Een academische alleskunner

Nieuws | de redactie
30 september 2008 |

Cassini's View of Titan: 
False Color 




Composite

Met een zelfgemaakte telescoop nam hij de maan Titan waar. Maar hij vond ook het slingeruurwerk uit. Christiaan Huygens staat in de Canon van Nederland van Frits van Oostrom c.s. model voor het type wetenschappelijke ontdekker dat we vandaag de dag bijna niet meer kennen. De uomo universale, die techneut, filosoof, dichter, staatsman, adviseur, uitvinder, astronoom én zelfs casino-kans-berekenaar tegelijk is. Han van der Horst vertelt over hem op ScienceGuide, als voorpublicatie van zijn boek Een bijzonder land.
Foto: NASA

Op 15 januari 2005 daalde de sonde Huygens dwars door een dik bruin wolkendek heen om een zachte landing te maken op de bodem van de maan Titan. De boordcamera’s begonnen opnamen van het landschap door te seinen naar het moederschip Cassini, dat een grote baan beschreef om Saturnus, waarbij het alle manen van deze reuzenplaneet passeerde. Toch was het publiek met name door Titan gefascineerd. Van alle hemellichamen in het zonnestelsel leek deze maan het meest op de aarde. Uit het wolkendek viel op te maken dat er ingewikkelde chemische processen plaatsvonden, waarin koolwaterstofverbindingen een belangrijke rol speelden. Dat zijn de bouwstenen van het leven. De foto’s gaven echter een levenloze wereld te zien met rivierbeddingen en een zwarte vlakte in de verte, die aanvankelijk voor een methaanmeer werd aangezien, maar achteraf blijkt te bestaan uit vaste grond.

De sonde Huygens en het ruimteschip Cassini zijn genoemd naar twee zeventiende-eeuwse geleerden die samen baanbrekend werk hebben verricht in het onderzoek omtrent de planeet Saturnus. Giovanni Domenico Cassini was een Genuees die in Parijs werkte op het nieuwe koninklijk astronomisch observatorium. De Hagenaar Christiaan Huygens was zijn superieur. Hij voerde de directie van de jonge Académie des Sciences, die de Franse minister van Financiën, Jean-Baptiste Colbert, in het leven had geroepen.

Ontdekker van de ringen
Huygens was de eerste die ontdekte dat Saturnus begeleiders had. Hij nam met een zelfgemaakte telescoop de maan Titan waar, wat de naamgeving van de sonde verklaart. Cassini vond er later nog vier bij. Huygens geldt trouwens eveneens als de ontdekker van de ringen rond Saturnus. Wat zou Christiaan Huygens van de beelden uit 2005 hebben gevonden? Het is niet onwaarschijnlijk dat het levenloze oppervlak van Titan hem had teleurgesteld. In een klein, postuum gepubliceerd boekje betoogde hij dat de aarde maar één planeet onder vele was en dat de andere waarschijnlijk net zo goed levende wezens huisvestten. Waarom immers zou God in een heel universum alleen de aarde een speciale positie hebben gegeven? Huygens voegde erbij dat hij deze stelling niet wetenschappelijk kon bewijzen, maar het leek hem aannemelijk dat de aarde niet uniek kon zijn.

Hiermee stond hij op een grote geestelijke afstand van het merendeel zijner generatiegenoten, die hun wijsheid over het universum aan bijbel, dominee of pastoor ontleenden. In 1691 nog werd de Amsterdamse predikant Balthasar Bekker door de synode van Alkmaar afgezet, omdat hij in een driedelig en veelgelezen werk, De betoverde weereld, bewees dat heksen en hekserij niet bestonden. In een eerder boek had hij al uiteengezet dat kometen natuurverschijnselen waren en dat zij niet als voorteken of vingerwijzing Gods mochten worden beschouwd. Overigens zorgde iemand uit de kennissenkring van Huygens, de Amsterdamse burgemeester Johannes Hudde, er met politieke vrienden in de Amsterdamse Oud-Raad voor dat Bekker gewoon zijn traktement kreeg doorbetaald, maar een preekstoel heeft hij nooit meer mogen bestijgen. In 1678 nog verboden de Staten van
Holland de publicatie van Spinoza’s werken, omdat zijn filosofie zelfs de grenzen van de zeer gematigden onder hen te buiten ging.

In de Republiek kon veel gezegd worden, maar niet alles. Het kwam vaak genoeg voor dat de beul op het schavot een de burgemeesters onwelgevallig werkje stond te verbranden, maar hun macht reikte niet verder dan de stadspoort. Wat in de ene stad of het andere ambacht streng verboden was, kon elders vrij verschijnen. Dat schiep een klimaat waar niet alleen het denken, maar ook de verspreiding van denkbeelden kon gedijen.

Deze betrekkelijke vrijheid én de mogelijkheid tot publiceren maakten de Republiek tot een centrum van wetenschapsbeoefening. Dat blijkt onder meer uit het grote aantal instellingen voor hoger onderwijs dat op het kleine grondgebied van de Zeven Provinciën tot ontwikkeling kwam. De in 1575 gestichte Universiteit Leiden kreeg (tot haar ongenoegen overigens) zusterinstellingen te Franeker, Groningen, Utrecht en Harderwijk. De Universiteit van Nijmegen moest na een veelbelovend begin in 1669 de poorten sluiten. Daarnaast kenden verscheidene steden een zogenaamde Illustere School, die niet het recht bezat de doctorsgraad te verlenen, maar verder volledig was georganiseerd als een universiteit, compleet met hoogleraren.

De goede toon
Een belangrijke doelstelling van een Illustere School was om studenten uit de eigen stad of streek goed voor te bereiden op wat hun aan de universiteit te wachten stond,maar dat was niet alles. De bestuurders wilden ook een centrum van wetenschappelijke kennis binnen hun poorten halen om zo de status van de stad te verhogen. Dat blijkt uit het niveau van de professoren. De school van Amsterdam, die Athenaeum Illustre heette, ging in 1632 van start met de retoricus en historicus Gerardus Vossius en de theoloog-filosoof Casparus Barlaeus. Het waren allebei Europees bekende geleerden die vanwege de overheersing door de gomaristen aan de Universiteit Leiden het veld hadden moeten ruimen. Vossius kreeg een verhuiskostenvergoeding van 200 gulden, omdat hij zo veel boeken mee naar Amsterdam moest nemen. De nieuwe instelling werd gevestigd in de Agnietenkapel op de Oudezijds Voorburgwal, die tot dan toe bij de Admiraliteit in gebruik was geweest als magazijn. De bestuurders lieten daarheen ook de stadsbibliotheek overbrengen, die voortaan ter beschikking stond van het Athenaeum Illustre.

Erg groot waren die Illustere Scholen niet. Het aantal leerlingen bleef vaak beneden de honderd en de omvang van het docentencorps was navenant. Zelfs in Amsterdam waren het er nog geen tien. Academische kennis was nu eenmaal een privilege dat – uitzonderingen daargelaten – voorbehouden bleef aan de hogere standen. Dankzij de gereformeerde religie en haar nadruk op het lezen van de bijbel stond de geletterdheid in de Republiek op een behoorlijk niveau, maar met de geleerdheid lag het anders. Zelfs de Nederduytsche Mathematique aan de Universiteit Leiden had zich na enige decennia teruggetrokken in het bolwerk van het humanistenlatijn. Een brede belangstelling voor kunsten en wetenschappen behoorde alleen in de maatschappelijke elite van de Republiek tot de goede toon. Dat was de erfenis van de laatmiddeleeuwse rederijkersgenootschappen, die naarmate de zeventiende eeuw vorderde aan betekenis inboetten.

Een welopgevoede zoon uit een regentengeslacht met zakelijke belangen en burgemeesters in de familie sprak verschillende moderne talen en dan met name Frans. Hij had zich Latijn eigengemaakt. Hij bespeelde een instrument – de luit bijvoorbeeld. Hij kon – als daarom gevraagd werd – volgens de verschillende regelen der kunst een passend gedicht maken om op die tekst vervolgens een aannemelijk muziekje te componeren. De vrouw en de dochters des huizes hielden zich in het algemeen verre van de wetenschap. Zij beperkten zich tot muziek, dichtkunst en tekenen. Althans, in het openbaar,want een bredere belangstelling zou tot te veel opgetrokken wenkbrauwen leiden. De enige vrouw uit de Gouden Eeuw die ooit tot de collegezaal werd toegelaten – Anna Maria van Schurman; de Universiteit Utrecht genoot de eer – moest achter een gesloten gordijn plaatsnemen.
Zij ontwikkelde zich overigens tot een zeer rechtzinnige theologe en sloot zich later aan bij de labadisten, een zeventiende-eeuwse variant op de zwartekousenkerk.

De Sterre
Christiaan Huygens groeide in beschaafde en ontwikkelde kringen op. Zijn vader, Constantijn Huygens,was geheimschrijver (particulier secretaris) van stadhouder Frederik Hendrik. Hij was in zijn jonge jaren al een bekend dichter. Constantijns vader had hem door huisleraren zorgvuldig op laten voeden, zodat het hem aan kennis noch goede omgangsvormen voor een loopbaan onder de Oranjes zou ontbreken. Hij was een talenwonder. Hij volgde de nieuwe ontwikkelingen in de wetenschap op de voet. Hij bleek een begaafd componist en een vakkundig diplomaat. Christiaans moeder, Suzanna van Baerle, kwam uit een intellectueel koopliedengezin. Ze was naar het schijnt een begaafd kunstenares. Constantijn had met veel moeite haar hart gewonnen door haar lange tijd te bestoken met zijn liefdespoëzie. Hij noemde haar in die gedichten ‘Sterre’. Constantijn ondervond bij deze hofmakerij de concurrentie van Pieter Corneliszoon Hooft, een Amsterdams regentenzoon met wellicht meer literair talent. Toch had Suzanna de voorkeur gegeven aan Constantijn, die haar meenam naar zijn vaderstad Den Haag,waar hij op een van de beste locaties van de stad – ter hoogte van het Plein en de Lange Houtstraat – een herenhuis liet bouwen.

Zijn buurman, Johan Maurits van Nassau-Siegen,was daar ook mee bezig. Diens woning staat er nog. Het is het tot museum ingerichte Mauritshuis. Het huwelijk met Suzanna was zeer passend voor iemand van Huygens’ hoge afkomst.Toch was het niet gebaseerd op berekening, maar op liefde. Constantijn leed er zeer onder dat hij zo vaak maanden van huis was omdat Frederik Hendrik hem meenam op zijn veldtochten. Het echtpaar kreeg behalve Christiaan nog drie zonen, Lodewijk, Philips en Constantijn. Er was ook nog een dochtertje Suzanna, dat maar acht jaar werd. Huygens’ echtgenote was een krachtdadige vrouw die in feite alles regelde rond de bouw van het grote herenhuis. Kort na de geboorte van Suzanna werd zij ziek en ze overleed precies een dag voor de verhuizing zou plaatsvinden.

‘Spreeckt menschen-tael’
Constantijn Huygens was verpletterd en hij zou gedurende de rest van zijn zeer lange leven – hij stierf in 1687 en werd 91 jaar – nooit meer hertrouwen, wat voor mannen uit zijn stand in de Gouden Eeuw heel uitzonderlijk was. Een halfjaar na haar dood – bij het afsluiten van de rouwperiode – schreef Constantijn Huygens over haar dit gedicht:

Of droom ick, en is ’t nacht, of is mijn’ Sterr verdwenen?

Ick waeck, en ’t is hoogh dagh, en sie mijn’ Sterre niet.

O Hemelen, die mij haer aengesicht verbiedt,

Spreeckt menschen-tael, en seght, waer is mijn’ Sterre henen?

Den Hemel slaet geluyd, ick hoor hem door mijn stenen,

En seght, mijn’ Sterre staet in ’t heilighe gebied,

Daer sij de Godheid, daer de Godheid haer besiet,

En, voeght het lacchen daer, belacht mijn ijdel weenen.

Nu, Dood, nu Snick, met-een verschenen en verbij,

Nu, doorgang van een’ Steen, van een gesteên, ten leven,

Dunn Schutsel, staet naer bij, ’ksal ’t v te danck vergeven;

Komt, dood, en maeckt mij korts van deze Cortsen vrij:

’Kverlang in ’teewigh licht te samen te sien sweven

Mijn Heil, mijn Lief, mijn Lijf, mijn’ God, mijn’ Sterr en mij.

Daarna vatte Constantijn Huygens zijn gewone activiteiten weer op. Er kwam een familielid in huis om te helpen bij de opvoeding van de kinderen. Hij stuurde ze niet naar school, maar huurde huisleraren. Hun ijver bevorderde hij door extra zakgeld te geven als zij behoorlijk opschoten. Lodewijk bleek het zorgenkind van de drie. Hij was niet gezeglijk en zou zich later tijdens zijn studies misdragen. Zijn ambtelijke carrière werd onderbroken door een groot corruptieschandaal. Constantijn junior leek nog het meest op zijn vader. Hij werd particulier secretaris van stadhouder Willem III, een functie die hij tot zijn overlijden in 1697 bekleedde. Geen geringe prestatie en een klinkend bewijs van trouw aan het Oranjehuis, want zijn superieur was een sikkeneurig en vaak onredelijk mens die het zijn omgeving heel moeilijk kon maken.

Een eigen draaibankje
Ook deze telg uit het gezin Huygens was een talentvol dichter. En ook hij hield – eveneens in navolging van zijn vader – een dagboek bij vol precieze en niet altijd vleiende observaties van zijn omgeving. Philips is al op 21-jarige leeftijd overleden. Christiaan en Constantijn junior trokken daarna veel met elkaar op. Ze bestudeerden onder leiding van hun huisleraar Jan Stampioen ongeveer dezelfde stof. Later zouden ze elkaar helpen bij het slijpen van lenzen en het doen van waarnemingen.

Deze Stampioen was niet de eerste de beste. Hij kwam uit de school van Willibrord Snel van Royen of Snellius, die in de eerste decennia van de zeventiende eeuw aan de Leidse universiteit wiskunde doceerde. Zijn roem is gebaseerd op onderzoek naar de breking van licht, dat resulteerde in een naar hem genoemde wet. Snellius was echter op veel breder terrein actief. Hij publiceerde op het gebied van cartografie, astronomie en de plaatsbepaling ter zee. Jan Stampioen bouwde op dit erfgoed voort. Hij ontwikkelde zich tot een getalenteerd wiskundige, die eenmaal de beroemde René Descartes uitdaagde tot een wedstrijdje meetkunde,waarbij de grote Fransman er blijk van gaf slecht tegen zijn verlies te kunnen.

Stampioen gold in zijn tijd als een expert op het gebied van de trigonometrie en publiceerde een Nederlandstalig leerboek onder de titel Algebra ofte Nieuwe Stel-Regel. Aan zijn pupil Christiaan heeft hij dat boek overigens nooit voorgeschreven. Christiaan had zijn broers op het gebied van de natuurwetenschappen weldra ingehaald. Zijn belangstelling was niet louter theoretisch. Hij bouwde zelf een draaibankje,waar hij allerlei hulpmiddelen op vervaardigde voor wetenschappelijke proefjes. Vader Constantijn en Stampioen zagen op deze experimenten met goedkeuring toe. De oude Huygens stuurde Constantijn en Christiaan gezamenlijk naar de Universiteit Leiden. Ze schreven zich beiden in aan de rechtenfaculteit,want het was duidelijk dat zij later in de voetsporen van hun vader moesten treden. Voor telgen uit het nauw met Oranje verbonden geslacht Huygens was alleen een bestuurlijke of diplomatieke carrière aanvaardbaar. Wiskunde, natuurkunde, scheikunde, astronomie, astrologie en alchemie golden net als de dichtkunst en de muziek als passende liefhebberijen. Het was niet iets waarmee hooggeplaatste mensen zich verwaardigden hun brood te verdienen.

Niet dat Christiaan de juridische colleges aan de universiteit platliep. Hij was vooral te vinden onder het gehoor van professor Frans van Schooten jr., een van de opvolgers van de grote Snellius. Na twee jaar haalde zijn vader hem dan ook, in tegenstelling tot Constantijn junior, uit deze Leidse omgeving weg. Hij stuurde hem met zijn broer Lodewijk naar Breda,waar Frederik Hendrik net een Illustere School had gesticht, die was bedoeld als een intellectuele uitvalsbasis voor het protestantisme in het stevig katholieke Brabant. Vader Constantijn had zitting in het College van Curatoren. Het schijnt dat Christiaan in Breda zijn juridische colleges wel heeft gevolgd. Drie jaar later keerde hij op bevel van vader terug naar Den Haag. De onbekookte Lodewijk had zich in Breda onmogelijk gemaakt door met een medestudent te duelleren, een praktijk die in de Gouden Eeuw door alle autoriteiten streng van de hand werd gewezen.

Het octrooi
Inmiddels waren voor de oude Constantijn de tijden veranderd. Stadhouder Frederik Hendrik was in 1647 overleden, in 1650 gevolgd door zijn zoon Willem II. Er was geen volwassen opvolger. De latere stadhouder Willem III is pas na de dood van zijn vader geboren. Johan de Witt maakte van deze gelegenheid gebruik om de Oranjes op een zijspoor te duwen. Hij wist met zijn aanhangers de aanstelling van een nieuwe stadhouder tegen te houden. Huygens verloor daardoor zijn politieke invloed. Hij hield zich voortaan als een soort rentmeester bezig met het zakelijk beheer van de bezittingen der Oranjes.

Voor Christiaan was dat een geluk bij een ongeluk. Nu was zijn vader niet in staat een of andere hoge ambtelijke betrekking voor hem te regelen. Hij kreeg alle tijd voor zijn enige passie: de exacte wetenschappen. In 1656 vroeg Christiaan octrooi aan op de uitvinding die altijd het meest tot de verbeelding is blijven spreken, het slingeruurwerk, de tiktak van grootvaders klok. Hij was zich met de tijdmeting gaan bezighouden,omdat die nu eenmaal noodzakelijk was om lengtegraden te berekenen. De mechanische uurwerken die tot dan toe in gebruik waren, onderscheidden zich door onnauwkeurigheid. Niets kon nog in precisie een zonnewijzer evenaren.

Christiaan kwam echter tot het inzicht dat de slingerwetten die aan het begin van de zeventiende eeuw door de grote Italiaanse onderzoeker Galileo Galilei waren ontsluierd, de sleutel vormden tot de oplossing van dit probleem. Ook Galilei had zich in zijn tijd beziggehouden met de meting van de lengtegraad. Hij meende dat men die kon berekenen door nauwkeurige observatie van de positie van de vier manen van de planeet Jupiter ten opzichte van elkaar. Hij had zelfs vergeefs geprobeerd zijn geheim aan de Staten-Generaal te verkopen. Maar de oplossing – ontdekte Christiaan – lag elders. Slingertijden waren met behulp van Galilei’s wettentot op de seconde te berekenen. In 1656 construeerde hij een uurwerk waarvan de beweging door een slinger werd gecontroleerd. Alle mechanische klokken werken tot op de huidige dag volgens dit principe.

Had Huygens daarmee het probleem van de lengtemeting opgelost? Het was slechts een eerste stap. Zijn slingeruurwerken raakten op een stampend schip onmiddellijk van slag. Later heeft Huygens dit proberen te ondervangen door de slinger te vervangen door een heen en weer bewegend rad, de zogenaamde onrust, maar die bood op een schip onvoldoende soelaas. Christiaan Huygens is nooit op het idee gekomen zijn uurwerk zo op te hangen dat het onder alle omstandigheden horizontaal bleef. Dat is het geheim achter de mechanische chronometers die sinds het eind van de achttiende eeuw worden gebruikt. Hij kon met zijn onrust wél een goed functionerend zakhorloge construeren. Het slingeruurwerk maakte Christiaan Huygens beroemd, want het werd vrijwel onmiddellijk na de uitvinding overal in Europa nagebouwd en toegepast – aan het octrooi heeft hij nooit wat gehad.

Een Europees netwerk
Zelf beschouwde Christiaan het niet als het hoogtepunt van zijn kunnen. Hij was trotser op zijn bijdragen aan de wiskunde, de natuurkundige theorie en de astronomie. Of op zijn publicaties over kansberekening – geschreven na een nachtje in het casino – en de kwadratuur van de cirkel. Zijn fascinatie voor lenzen en de breking van het licht bracht hem op de correcte gedachte dat licht in golven komt. Dit alles legde Huygens in uitvoerige aantekeningen vast. Met publicaties aarzelde hij altijd, omdat hij steeds meende nog net niet het naadje van de kous te weten. Zo kwam het dat bijvoorbeeld zijn standaardwerk over slingeruurwerken pas in 1673 het licht zag.

De experimentele onderzoekers in Europa hielden onderling contact. Zij voerden een uitvoerige correspondentie en Christiaan Huygens was een centrale figuur in dit netwerk, dat alle grenzen overschreed – ook die tussen katholicisme en protestantisme. Hij wisselde van gedachten met jezuïeten die natuurkundige experimenten deden. Hij reisde naar Parijs om zijn collega’s van man tot man te spreken. Ook vertoonde hij zich te Londen, waar onder auspiciën van koning Karel II een Royal Society for the Improvement of Natural Knowledge was opgericht. Het lidmaatschap gold als een soort eerbewijs en Christiaan Huygens mocht in 1664 toetreden. De Royal Society ontving per brief verslagen van nieuw onderzoek. Een vaste correspondent was bijvoorbeeld Antoni van Leeuwenhoek, die met zijn zelfgeslepen lenzen de wereld van de micro-organismen zichtbaar had gemaakt.

Veel meer dan een erebaantje was het lidmaatschap van de Royal Society niet. Daarom besloot Constantijn Huygens zijn zoon ergens netjes onder te brengen. Het kwam goed uit dat hij langdurige bezoeken aan Parijs bracht, waar hij met koning Lodewijk XIV uit naam van erfprins Willem ingewikkelde onderhandelingen voerde over de terugtrekking van de Franse troepen die het prinsdom Orange bezet hielden. Als rechtgeaard regent uit de Gouden Eeuw verloor hij de eigen familiebelangen niet uit het oog. Constantijn Huygens maakte van een audiëntie bij Lodewijk xiv gebruik om daar een slingeruurwerk van Christiaan te demonstreren. Bij een andere gelegenheid schonk hij Zijne Majesteit een krachtige verrekijker met lenzen die door zijn zoons waren geslepen. Daarmee had hij Christiaan effectief onder de aandacht gebracht. Hij beval hem aan voor een Académie des Sciences die de koning op wilde richten.

Prijswinnaar in Parijs
De grote inspirator achter de schermen was niemand minder dan Jean-Baptiste Colbert, de minister van Financiën. Hij had een duidelijk doel met de Académie: die moest de Franse superioriteit ook op het gebied van kennis en wetenschappen bewijzen. De Académie des Sciences was tevens bedoeld om een bijdrage te leveren aan de economische autonomie van het Franse koninkrijk. Wellicht werden er uitvindingen gedaan die van nut waren voor de ontwikkeling van nieuwe bedrijvigheid.

In het kader van zijn culturele propaganda schonk Lodewijk xiv sinds 1663 jaarlijks interessante bedragen aan geleerden overal in Europa. Christiaan viel al bij de eerste ronde in de prijzen. Hij ontving twaalfhonderd livres. Overigens kregen nóg twee geleerden uit de Republiek de eenmalige toelage: Vossius van het Amsterdamse Athenaeum Illustre en de classicus Nicolaas Heinsius, die kritische tekstedities van Latijnse auteurs het licht deed zien.  Christiaan Huygens ontving vervolgens een schrijven van de Franse dichter en taalgeleerde Jean Chapelain, die de prijswinnaars van 1663 in opdracht van de koning en Colbert had voorgedragen. Deze vroeg hem naar Parijs te komen om daar bij te dragen aan de oprichting van de Académie des Sciences. Na enige aarzeling liet Christiaan zich tot een definitief vertrek naar de Franse hoofdstad verlokken. Daar schreef hij in opdracht van Colbert een werkprogramma voor de nieuwe academie. Onder haar paraplu moest wetenschappelijk onderzoek ter hand genomen worden op experimentele grondslag. Daarbij diende het er steeds om te gaan langs de meest voor de hand liggende weg tot een onweerlegbaar resultaat te komen.

Huygens was zijn leven lang een tegenstander van het soort schijngeleerdheid dat tot uiting komt in moeilijk te begrijpen verslagen of een gecompliceerde manier van werken,waar dat niet noodzakelijk is. Voor ledige schittering was wat hem betreft aan de Académie des Sciences geen plaats, en de praktisch georiënteerde Colbert was het volstrekt met hem eens. In 1666 werd de Académie des Sciences officieel opgericht. Christiaan Huygens kreeg een aanstelling als directeur op een jaarsalaris van zesduizend livres en een ambtswoning in de koninklijke bibliotheek. Het kwam erop neer dat hij onder toezicht van de leden der academie leiding moest geven aan het wetenschappelijk onderzoek. Ook werd hij geacht mee te werken aan het Journal des Sçavants, een geleerd tijdschrift waarmee Colbert in de hele wereld de glorie wilde verkondigen van de wetenschap onder de vleugels van zijn grote koning.

Leibnitz en Perrault
Het eerste grote project was cartografisch van aard. De landen van Zijne Majesteit moesten zo nauwkeurig mogelijk in kaart worden gebracht. Het was een gigantisch project, waar veel landmeetkundige kennis aan te pas kwam, maar ook sterrenkunde, omdat men breedtegraden op grond van zeer nauwkeurige waarnemingen aan de sterrenhemel moest bepalen. In dat kader werd de gerenommeerde Italiaanse astronoom Giovanni Domenico Cassini naar Parijs gehaald,waar de Académie voor hem een groot observatorium bouwde, dat ook door Christiaan werd gebruikt. Cassini ontdekte daar dat Saturnus door meer manen dan Titan alleen werd begeleid. Ook maakte hij voor het eerst een correcte berekening van de afstand tussen de aarde en de zon. Dat was nog maar een klein gedeelte van de ontdekkingen die hij deed.

Onder Huygens’ auspiciën vond nog veel meer onderzoek plaats. Zo publiceerde de architect Claude Perrault,die een gedeelte van het Louvre ontwierp, zeer nauwkeurige verslagen van wat hij aantrof bij de sectie van dieren. Dit werk werd zijn dood. Hij overleed aan een bloedvergiftiging die hij opliep bij het onderzoek aan een kameel. Van relaties met de grote Nederlandse onderzoeker Jan Swammerdam, die met zijn microscopen de rode bloedlichaampjes ontdekte en de insectenwereld beschreef, blijkt niets.

Wel bouwde Huygens een goed contact op met Leibniz. Gottfried Wilhelm Leibniz, een bijna universeel geleerde, die uit Duitsland naar Parijs gekomen was, perfectioneerde onder leiding van de directeur zelf zijn wiskundige kennis. Op basis daarvan ontwikkelde deze de integraal- en de differentiaalrekening, die tot de opkomst van de computer van wezenlijk belang waren voor het snel maken van ingewikkelde berekeningen. Een andere leerling was Denis Papin, uitvinder van de naar hem genoemde papiniaanse pot, die wij tegenwoordig kennen als de snelkookpan. Ook ontwierp hij een voorloper van de stoommachine, waarvan de zuiger in beweging werd gebracht door de lucht,nadat met behulp van stoom onder druk was teweeggebracht in een holle cilinder. Hij was daartoe geïnspireerd door Christiaan Huygens, die nadacht over een ontploffingsmotor met buskruit als brandstof. Zelf deed de directeur veel onderzoek naar de eigenschappen en de aard van het licht. Een spectaculair, maar wetenschappelijk wat dun staaltje van zijn kunnen in dit opzicht is overigens een toverlantaarn, maar hij was in de Gouden Eeuw lang niet de enige die zo’n apparaat voor de projectie van beelden op een witte muur construeerde.

Dwars door de oorlog heen actief
Christiaan Huygens is tot de dood van Colbert in 1683 aan de Académie des Sciences verbonden gebleven. Hij ontving het bericht over diens overlijden tijdens een langdurig verblijf in Den Haag. Dat er iets mis was, merkte hij doordat Colberts opvolger Louvois de salarisbetaling stopte, waarop Christiaan besloot maar in de Republiek te blijven. De actie van Louvois had te maken met een veranderend politiek klimaat aan het hof van Lodewijk XIV. De koning stond sterk onder invloed van zijn laatste maîtresse, Madame de Maintenon, die naarmate zij ouder werd een steeds bigotter katholicisme beleed. Wetenschappers wier onderzoeksresultaten in strijd leken met de officiële katholieke leer, moesten op hun tellen passen.

Ook nam de discriminatie tegen de Franse calvinisten toe, tot in 1685 Lodewijk met het Edict van Nantes al hun rechten op vrije godsdienstuitoefening introk. Dat maakte een terugkeer van de protestant Christiaan Huygens definitief onmogelijk. De grote oorlog die Lodewijk xiv tussen 1672 en 1678 tegen de Republiek voerde, was voor hem overigens geen aanleiding geweest om de dienst van de koning te verlaten. Hij bleef gewoon op zijn post en dat vond niemand vreemd. Niet in Frankrijk en ook niet in Den Haag, waar stadhouder Willem III zijn broer Constantijn zonder enige bedenking tot particulier secretaris aanstelde. Dit heeft te maken met de aard van de oorlog in de zeventiende eeuw en de opvattingen die toen bestonden over landverraad. Wij zien hoe ondanks een oorlogstoestand postverbindingen tussen vijandige landen gewoon in stand bleven. De strijd was een zaak van vorsten, legers en overheidsdienaren. Particulieren hadden in onze ogen onvoorstelbaar veel ruimte om hun gewone contacten in stand te houden.

Na zijn terugkeer begon Christiaan Huygens zich opnieuw voor het slingeruurwerk te interesseren, omdat de Vereenigde Oost-Indische Compagnie hoopte dat hij klokken zou kunnen ontwerpen die op zee niet van slag raakten. Ook zette hij zijn uitvoerige correspondentie met de geleerde wereld in heel Europa voort. Toch voelde Christiaan zich in een isolement gebracht. Hij trok eerst bij zijn oude vader in en verhuisde na diens overlijden naar het familiebuiten Hofwijck, vlak buiten het dorp Voorburg, dat tot zijn deel van de erfenis behoorde. In het koude jaargetijde verkaste hij naar Den Haag,waar hij in zijn laatste jaren kamers huurde op het Noordeinde.

God en de buitenaardse werelden
Zijn leven lang had Christiaan last van depressieve buien, die vaak met zijn lichamelijke kwalen samenvielen. Ze vergalden nu ook zijn oude dag. Christiaan kon zich al decennialang niet verenigen met de officiële leer van de gereformeerde kerk. Hij behield echter een duidelijk godsbesef en zijn laatste publicatie over het universum met zijn vele werelden is ook bedoeld om dat geloof te schragen. Juist het feit dat het universum meer bewoonde planeten kende zoals de aarde, vloeide voor hem voort uit het feit dat alles door een levende God geschapen was. Dat gaf hem in zijn laatste dagen iets van troost. Christiaan Huygens stierf in eenzaamheid. Aan trouwen is hij nooit toegekomen. De wetenschap ging immers voor.

Het academiemodel van Colbert en Christiaan Huygens werd door vorsten in heel Europa overgenomen. De academies ontwikkelden zich overal tot aanjagers van onderzoek en nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen. In de Republiek kwamen zij niet tot stand, omdat hoger onderwijs en wetenschap de verantwoordelijkheid waren van de Staten in de gewesten. Er was geen monarch met genoeg visie en statusgevoel om een Academie van Wetenschappen op te richten. Nederland kreeg er pas een in 1808 onder koning Lodewijk Napoleon.

De Académie des Sciences speelt nog steeds een centrale rol bij de ontwikkeling van het Franse onderzoeksbeleid. Huygens’ klokken hebben de wereld veranderd. Niet alleen is een precieze tijdmeting noodzakelijk voor veel wetenschappelijk onderzoek, ook waren zijn klokken essentieel bij de vooruitgang. Zonder zijn uurwerken had de gecompliceerde industriële samenleving zich nooit kunnen ontwikkelen. Men kan ingewikkelde maatschappelijke en economische processen immers alleen op elkaar afstemmen als je ze precies kunt timen.

Deze stelling gaat voor meer op dan de tijdmeting alleen. Christiaan Huygens speelde net zo goed een maatgevende rol bij de ontwikkeling van de experimentele onderzoeksmethodes die de explosieve groei van de wetenschappelijke kennis uit de laatste drie eeuwen hebben bespoedigd. Daarom staat hij aan de basis van de technologie waarmee de naar hem genoemde ruimtesonde gebouwd werd. Het is passend en rechtmatig dat juist zijn naam is verbonden aan een staaltje van menselijk kunnen dat nu ver weg in de ruimte staat, ergens op de maan Titan.

Han van der Horst, Een bijzonder land. Het grote verhaal van de vaderlandse geschiedenis. Amsterdam: Bert Bakker, 2008.

De auteur presenteert het boek op donderdag 16 oktober om 19.00 uur bij Selexyz Scheltema op het Koningsplein in Amsterdam en op zaterdag 18 oktober om 14.00 uur bij Selexyz Donner op de Oude Binnenweg in Rotterdam.


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK