public Affairs (BVPA) in het leven is geroepen. Public Affairs gaat volgens Timmermans verder dan het ouderwetse lobbyen. “Het is een repertoire van systematisch voorbereide activiteiten van een organisatie of groep om invloed uit te oefenen op het beleidsproces – van agendavorming tot aan evaluatie – en op de eigen maatschappelijke positie.”

Vrij Nederland presenteerde vorig jaar in samenwerking met politicoloog Joost Berkhout (UvA) een onderzoek naar de meest invloedrijke lobbyorganisaties in Nederland. Op basis van het aantal afspraken in de agenda’s van de ministers en het aantal uitnodigingen voor parlementaire hoorzittingen hebben de onderzoekers een lijst van organisaties opgesteld met de beste toegang tot de Nederlandse politiek. Lobbyorganisaties in het hoger onderwijs scoren in dit onderzoek hoog. VSNU op 9; MBO-raad op 10; Vereniging Hogescholen op 15. Een aanleiding om verder te praten over de lobby in het hoger onderwijs.

Waarom is het van belang dat er wetenschappelijk onderzoek plaatsvindt naar belangenbehartiging?

“Er zijn steeds meer terreinen en steeds meer onderwerpen waarbij er spelers zijn die zeggen ‘wij vinden op deze manier het speelveld niet eerlijk’. Ik denk dat we maatschappelijk beter af zijn als we meer zicht hebben op hoe het spel van belangenbehartiging werkt. En dat is niet per se om de usual suspect te benadelen.

Op dit moment bestaan er over de inrichting van de democratie veel discussies. ‘Is het niet te veel een kartel?’ oftewel het Thierry Baudet verhaal. Of een tweede discussie ‘lopen wij niet tegen de grenzen van het huis van Thorbecke aan? Met het rijk, provincies en gemeenten.’ Dit zijn belangrijke discussies over onze democratie. En daarin hoort ook een volwassen discussie over belangenbehartiging.”

De lobby in het hoger onderwijs heeft volgens het onderzoek van Vrij Nederland een grote toegang tot de politiek. Is dit een verrassend resultaat?

“Ik vind de resultaten van collega Joost Berkhout niet verrassend. De wereld van het onderwijs is sterk geïnstitutionaliseerd met niet alleen veel onderwijsinstellingen maar ook veel organisaties die die instellingen vertegenwoordigen. Kijk bijvoorbeeld naar de VSNU, deze vereniging heeft een brede taakopvatting. De VSNU behartigt verschillende aspecten van het universitaire bestel, waaronder het personeelsbeleid, het individueel belang van universiteiten en van de medewerkers.

Als je vanaf een afstand kijkt naar dergelijke branche- en koepelorganisaties dan zie je dat leden, in dit geval de afzonderlijke universiteiten, zich niet altijd laten vertegenwoordigen in al hun belangen door de koepelorganisatie. Dit is een fenomeen dat je bij de VNG ook ziet. Ook gemeenten, zoals hier in Den Haag, bouwen aan een eigen Public Affairs afdeling. En als ik onderwijs voor professionals geef, zoals vanmiddag weer, dan zitten hier ook de professionals van de universiteiten bij.

Dit zijn niet meer alleen de mensen van de wetenschapscommunicatie, maar mensen met een Public Affairs achtergrond. Organisaties ontdekken meer en meer dat een eigen belangenbehartiging hen toegevoegde waarde geeft. Het gaat tegenwoordig om kennis en informatie, en dit is een functie vanuit waar je rond kunt kijken. Als andere organisaties dit ook gaan doen, dan wordt het aantrekkelijker en misschien wel noodzakelijker om dat zelf ook te doen. Ook universiteiten, met een knipoog naar onze eigen rector, investeren daarom in een afdeling Public Affairs.”

Is daarmee een tendens waar te nemen waarin leden van een dergelijke koepelorganisatie, zoals bijvoorbeeld de VSNU, elkaar wat meer los gaan laten?

“‘Loslaten’ suggereert dat er een hechtere band was. De VSNU heeft als traditionele organisatie een traditionele rol als aanspreekpunt voor bewindspersonen. Het interessante is dat dergelijke koepels leiden aan functieverlies, hierin is de VSNU geen uitzondering op andere koepelorganisaties. Dit heeft niks te maken met mensen die binnen een koepelorganisatie werken of de keuze voor de voorzitter. Het heeft te maken met de tendens dat de leden steeds meer hun eigen belangen en strategie volgen.

Nog los van de discussies rondom rendementsdenken en prestatieafspraken, hebben universiteiten als organisatie een bepaalde concurrentieverhouding tot elkaar. Kijk maar hoe dit is ingebakken in het verdeelmodel, universiteiten die marktaandeel verliezen, verliezen inkomsten. Groningen koketteert met een vestiging in China, die willen de wereld kleiner maken. Alle universiteiten hebben een bepaald profiel en deze willen zij breder maken. Ze willen concurrentiekracht hebben.”

Het uitgekristalliseerde evenwicht rondom onderwijsbeleid kegel je niet zomaar even met een paar krantenartikelen omver.

“En er is altijd een spanningsveld tussen samenwerking en je eigen belang behartigen. Het is lastig om aan de ene kant middelpuntvliedende kracht te hebben, en aan de andere kant enigszins naïef te denken dat deze partijen die een eigen kant op bewegen zich laten bedienen op het gebied van Public Affairs. Het gaat mij niet over de vraag of dit een slechte of goede tendens is. Maar dit soort prikkels in het hoger onderwijs dragen wel bij aan het functieverlies van de VSNU.

Past de inrichting van het hoger onderwijs wel bij het idee van een belangenbehartiging door een koepelorganisatie? En ik denk dat dit niet zo is. De spanning tussen concurrentie en samenwerking zou ertoe kunnen leiden dat er een afname komt in de samenwerking binnen bepaalde onderwerpen. Of het kan zijn dat de samenwerking juist selectiever wordt. Dat sommige universiteiten op bepaalde onderwerpen juist intensiever gaan samenwerken om een vuist te kunnen maken.”

Zien wij deze intensievere samenwerking in situaties die betrekking hebben op de informatiestroom naar het ministerie?

“Het is niet zo dat universiteiten alleen maar iets willen van de minister, of andersom. Belangenbehartiging gaat ook om het bewaken van de maatschappelijke positie van universiteiten. De keuze voor de issues waarop je je energie wil zetten is binnen Public Affairs een hele belangrijke keuze. ‘Gaat de Universiteit Leiden mee in de discussie die de NRC naar aanleiding van het ontslag van een medewerker in Groningen aanjaagt?’. Of ga je daar niet in mee, en hoe dan?

Het is niet alleen reageren op iets wat over je heen komt, maar het gaat ook om issues zelf creëren. Dit is de uitdaging voor koepels, zoals de VSNU. Niet alleen kijken naar de vraag ‘vertegenwoordigen wij nog wel het belang van de leden?’ maar ook ‘aan welke onderwerpen kunnen wij zelf waarde toevoegen?’. De dagelijkse kost voor veel organisaties is om te reageren en er is soms een meer strategische blik nodig.”

De afgelopen maand staan universiteiten weer meer in de aandacht, in de schijnwerper. Is dit een opvallende trend of is dit iets wat vaker terugkomt?

“Ik wil niet zeggen dat de aandacht die je nu ziet iets is waar je je schouders voor moet ophalen, maar de aandacht voor de wetenschap gaat echt in golven. De toon is nu wel een anders. De problematisering van een tendens, zoals het rendementsdenken, ontstaat doordat op een gegeven moment de wal het schip gaat keren. Doordat een situatie niet meer houdbaar is. Deze docent uit Groningen wordt een gezicht bij een verschijnsel.

Of de aandacht nu leidt tot aanpassingen in beleid is een tweede. Voor een wijziging in de wereld van politiek en beleid heb je een grotere hoeveelheid druk nodig. Wat we nu eigenlijk zien is wat de theorie noemt het punctuated equilibrium. De praktijk van beleid rondom het onderwijs is een uitgekristalliseerde balans, een resultaat van belangenbehartiging, politiek touwtrekken, van compromissen met afspraken over kosten. Als iets in het regeerakkoord staat, ga er dan maar eens aan toornen.

Het evenwicht is een optelsom van investeringen vanuit de politieke omgeving in de oplossing voor een bepaald vraagstuk. Dat kegel je niet zomaar even met een paar krantenartikelen omver. De enige manier waarop je een daadwerkelijke beleidsverandering kan creëren vanuit zo’n aandachtsgolf is door drukopbouw. Stel dat een docent zelfmoord zou plegen vanwege de werkdruk dan ontstaat er weer een hele andere aandachtsgolf dan bij een ontslag.”

In het onderzoek van Joost Berkhout en Vrij Nederland is ook bekeken hoeveel bestuurders van lobbyorganisaties een politieke achtergrond hebben. Waar komt het idee vandaan dat de zogenaamde draaideurconstructie een slecht gegeven is?

“Deze negativiteit ontstaat omdat er een vertroebeling kan plaatsvinden tussen de verantwoordelijkheden kort na elkaar. Vandaar dat het vorige kabinet besloot voor voormalig bewindspersonen een afkoelperiode van twee jaar in te stellen. In deze discussie hoor je dan ‘waarom geldt dit dan niet voor ambtenaren of Kamerleden?’. Los hiervan trekken belangenorganisaties politici aan vanuit de veronderstelling dat voormalig politici de weg goed kennen in Den Haag. En soms werk dat en soms werkt dat niet.

Kijk, je kan onderzoek doen naar de draaideurconstructie maar dat is nog niet hetzelfde als hard aantonen dat deze persoonlijke carrièrebewegingen ook voor de organisatie voordeel oplevert. Het kan ook contraproductief werken. Zo zie je dat iemand als Pieter Duisenberg, die de wegen in Den Haag goed kent, toch het eerste deel van zijn tijd moet gebruiken om uit te leggen waarom hij op die plek zit. De belangenbehartiger is namelijk niet altijd naar buiten gericht. Het is belangrijk om je eigen organisatie of leden mee te nemen. Om te voorkomen dat je voor de troepen uitloopt of dat je niet serieus wordt genomen.

Ik ben het met Berkhout eens dat er een toename te zien is van het aantrekken van oud-politici, maar of dit altijd leidt tot strategisch of tactisch voordeel voor de organisatie is echt nog de vraag. Ik geloof niet dat het nog steeds een old boys and girls netwerk is. Bovendien is de greep van die traditionele organisaties, kijk maar naar de VSNU, niet per se zo sterk. Zij zijn niet meer de enige die onderwerpen aankaarten. Er zijn gewoon steeds meer organisaties die mee doen.”


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK