Grote verschillen binnen WO bij emancipatie

Nieuws | de redactie
2 oktober 2006 | De groei van vrouwen naar vooraanstaande posities in de wetenschap in Nederland is gestaag, maar remmende factoren blijken sterk. Ambieert OCW een percentage van 15% vrouwelijke hoogleraren in 2010, de huidige trend zou 12 of 13% feitelijke realisatie mogelijk maken (2005: 9,9%). Die 15% is trouwens nu al net onder het gemiddelde van de EU-lidstaten en zou in 2010 nog steeds een duidelijke achterhoedeplaats inhouden. Reeds nu figureert ons land lager dan Griekenland, Turkije of Slowakije. Dubbel zo hoog en meer is het aandeel vrouwelijke profs in Bulgarije, Portugal of Finland. 


Tussen de instellingen zijn de verschillen markant. De UvA, UU en Leiden zitten duidelijk boven het trendmatig gemiddelde tegen de achtergrond van hun disciplinaire profielen. Sterk daaronder (bijna 50% lager) zit de EUR, als ook de UTwente, Tilburg en TUe. Delft schiet er bij de 3TU duidelijk positief uit met 30% meer vrouwelijke hoogleraren dan het gewogen gemiddelde.

De oorzaken van de lage score in ons land leidden in het VSNU-café tot heftig debat. Prof. Marijk van der Wende wees op twee kenmerken van ons land die de positie van vrouwen extra benadelen: het geringe aantal leerstoelen en de geringe groei daarvan alsook de vele deeltijdfuncties van vrouwen in het HO. Dit laatste zet “een vrijwillige rem op de doorstroommogelijkheden, want je kunt een professoraat feitelijk niet in deeltijd bekleden,” zo stelde Van der Wende. Heftige ontkenningen en tegenwerpingen waren haar deel.

Internationaal biedt de Monitor Vrouwelijke Hoogleraren 2006 nog meer stof tot discussie, zo bleek. Het aantal vrouwen dat afstudeert en promoveert groeit namelijk relatief sterker dan het aantal mannen. In Finland en Nederland blijkt deze trend te gaan leiden tot een verhouding 60-40 en op langere termijn wellicht 70-30 bij de afgestudeerden, aldus Van der Wende. Ook Spanje en enkele andere landen lijken naar zo’n ontwikkeling toe te groeien. “Voor de blik op een kenniseconomie en de vervulling van de sleutelposities daarin heeft dit wel enige consequenties,” aldus de IMHE-voorzitter.