Weer een database voor leraren?

Analyse | de redactie
25 oktober 2017 | Hebben de nieuwe varianten van de lerarenopleiding een positief effect op de onderwijskwaliteit? En waarom besluit een afgestudeerde leraar om wel of niet voor het leraarschap te kiezen, en ligt dat aan de opleiding, de arbeidsmarkt of iets aan anders? De gegevens om dit te monitoren zijn er maar niet iedereen zit te wachten op weer een database.
(foto: Michael Mandiberg)

“De vraag blijft in hoeverre het onderwijs dat startende leraren geven daadwerkelijk aan het verbeteren is,” stelt het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA). Zij deed in opdracht van het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO) een verkennend onderzoek naar welke data waar voorhanden is en hoe wenselijk het is om deze informatie samen te brengen in een centrale database.

De laatste jaren zijn er verschillende nieuwe vormen van de lerarenopleiding bijgekomen, waaronder de tweejarige master of de bijzondere tweedegraads bevoegdheid in het wo. Het NRO vraagt zich dan ook af hoe afgestudeerde leraren zich door de arbeidsmarkt bewegen, op korte en lange termijn, en of dit samenhangt met het type opleiding.

De informatie is er

Over de beschikbaarheid is het ROA duidelijk: de informatie is er. Zo hebben CBS en DUO een veelheid aan informatie beschikbaar die voor onderzoeksdoeleinden door derden gebruikt mag worden. Ook is er onder meer bij de hbo-monitor, hebben de lerarenopleidingen zelf informatie over alumni en is er via het project Begeleiding Startende Leraren veel informatie beschikbaar.

Het ROA noemt ook het Lerarenregister als een interessant instrument voor een mogelijke database, maar ziet ook dat dit iets voor de lange termijn is. Het register “kan in ieder geval in de komende jaren niet benut worden voor onderzoek. De datastructuur van het register leent zich hier nog niet voor en is hier in principe ook niet voor bedoeld.”

Hoewel het dus mogelijk is om een database in te richten, constateert het ROA in het onderzoek dat er in het onderwijsveld nogal wat scepsis is. Het ROA sprak met representanten van het Landelijk Overleg Lerarenopleidingen Basisonderwijs (LOBO) en het Algemeen Directeurenoverleg Educatieve Faculteiten (ADEF). Zij zien beiden geen duidelijke meerwaarde in een database. “De kwaliteit van de opleidingen wordt reeds geborgd door het accreditatiestelsel, en ook in de eigen kennisbehoeften wordt voor een belangrijk deel reeds voorzien.”

Doelstelling van het NRO, zo legt directeur Jelle Kaldewaij uit aan ScienceGuide, is om de data die nu voorhanden is te gebruiken om over meerdere jaren de bewegingen van afgestudeerden te volgen. Zo hoopt hij de langetermijn effecten op landelijk niveau te kunnen zien, op een wijze die individuele belangen overstijgt en incidentpolitiek te voorkomen.

“Af en toe komen die lerarenopleidingen weer in het nieuws. Dan schrijft bijvoorbeeld een student dat het afgelopen moet zijn met zijn lerarenopleiding. De politiek vraagt dan gelijk hoe het zit met de kwaliteit en dan moet er een onderzoek komen. Dat vind dan plaats maar wel heel erg ad hoc. Wij willen het over meerdere jaren volgen. Want als je een opleiding verandert, dan duurt het nog enige jaren voordat je ziet wat het effect ervan is.”

Aarzeling bij opleiders

De ondervraagden stellen dat onderzoek naar kwaliteit van leraren door middel een database-analyse “als uitermate complex of zelfs vrijwel onmogelijk wordt beschouwd. Met name bestaat er de zorg dat er al snel naar de lerarenopleidingen zal worden gewezen als schuldige voor de eventuele mindere ‘kwaliteit’ van bepaalde leraren.”

Kaldewaij begrijpt die aarzeling bij lerarenopleiders wel, vooral de vrees voor een cultuur waarin opleidingen de maat genomen zou kunnen worden. “Zij zien daar wel allerlei bedreigingen, wat ik me ook goed kan voorstellen, als het gekoppeld wordt aan een individuele opleiding.”

Dat is volgens hem niet de bedoeling. Ook ziet hij grote voordelen die een centrale database kan opleveren. “Wat mijn ideaal zou zijn is dat je op een gegeven moment ook vragen kunt onderzoeken zoals: als je nou een bepaald alternatief probeert – bijvoorbeeld de tweejarige master die nu in is – werkt dat nou? Wat voor effect heeft dat op de beginnende leraar, blijft die dan langer in het onderwijs of juist niet?”

Dit onderzoek ziet hij als een eerste stap: “We zijn dus nu nog echt in het beginstadium aan het verkennen met lerarenopleidingen: zien zij dit nu zitten en hebben zij het gevoel dat ze daar niet te zeer door bedreigd worden.”

Goede afspraken nodig

Hoewel sommige opleiders sceptisch zijn, kijkt men bij de universitaire lerarenopleidingen positiever naar het idee van een database. “Een dergelijk onderzoeksbestand zou volgens hen bijvoorbeeld meer inzicht kunnen bieden in de mogelijke effecten van verschillen in (het curriculum van) lerarenopleidingen op de kwaliteit van leraren tijdens hun loopbaan.” De geïnterviewden stellen wel dat er bij de totstandkoming van zo’n database goede afspraken gemaakt dienen te worden over privacybescherming.

Bij OCW en de Onderwijsinspectie ziet men de ontwikkelingen van een centrale database wel zitten. “Er worden weliswaar de nodige kanttekeningen gemaakt, bijvoorbeeld over het gebruik van registerbestanden vanwege de vertragingsfactor (dergelijke bestanden zijn niet actueel) en over de soms moeizame ervaringen met het CBS, maar in algemene zin wordt een database als nuttig gezien.”


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK