• A
  • A
  • NVAO ziet omslag in kwaliteit

    - “Van het hoogste bestuursniveau tot de werkvloer zien ze in het HBO onderwijs als hun corebusiness. Het WO kent dit zo niet.” NVAO-voorzitter Anne Flierman analyseert de opvallende trends in de borging van de opleidingen bij hogescholen en universiteiten.

    Het jaarbericht van de NVAO kijkt niet alleen naar 2015, maar zet de ontwikkelingen in de kwaliteitszorg en de uitkomsten daarvan in HBO en WO in een breder perspectief. Voorzitter Anne Flierman signaleert daarin enkele opmerkelijke veranderingen. HBO en WO onderscheiden zich echt van elkaar.

    “Het verschil is toch echt markant. In het HBO gaat het beduidend beter, jaar op jaar zien we minder opleidingen die ‘een herstelperiode’ moeten doormaken en het aantal ‘goed’ beoordeelde opleidingen stijgt gestaag.”

    De lat heel hoog

    Bij de universiteiten is het beeld anders. Niet alleen het aantal ‘goed’ beoordeelde opleidingen komt minder voor, ook relatief, maar daar zijn ook flink meer ‘herstelperiodes’ aan de orde. Tevens zitten nog twee universiteiten als geheel in een fase van ‘voorwaardelijke erkenning’ van hun instellingstoets. Flierman benadrukt dat bij het WO hier geen voorbarige conclusies uit getrokken moeten worden. Soms speelt toeval een rol.

    “In 2015 waren er twee sectoren die erg veel beoordelingen ondergingen. Allereerst de lerarenopleidingen en daar waren we streng, terecht lijkt mij. Vooral de flinke reeks ‘herstelperiodes’ die we bij de VU moesten vaststellen, maken het beeld van het vorig jaar wel wat zwaarder dan gebruikelijk. Overigens, die stevige conclusies trokken we met de VU samen. De rector vond dit ook een krachtige aansporing om in deze sector belangrijke maatregelen te treffen. Dat bleek uit zijn interview bij jullie wel en daar heb ik respect voor.”

    “Wat daar nog bij komt, was het feit dat 2015 ook veel beoordelingen van onderzoekmasters kende. Daar ligt de lat natuurlijk heel hoog en dat is volstrekt terecht. Dit zijn immers de parels van de academische opleidingen in ons land. De KNAW-panels die hier hun beoordelingen vaststellen, hebben de naam streng en veeleisend te zijn. Zij kijken kritisch en zijn niet snel tevreden. Dan worden de uitkomsten dus weleens pittig. Dat beinvloedt het beeld van heet geheel van de accrediteringsresultaten in het WO in zo’n jaar dan wel.”

    Heel sterk beeld in HBO

    Dit neemt niet weg, dat het beeld opvallend verschilt, ook in de langere termijn trens, tussen HBO en WO. Flierman vindt dat de hogescholen respect verdienen voor de omslag die daar heeft plaatsgevonden in de aandacht voor en borging van de kwaliteit.

    “Het beeld in het HBO is heel sterk. Je ziet een gestage opgang in de beoordelingen over de hele linie. Dat is geen geringe prestatie en deze komt na een fase waarin men er behoorlijk van langs had gekregen.” De reeks van signalen van onvoldoende bewustzijn van kwaliteitsvragen leidde in 2010-2012 ertoe dat men in het HBO “een draai om de oren kreeg. Dat was wel even een wake up call, hoor! We zien nu dat de hogescholen ook echt wakker zijn geworden en dit signaal hebben benut.”

    Dat er nu nog maar weinig ‘herstelperiodes’ worden vastgesteld en het aantal opleidingen met het predicaat ‘goed’ aanzienlijk is geworden, noemt Flierman “echt bijzonder.” En voegt daar met een glimlach aan toe: “en dat is niet alleen omdat in het HBO de kunstopleidingen zitten waarvan de beoordelingen meestal uitstekende resultaten opleveren.”

    Van hoog tot laag

    Er zit een diepere ontwikkeling onder, zegt hij. “Heel de sector heeft die wake up call verstaan. Denk aan de doorvoering van ‘Vreemde ogen dwingen’ rond de toetsing binnen alle hogescholen. Van hoog tot laag, van het hoogste bestuursniveau in de Raden van Toezicht tot onder docenten, examencommissies en mensen direct op de werkvloer heeft men dit opgepikt.”  

    “Ik denk dat elke Raad van Toezicht in het HBO inmiddels een eigen ‘commissie onderwijs’ kent. Men ziet aandacht voor de onderwijskwaliteit daar als een centrale opdracht voor heel de instelling, inclusief toezicht en bestuur. Dit werkt dor in alle geledingen. Wat ik ook interessant vind, is dat de raden met elkaar daarover structureel overleg zijn gaan voeren, bij elkaar over de heg durven kijken. Onderwijs is een kernpunt, niet een bestuurlijke nevenzaak. Dit is in het WO zo niet aan de orde op dat niveau, daar kent men dit niet zo.”

    Eigenlijk geeft het HBO hiermee een gunstig signaal naar de universiteiten, meent Flierman. “Het accent op onderwijs en kwaliteitscultuur in je instelling zetten, juist ook vanuit het bestuur, werkt blijkbaar. Men kwam in het HBO hier en dar uit een diep dal en besloot samen ‘dat gaat ons niet nog eens gebeuren!’ Het WO kan dit net zo goed waarmaken.”

    Borging werkt

    Daarmee maakt het stelsel van HO-borging bovendien duidelijk, dat het werkt. Niet alleen is het streng en inzichtelijk waar nodig, het leidt ook tot acties, verbeterslagen en versterking van de kwaliteitscultuur op zowel de werkvloer, als het bestuurlijke niveau. “Dit jaar gaan we dat nog eens zien,” hoopt Flierman, want er komt een reeks van die eerdere herstelperiodes aan de orde met hun resultaten.

    “Dan zal blijken of en hoe men de kritische beoordelingen niet op zich heeft laten zitten. Met name ook bij de geesteswetenschappen in het WO, waar men toch eerst wel bozig reageerde op de uitkomsten. Je ziet nu dat ze aan de slag zijn gegaan en ook meer dan ‘strikt nodig’ volgens de kritische rapportages zijn gaan doen ter verbetering. Net als in het HBO gebeurde, inderdaad.”

    NVAO geen proefstation

    Uit de cijfers over de beoordelingen door de NVAO komt nog een punt opvallend naar voren. De private aanbieders van HO blijken veel aanvragen in te dienen om nieuwe opleidingen te kunnen starten in de markt. Vervolgens zien zij daar snel weer vanaf na een eerste kritische toetsing van die plannen. “ soms lijkt het er een beetje op of wij elk idee eerst even moeten uittesten voor hen en sommige van die plannen worden meermalen bij ons uitgeprobeerd, merken wij. Dan wordt de NVAO een soort publiek gefinancierde consultancy of proefstation en dat lijkt mij niet de bedoeling."

    Flierman ziet een eenvoudige oplossing voor deze ontwikkeling. “Nu de minister de lijnen uitzet voor de verdere ontwikkeling van het stelsel, zouden we ook moeten bezien of er een limiet gesteld zou kunnen worden op dit punt. Kijk toch even kritisch bij de vraag hoe vaak een instelling een nieuwe opleiding mag indienen ter toetsing. De NVAO doet bij een zekere limitering op dit vlak dan toch vooral waar ze voor is ingericht en zoiets beperkt meteen de administratieve lasten.”