Wat komt er in de wetenschapsbrief van Ingrid van Engelshoven?

Verslag | door Sicco de Knecht
4 oktober 2018 | Voor de Kerst moet hij er zijn: de wetenschapsbrief van minister Van Engelshoven. Maandag maakte zij een lange dag langs wetenschappers en beleidsmakers eindigend in het Amsterdamse wetenschapsmuseum NEMO.
Minister Van Engelshoven bezoekt op Oerol de installatie ‘We We Have Never Been Modern’ van kunstenaarsduo Lotte van den Berg en Daan ’t Sas – Foto: Rijksoverheid

“Ik heb de Kamer beloofd dat dit een hele mooie brief gaat worden,” vertelt Van Engelshoven de zaal met rond de vijftig onderzoekers, bestuurders, en vertegenwoordigers van fondsen, koepels en ook musea en andere publieke kennisinstellingen. “Wat ik vanavond op wil halen is wat de dilemma’s en de vragen zijn die in deze brief geadresseerd moeten worden.” Op de vraag welke opties er nog open zijn zegt de minister: “Ik ga dit gesprek vrij open tegemoet.”

De centrale vraag waar de avond mee geopend wordt is wat de waarde van wetenschap is voor de samenleving. Na een ronde waarin de aanwezigen elkaar aan de hand van een zelf ingebracht voorbeeld – vaak hun eigen – moeten overtuigen van de waarde van wetenschap wordt er in een grote kring verder gesproken. Daarbij komt steeds de vraag terug hoe ervoor gezorgd kan worden hoe wetenschap kan bijdragen aan de samenleving.

Maatschappelijke waarde door samenwerking

Het sleutelwoord van de avond lijkt samenwerking te zijn, wat zich vertaalt naar de vraag hoe samenwerking tussen onderzoekers en met maatschappelijke partners en bedrijven kan worden gestimuleerd. Alhoewel er volgens iedereen steeds meer samen wordt gewerkt tussen disciplines en tussen hogescholen en universiteiten, gaat dit niet vanzelf. “Individuen die elkaar goed liggen zowel inhoudelijk als sociaal weten elkaar te vinden,” vertelt lector Didi Griffioen (HvA), “maar op structureel niveau is dat een stuk minder.”

Hoogleraar Dave Blank (UTwente) werd recent aangesteld als wetenschappelijk adviseur bij hogeschool Saxion. Hij ziet genoeg reden om samenwerking tussen universiteiten, hogescholen en het bedrijfsleven te stimuleren. “Als ik kijk naar de rijkheid van lectoraten aan hogescholen en wat studenten daar allemaal kunnen dan zie ik talloze mogelijkheden om fundamentele kennis om te zetten in toepassingen waar ook het bedrijfsleven op afkomt. Maar als we dat willen moeten we er wel in investeren.”

Volgens gedragspyscholoog Daniel Lakens (TU/e) hebben wetenschappelijke samenwerkingen in de eerste plaats meerwaarde voor de kwaliteit van onderzoek, en zien wetenschappers dat zelf ook. “Wij zitten nu met ons lab in een samenwerkingsverband van 350 labs over de hele wereld. In ons veld is dat ook nodig om goed en representatief onderzoek te kunnen doen. Maar die samenwerkingen doen die mensen vaak ‘naast’ hun eigen onderzoek.”

"Tegenwoordig wordt er in de wetenschap veel te individueel beloond. Samenwerking gaat daardoor niet vanzelf goed komen.”
Daniël Lakens (TU/e)

De drang naar samenwerking en verbetering zit volgens Lakens al in de onderzoekers zelf ingebakken, maar wordt momenteel beperkt. “Als je samenwerking wilt bereiken dan zal je daar beleid op moeten ontwikkelen. Nu is er geen plek voor in de financiering van onderzoek, maar dat zou je van bovenaf wel degelijk kunnen stimuleren. Tegenwoordig wordt er in de wetenschap veel te individueel beloond, en die samenwerking gaat daardoor niet vanzelf goedkomen.”

Zit men wel op ons te wachten?

“Ik zit me te verwonderen over het beeld dat geschetst wordt over de samenwerking tussen maatschappelijke organisaties en de wetenschap,” reageert gedragspsycholoog en voorzitter van De Jonge Akademie (DJA) Belle Derks na enige tijd geluisterd te hebben naar de discussie. “Ik denk dat heel veel van het onderzoek dat wij in ons vakgebied doen het type onderzoek is waar organisaties helemaal niet op zitten te wachten.”

“Ze horen liever niet van ons dat er ethische problemen zitten aan het feit dat hun organisatie helemaal niet divers is,” vervolgt Derks. “Natuurlijk kunnen we ze dan proberen te verleiden, en ze de business case vertellen achter diversiteit. Maar uiteindelijk is het voor de alfa- en gammawetenschappen erg moeilijk om die cofinanciering, ofwel de 10% bij de Nationale Wetenschapsagenda te krijgen.”

Derks is niet de enige zich deze avond niet per se wil scharen achter de premisse van de vraagstelling hoe wetenschap kan bijdragen aan de samenleving. Na enige tijd mengt ook Amsterdam UMC hoogleraar en DJA-lid Sjoerd Repping zich in de discussie: “Volgens mij is het echt een probleem dat deze vraag hier überhaupt gesteld wordt. Als wij hier moeten uitleggen wat de waarde van de wetenschap voor de samenleving is, dan is dát het probleem.”

“We hebben blijkbaar een wereld gecreëerd waarin we elkaar kapot concurreren voor beperkt geld van NWO, die dan vervolgens probeert bij de minister nog meer geld voor elkaar te krijgen zodat we daarover nog meer kunnen concurreren.” Volgens Repping moet de vraagstelling drastisch worden aangepast. “Liever had je gevraagd hoe we de maatschappij zo ver krijgen te beseffen dat kennis de manier van vooruitgang is, en wetenschap een manier om kennis te verzamelen. In een samenleving waarin kennis niet meer zo belangrijk is als we denken dat het is, gaan we blijkbaar dit soort vragen stellen.”

"Als wij hier moeten uitleggen wat de waarde van de wetenschap voor de samenleving is, dan is dát het probleem.”
Sjoerd Repping - Amsterdam UMC

Voorzitter Stan Gielen van NWO zit een rij voor Repping en op een goed moment wordt de (impliciete) kritiek op zijn organisatie NWO en de Nationale Wetenschapsagenda het hem te gortig. “We hebben extra geld gekregen van de overheid en dan gaan we er moeilijk over doen. Laten we gewoon blij zijn dat we wat extra middelen hebben.”

“Ik denk dat de NWA precies gaat doen wat hier vandaag gezegd wordt. De NWA is opgezet om onderzoekers van verschillende disciplines bij elkaar te brengen om maatschappelijke uitdagingen aan te gaan.” Gielen voegt daaraan toe dat hij niet gelooft in strenge coördinatie van bovenaf. “Als ik als voorzitter van NWO ga vertellen hoe het moet dan gaat het niet werken. Wetenschappers moeten elkaar vinden. Ik denk juist dat de NWA een lokkertje is om die uitdaging aan te gaan.”

Vertrouwen in de wetenschap

Het lijkt inmiddels ook vaste prik geworden dat er tijdens bijeenkomsten over wetenschapsbeleid met zorg gesproken wordt over het vertrouwen in de wetenschap. De wonden die geslagen zijn door de eerste twee jaar Trump, en heftige Kamerdebatten over de waarde van verschillende wetenschapsgebieden blijken diep te zijn, en maken wetenschappers onzeker. Opvallend vaak komt in dergelijke gesprekken de uitspraak ‘wetenschap is niet maar gewoon een mening’ voorbij maar de vraag rijst deze avond hoe groot dit probleem nu echt is.

Interview met wetenschapsfilosoof Jerome Ravetz over het kwaliteitsprobleem in de wetenschap

Voor een afname in het vertrouwen in de vaderlandse wetenschap is in ieder geval amper bewijs. Onlangs publiceerde het Rathenau Instituut de nieuwste editie van hun driejaarlijkse onderzoek naar het vertrouwen in de wetenschap. “Gelukkig hebben we nieuwe onderzoeksresultaten die laten zien dat wetenschappers meer dan welke beroepsgroep ook vertrouwd worden,” zegt directeur Melanie Peters van het Rathenau Instituut. “Ook de bronnen die mensen waarderen zijn nog steeds de huisarts en het RIVM.”

Geen reden tot paniek dus. Maar er zijn wel ontwikkelingen. “De samenleving verwacht wel steeds meer van de wetenschap,” zegt Peters die erop wijst dat het beheersen van de verwachtingen een van de grootste uitdagingen is. “Ik denk dat het belangrijk is om daar uit te leggen dat je kunt beginnen met maatschappelijke vragen maar dat die ook weer leiden tot fundamentele vragen. En dat die elkaar helemaal niet uitsluiten.”

Wie is je publiek?

Uitleggen is een werkwoord dat erg vaak langskomt op deze avond. Vele aanwezigen benadrukken hoe belangrijk het is om ‘de maatschappij’ uit te leggen wat de relevantie is van wetenschap en dat je hier al vroeg mee moet beginnen. Luisterend naar de discussie lijken het onderwijs en musea hiervoor de aangewezen plek, een boodschap die er in als zoete koek ingaat bij de aanwezigen.

Een oud-directeur van een wetenschapsmuseum maakt daar wel de volgende kanttekening bij. “De wetenschap is een succesverhaal, tenminste zo wordt het vaak gebracht. Het is natuurlijk veel interessanter om wetenschap ook te presenteren in een museum zoals het werkelijk gaat.” Het informeren van het bredere publiek dat de wetenschap vol zit met verkeerde afslagen en doodlopende straten zou daarbij een veel prominentere rol moeten krijgen. “Je moet er eerlijk en open over vertellen.”

Toch blijft het onderwijs zelf de primaire plek waar het eerlijke verhaal over wetenschap moet worden verteld benadrukt Didi Griffioen. “Als we het hebben over het opleiden van de bevolking over hoe om moeten gaan met kennis die via de wetenschap vergaard is, moeten we dan niet in het onderwijs beginnen?” De vraag stellen lijkt hetzelfde te zijn als hem beantwoorden op deze avond.

Het belang van de wetenschap moet dan in de eerste plaats in het onderwijs benadrukt worden, maar hoe komen onderzoeksbevindingen bij het bredere publiek. Natuurkundige en maker van de Road to Open Science podcast Sanli Faez (Universiteit Utrecht) vindt dat er te weinig onderscheid wordt gemaakt in doelgroepen. “Als wij denken aan ‘het bredere publiek’ dan denken we vaak aan de ‘gewone burger’. Volgens mij is dat een stap te ver.”

“Als wij denken aan ‘het bredere publiek’ dan denken we vaak aan de ‘gewone burger’. Volgens mij is dat een stap te ver.”
Sanli Faez - Universiteit Utrecht

“Bij open science moet je niet willen proberen de wetenschappelijke inzichten gelijk naar het ‘normale’ publiek te trekken.” Volgens Faez is ook andere publiek zoals artsen of journalisten, relevant voor de wetenschap. Daarin krijgt hij bijval uit de zaal van een vertegenwoordiger uit de medische sector die als voorbeeld noemt dat het traject van een wetenschappelijke bevinding er gemiddeld zeventien jaar over doet voordat het de praktijk bereikt.

Onderlinge competitie in de wetenschap is te dominant geworden

Een avond met veel input dus, maar wat gaat er nu in die brief komen? Aan het einde van het programma kan de minister daar wel een tipje van de sluier over oplichten. Gegrepen door de vraag of wetenschap zijn waarde wel moet willen aantonen aan de samenleving is zij ongeacht de input nog steeds van mening dat er een urgente taak ligt om aan het vertrouwen in de wetenschap te werken. “In een tijd waarin wetenschap wordt afgeschilderd als ook maar een mening door sommigen wordt het des te gevaarlijker als mensen ook een onbetwistbare mening hebben. Ook als het gaat om meningsvorming moet je mensen van jongs af aan leren dat je je mening ook ter discussie moet kunnen stellen.”

Ook het thema samenwerking zal terugkomen in de brief stelt Van Engelshoven. “We hebben de wissels ook niet zo staan dat ze samenwerking altijd bevorderen. Wat ik opmerkelijk vind is dat als je doorvraagt dat het een intern probleem is in de wetenschappelijke cultuur.” Daarmee doelt zij op wat haar eerder die dag is toegelicht als de ‘h-factor’, de onderlinge competitie in de wetenschap die te dominant is geworden volgens velen. “Daar heeft Den Haag het voor de verandering eens niet gedaan.”

“Als het gaat om impact van de wetenschap dan moet dat over meer gaan dan kennis die puur economisch te waarderen is. We moeten een brede notie van impact hebben en die notie deel ik ook zeer. Je hebt zelden onderzoek dat mislukt, want ook dat levert altijd inzichten op. Daarom is het van belang dat er ruimte blijft voor fundamenteel onderzoek. Ook daarin ‘mislukken’ levert ons belangrijke inzichten op.”


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK