Zorg om de eenzame docent

Nieuws | de redactie
26 mei 2016 | “De zelfkritische evaluatiecultuur van het onderwijs daagde ons uit enkele pijnpunten flink te agenderen,” zegt Monserrat Gomendio van de OECD. “Dan weten we ook scherp waar het nog beter kan,” vult Jet Bussemaker aan.

De minister en de OECD-deputy director spraken met elkaar na de presentatie van de review van het onderwijs en beleid voor de komende jaren.

Nederland is een ‘top performer’ die er uitschiet op allerlei punten, concludeert de review. In welke zin steekt ons land dan eigenlijk af tegenover anderen?

Monserrat Gomendio: “Wat opvalt is dat u vooral in de breedte presteert. De resultaten van jongeren bij de PISA-metingen zitten in de top van de wereld, maar ook die van de volwassenen en werkenden. In de PIACC-metingen staat Nederland ook hoog.

Die bijzonder sterke positie is er ook bij de balans tussen decentrale sturing in het bestel en de verantwoording van de uitkomsten die van scholen en instellingen wordt gevraagd. Hoe autonomie en kwaliteit hier afgewogen zijn, is een belangrijk pluspunt van het onderwijsbestel.”

De cultuur van evaluatie en zelfkritiek vindt in die balans waarschijnlijk zijn echte fundament. Gaf u dat extra ruimte om dit top performer land flink huiswerk mee te geven om het nóg beter te doen?

Monserrat Gomendio: “Daar zit wel wat in, ja. De zelfkritische evaluatiecultuur van het onderwijs daagde ons uit enkele pijnpunten flink te agenderen. Die houding in uw land vind ik erg mooi.

In andere landen is dat toch vaak anders. Daar ontmoet je enige zelfgenoegzaamheid, ook in landen die zwak presteren meent men al snel dat men het best goed doet. Tot dat ze dan mee gaan doen aan PISA, bijvoorbeeld, en een ruw ontwaken komt.

In uw land is de lijn meer één van ‘we zouden het eigenlijk nog beter moeten kunnen’. Men kijkt naar prestaties elders en wil die tenminste evenaren. Dat is een goede insteek, merken wij. Men probeert de uitdagingen die er nog liggen voor het onderwijs – en die zijn er beslist – scherp in beeld te krijgen.“

Jet Bussemaker: “Zo heb ik deze review zelf ook gelezen. Monserrat en haar mensen wijzen op ruimte voor verbetering op allerlei punten, dankzij die zelfkritische opstelling. Die geeft openheid voor zulke verbeterslagen.

Dat zie je in het debat over de ongelijkheid. Deze review geeft daar nog weer nieuwe impulsen aan, want hij vergelijkt ook op dit punt internationaal. En kijkt naar de toekomstige vraagstukken die hier op ons afkomen.

Dat doen ze ook bij de vraagstukken rond het leraarschap. Daar waren al verschillende losse maatregelen genomen en wij hebben met de Lerarenagenda daar een meer geïntegreerd geheel van gemaakt. Dat zie je in de OECD-analyse en aanbevelingen nu terugkomen. Daar kunnen we echt mee verder komen.”

De review zegt toch vooral dat die samenhang in het lerarenbeleid nog wel wat steviger mag? U wijst op de nog beperkte aandacht voor een brede, meer gevarieerde loopbaanontwikkeling van leraren en voor de gebrekkige ‘inductie’ van jonge leraren in de schoolpraktijk.

Monserrat Gomendia: “Wij wijzen er op dat de loopbanen en het vak van de leraar als zodanig complexer worden, en dat gebeurt in een hoog tempo. Een beleid dat daarin meer samenhang brengt is daarom noodzakelijk. Leraren moeten bijvoorbeeld veel meer gezamenlijk werk maken van hun professionalisering. Dat doet men hier opvallend weinig. Dat geeft veel aanknopingspunten voor meer variëteit in de loopbanen en hun ontwikkeling.”

Jet Bussemaker: “Daarmee formuleert de review een fikse uitdaging, voor docenten onderling en de instellingen. Je ziet in de analyse bijvoorbeeld, dat bij ons de leraar nog erg vaak alleen voor de klas staat. Daar kun je veel meer aan doen, dat zie je in projecten als Eerst de Klas. Als we de gezamenlijke aandacht voor professionele ontwikkeling vergroten, kun je ook meer mensen interesseren voor het vak van leraar, bijvoorbeeld als zij-instromers uit andere disciplines en de beroepspraktijk.”

Monserrat Gomendio: “Die eenzame docent voor die ene klas viel mij echt op. Dan krijg je weinig feedback, weet je veel minder waar je staat met je ontwikkeling als professional. Zulke docenten hebben ook sterker de neiging het gevoel te hebben weinig gewaardeerd te worden, zo blijkt uit onze analyses. Mensen voelen dan veel druk, beleven dat als de noodzaak alles zelf te moeten oppakken en oplossen. Zo ontstaat er ook weinig aanleiding en tijd voor dingen als team teaching en andere vormen van samenwerking rond het vak, bij curriculumontwikkeling en dergelijke.”

Hier ligt dan een opdracht voor de lerarenopleidingen, toch? Zij zouden de aspirant-docenten moeten vormen die wel aan zulke samenwerking hechten en zich dat daar aangeleerd hebben. Hoe ziet u hun taak daarbij?

Monserrat Gomendio: “Zij moeten die houding zeker zien te ontwikkelen. Het is een werkwijze die ook in de opleidingen van het begin gevormd moet worden. Zij moeten – net als de leraren zelf trouwens – de professie minder als een routinefunctie zien.

Daar komt bij dat voor de arbeidsmarkt en het LevenLangLeren van de toekomst de horizontale skills aan belang toenemen. Die moeten leraren helpen vormen en overbrengen, ook binnen de eigen professie. Het gaat dan op problemen oplossen, kritisch denken, teamwork, onderzoeksvaardigheden, dat soort dingen. Cognitieve en niet-cognitieve skills in een nieuwe balans, dat is een hele uitdaging. Voor jonge docenten, maar zeker voor de al lang functionerende leraren die zich dit ook eigen zullen moeten maken.

Jet Bussemaker: “Die balans vind ik een interessant punt van aandacht uit deze review. We hebben de instroomeisen voor de Pabo’s verhoogd en de instroom is er door gedaald. Ik ben dus zeer benieuwd of nu ook de uitval binnen die kleinere groep veel minder zal zijn.

Wat mij trof in de analyse is ook dat de OECD noteert, dat de scholen en lerarenopleidingen bij ons veel meer samen zouden kunnen werken. Andere landen zijn hier duidelijk verder, intensiever mee bezig. Dat leidt er bijvoorbeeld toe dat de overgang van de opleiding naar de beroepspraktijk, de inductiefase, veel meer stapsgewijs en beter begeleid ingevuld kan worden.

Monserrat Gomendio: “Er vallen in Nederland echt veel jonge mensen uit, in de lerarenopleiding, na hun diploma daar en ook in de beginfase van de praktijk. Daar is zo’n aanpak van meer samenhang en ook meer cohesie in de loopbaanontwikkeling echt van belang.”

Jet Bussemaker: “Dat is meer een zaak van cultuurverandering in de professie en de instellingen. Dat is veel lastiger om te realiseren dan een beleid dat je met een serie maatregelen kunt aanpassen of verbeteren. Dit zijn dingen die we met zijn allen moeten aanpakken, onderwijs, professionele organisaties, besturen en beleid samen.”

Monserrat Gomendio: “Mag ik een voorbeeld geven? Ik was heel recent in Singapore en daar keken we naar hun lerarenbeleid. U weet dat zij een top performer zijn geworden in het onderwijs, dus dat maakt het extra interessant.

Docenten zijn daar zelf vooral lerenden. Deel van hun vak is permanente deelname aan allerlei routes van vorming en verdieping die gericht zijn op heel verschillende rollen. Soms gericht op de vorming tot master teacher, soms tot leraar van leraren. Maar ook bijdragen aan onderzoek van het onderwijs en vorming tot medewerker op het onderwijsministerie of bij curriculumontwikkelingen zijn het doel van zulke routes.

De tijd die zij hier gezamenlijk in steken is ruim bemeten. Men staat zeventien uur per week voor de klas. Dan kun je dus moeilijk als enige docent daarin functioneren. Dit is natuurlijk kostbaar, maar de trade off is ook duidelijk. De klassen in de scholen zijn groot, maar de aandacht voor de leerlingen is wel meer divers, verdeeld over verschillende leraren.”


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK