Op het verkeerde been: de middenbanen zijn een blijvertje

De voorspelde werkloosheid door robotisering blijft vooralsnog uit

Opinie | door Marc Van der Meer & Ruud Baarda
19 september 2019 | Robotisering zou veel banen in het middenkader doen verdwijnen, maar voorlopig komen veel voorspellingen niet uit. Er is daarom behoefte aan een meer gerichte lange termijn agenda met scherper zicht op de veranderingen die feitelijk gaande zijn in werkorganisaties, zeggen Marc van der Meer en Ruud Baarda. Volgens hen is een aanpassing van het leerplan in het mbo gewenst.

In het hoger onderwijs heeft de Commissie Van Rijn een vergaande (en omstreden) herschikking van de middelen voorgesteld ten faveure van het technisch onderwijs. Ook in het middelbaar beroepsonderwijs wordt een vergelijkbare discussie gevoerd, met name in termen van de macrodoelmatigheid van opleidingen. De minister heeft daarover op 2 september een laatste overzicht naar de Tweede Kamer gestuurd. Het gaat hier ook om de toekomst van het (mogelijk verdwijnen van het) middenkader op de arbeidsmarkt. Voorlopig komen veel voorspellingen niet uit en gaat het boven verwachting goed met de arbeidsmarkt voor mbo-ers.

De internationale economische crisis na de val van Lehman Brothers in 2008 heeft geleid tot een sterke herziening in de economische structuur en de arbeidsmarkt. Daarmee gaat de vraag gepaard welke aanpassingen nodig zijn in het onderwijs. De afgelopen periode zijn verschillende verstrekkende studies gepubliceerd over het verdwijnen van de banen op het middenniveau van de arbeidsmarkt. Vooral in de Verenigde Staten zijn er omvangrijke empirische studies beschikbaar gekomen over de ontwikkeling van banen in de middenklasse. Concreet luidt de voorspelling dat 47% van de banen in 700 nader gedefinieerde (midden)beroepen zou kunnen verdwijnen.

Minister Asscher schetste een gitzwart beeld

Ook in Nederland zijn tijdens de ‘grote crisis’ veel banen verdwenen en is de jeugdwerkloosheid hoog opgelopen. In 2014 schetste voormalig vicepremier Asscher een denkoefening met een gitzwart beeld van de arbeidsmarkt: we kunnen niet uitsluiten dat door technologische werkloosheid alle banen verdwijnen. Deze boodschap is in varianten talloze malen herhaald. Volgens Deloitte (2016) volgen 286.000 studenten een opleiding tot werk dat mogelijk wegens robotisering verdwijnt. In het mbo is dat risico het grootst. En hoogleraar Jouke van Dijk en MBO-bestuurder Wim van de Pol stelden in NRC Handelsblad: ‘die 500.000 banen komen niet meer terug’.

Vooralsnog zijn deze bevindingen volledig gelogenstraft: er is een groot tekort aan vaklieden op mbo-niveau in vrijwel alle sectoren, niet alleen in de techniek maar ook in de zorg, de bouw, de horeca en in de veiligheidssectoren zijn er vacatures alom. Om dit lastige dilemma van baanverlies door automatisering en banengroei door nieuw ondernemerschap op te lossen zijn andere interventies nodig dan worden gebruikt in het publieke debat. Daartoe ordenen we enkele internationale studies, het Nederlandse materiaal en kijken we terzijde naar de actuele voorbeelden van schoenmakers en artiesten in de mbo-wereld.

Eerst het internationale onderzoek, waaruit blijkt dat er banen verdwijnen maar ook banen bijkomen. Volgens cijfers van McKinsey (uit maart 2018) voor Nederland is er tot 2030 dankzij digitalisering per saldo sprake van een kleine groei van de werkgelegenheid. Van groter belang is dat deeltaken worden geautomatiseerd in zeker de helft van alle banen. Het ‘Zentrum für Europäische Wirtschaftsforschung’ constateert in ‘Digitalisierung und die Zukunft der Arbeit’ (2018) dat het aantal banen in Duitsland door digitalisering van 1995-2016 licht is toegenomen en ook voor de periode 2016-2021 wordt in verschillende scenario’s een groei van 0,4% verwacht.

Volgens ‘Occupational change in Europe’ van Daniel Oesch (2013), en in zijn latere publicaties, is er de laatste twintig jaar in de Europese landen (Denemarken, Duitsland, Engeland, Spanje en Zwitserland) sprake geweest van een opwaartse technologische ontwikkeling, en is er van de algemene erosie van middenbanen zoals de Amerikaanse literatuur ons wil doen geloven, geen sprake.

De automatisering en digitalisering leidt natuurlijk wel tot verandering in de inhoud van beroepen. In ‘The second machine age’ stellen Brynjolfsson en McAfee (MIT, 2014) dat computers niet alleen het handelen overnemen, maar ook het denken. Dit zou voor Nederland betekenen dat de niet-routinematige arbeid in omvang stijgt, terwijl de routinematige arbeid (dat is waar de meeste mbo-kwalificatiedossiers betrekking op hebben) in omvang daalt.

In de Nederlandse editie van de MIT-studie, ‘De Robot de baas’ (WRR, 2015), wordt duidelijk dat de innovatiecyclus versnelt en dat er samenwerking nodig is tussen bedrijven, onderwijs en onderzoek. Maar innovatie gaat niet vanzelf, en toepassingen – zeker op mbo-niveau – vragen om exploratietijd, begeleiding en geld. Overigens hoeft niet iedereen met artificiële intelligentie te werken, er zijn ook uitvoerende taken die op deeltaken gradueel veranderen.

Hieruit ontstaat het beeld dat er een beperkt aantal vooroplopende bedrijven is en een veel grotere groep volgers. Dat volgt ook uit de eerder genoemde ZEW-studie, bij 18% van de Duitse bedrijven is de zogenoemde ‘Industrie 4.0-technologie’ volledig geïntegreerd (p.30). Of neem de robots in de zorg. De robots zorgen ervoor dat bepaalde deeltaken meer geautomatiseerd verlopen, terwijl in onze vergrijzende samenleving dit beroep als geheel zeker niet zomaar verdwijnt.

Verdwijnt werkgelegenheid uit het middensegment?

Terug naar de arbeidsmarktliteratuur. Het al of niet verdwijnen van beroepen in het middensegment wordt ook op een andere wijze geanalyseerd. Verschillende onderzoeken geven aan dat er sprake lijkt te zijn van polarisatie op de arbeidsmarkt, al verschillen de gegevens sterk per sector. Paul de Beer stelde in zijn boek over meritocratie uit 2016 al dat dit complexe materie betreft: zijn middenbanen immers hetzelfde als mbo-banen?

Zeker is dat laagopgeleiden gemiddeld een meer kwetsbare positie op de arbeidsmarkt hebben dan middelbaar of hoogopgeleiden. Ze zijn vaker werkloos en werken vaker in laagbetaalde of onzekere banen. In het rapport ‘De onderkant van de arbeidsmarkt in 2025’ uit 2015 constateren CPB en SCP dat de afstand op de arbeidsmarkt tussen laag- en hoogopgeleiden de afgelopen jaren is toegenomen. Bijvoorbeeld doordat de vraag naar arbeid van laagopgeleiden afnam door automatisering, robotisering en verplaatsing van werk naar lagelonenlanden. Ze beschikken niet over de kennis en vaardigheden die nodig zijn voor veelgevraagde en goedbetaalde banen. De lager opgeleiden kennen de meeste baanonzekerheid en zijn vaker flexwerker. Middelbaar opgeleiden die zelf in het nauw zitten door hoger opgeleiden bedreigen op hun beurt zelf de lager opgeleiden. Het is ook geen geheim dat voor deze groep minder geïnvesteerd wordt in om- en bijscholing.

In de onderstaande tabel schetsen we de ontwikkeling van mbo-banen in de arbeidsmarkt. Het opleidingsniveau van de werkende beroepsbevolking vertoont een duidelijk patroon: op het hoogste niveau (hbo en wo-bachelor en master) is sprake van sterke groei. En op het laagste niveau de grootste krimp (basisonderwijs tot en met mbo-1). Het mbo-niveau zit daar tussenin. Als we kijken naar twee jaren met een gunstige conjunctuur, 2003 en 2019, dan constateren we dat het mbo-aantal sinds 2003 toch in omvang is gegroeid. Bovendien zien we dat banen waar niveau-4 wordt gevraagd sterker zijn toegenomen, ten opzichte van niveau 2-3.

Bron: CBS

Als het gaat om prognoses, is het ROA (2017) in zijn monitoring naar de toekomst van ‘opleiding en beroep in 2022’ dan ook heel wat voorzichtiger dan de Amerikaanse studies. De verwachting is dat de werkgelegenheid op mbo-niveau tot 2022 met 1% zal groeien, met een daling voor mbo-economie (de krimp in de financiële sector) en een lichte stijging (0,1%) voor mbo-techniek. Deze netto-stabiliteit betekent in de praktijk dat er heel wat banen verdwijnen, maar ook dat er nieuwe banen voor terugkomen, bijvoorbeeld applicatie­ontwikkelaars en nieuwe commerciële functies. Ook verwacht ROA een groei van het aantal banen in mbo-beroepen als transportplanner, bouwpersoneel, procestechnici en callcentermedewerker. In de technische sectoren is sprake van wat Andries de Grip wel eens de ‘hbo-isering van de vakarbeid’ heeft genoemd.

Afgezien van het aantal banen kunnen we ook naar de beloning kijken. Volgens de surveys naar schoolverlaters was er tijdens de crisis sprake van dalende startsalarissen, momenteel stijgen de lonen weer. Overigens is in veel branches met mbo-beroepen, zoals bij chauffeurs en logistiek medewerkers, automonteurs, metaalbewerkers en installateurs, en koks en gastheer/gastvrouw de salariëring vastgelegd in een cao. Dat heeft een dempend effect op snelle veranderingen van het loonniveau. Ten slotte kan de aantekening worden gemaakt dat voor alle startende jongeren (in algemene zin, op alle scholingsniveaus) de lasten om zelfstandig een eigen leven (hypotheek, relatie, huisvesting) op te bouwen aanzienlijk zijn. De SER (2019) heeft de zorgen van de Millennials onlangs nog eens breed uit gemeten.

Voorbeelden van enkele kleinere beroepen

De innovatie-dynamiek krijgt ook bij allerlei kleine beroepen op uiteenlopende wijze vorm, die in het brandpunt van de aandacht staan. De branches orthopedische schoentechniek en orthopedische techniek hebben een opleidingsvariant ontwikkeld, die als alternatief voor en aanvulling op de bestaande mbo- en hbo-opleidingen kan gelden. Het gaat om 125 kleine en ambachtelijke bedrijven met ongeveer 3.000 medewerkers in de paskamer, werkplaats en receptie/ administratie.

Al in 2012 werd in de branche ontevredenheid geuit over met name de kwaliteit van de beroepsopleidingen. Men was niet te spreken over de veralgemenisering van het onderwijs (vakken als Nederlands, rekenen/wiskunde, Engels en loopbaan & burgerschap), terwijl de beroepsspecifieke aspecten tijdens de schooldagen steeds minder aan bod kwamen. Ook vanuit de gezondheidssector kwamen er extra eisen voor schoenorthopeden. De branche wil daarom regie voeren over de vakinhoud en het hoogwaardig vakmanschap beschermen. Ook recent speelt de vraag of voor het gevraagde werk een mbo of hbo-opleiding voldoet. Een flink deel van de bedrijven geeft aan orthopedisch schoenmakers te willen op mbo-niveau. Mede op grond hiervan is de mbo-opleiding doorgelicht en op enkele cruciale onderdelen verbeterd.

Een ander actueel voorbeeld betreft de wereld van de artiesten-opleidingen op mbo-niveau. Onder het label ‘artiest’ vallen verschillende specialisaties: podiumkunst en uitvoerend artiest in dans, musical, muziek en toneel. In de sector zijn enkele erkende merknamen zoals de Frank Sanders-Academie en de Herman Brood-Academie. Daarnaast zijn er enkele grotere opleidingen. Het totale aantal studenten was gegroeid van 400 (2005) naar 3000 (2016), maar -als je het nulpunt anders neemt- ook van 2812 (2010) naar 2989 (2017) (op een totaal van 485.000). De Commissie-Leijnse voor Macrodoelmatigheid heeft zich over deze groei kritisch uitgelaten en zelfs gesteld dat alle artiesten-opleidingen beëindigd moeten worden. De mbo-sector heeft vervolgens een procedure voor zelfregulering en vermindering van het aantal studenten voorgesteld, waar de minister mee lijkt in te stemmen Zie de brief van 2 september 2019. . Een belangrijk aspect hierbinnen is dat deze beroepen relatief vaak door zzp-ers worden uitgevoerd. Hierop komen we hieronder nog terug.

"Nu de economie weer is aangetrokken, doen zich bovendien overal vacatures voor op het middenniveau, met een diploma vindt iedereen werk."

Voor het mbo zijn de onderliggende trends van flexibilisering van de arbeid en de upgrading van taken en functies van de allergrootste betekenis. Er bestaat daarbij inmiddels een omvangrijke literatuur over de ‘erosie’ van het middenveld. Bijvoorbeeld in de WRR-studie over de middenklasse (2017) wordt gewezen op de afgenomen waarde van een middelbare opleiding, het verdwijnen van routinematige administratieve functies en de groei van laagbetaalde dienstenbanen, en een afkalvend middensegment uitgaande van markt- of bruto-inkomens.

Achter de statistieken gaat echter een sterke mate van informatie-asymmetrie schuil, die gemakkelijk leidt tot onvolledige inzichten. Men citeert gretig de Amerikaanse statistieken waar vakmanschap op een ‘smalle’ wijze wordt gedefinieerd, terwijl in Nederland en andere continentale West-Europese landen sprake is van ‘breed’ vakmanschap, met aandacht kennis, vaardigheden en attitude. Ook zien we in de statistieken wel de grote ontslagrondes terug, maar niet de startups en het zelfstandig ondernemerschap van recente alumni. Nu de economie weer is aangetrokken, doen zich bovendien overal vacatures voor op het middenniveau, met een diploma vindt iedereen werk. Het aantal banen in Nederland is in 2019 tot het hoogste niveau ooit gegroeid. Om vacatures te vervullen, moeten bedrijven niet zelden noodgedwongen een beroep doen op internationale vakkrachten.

Hadden we dit kunnen weten?

Tien jaar geleden -aan de vooravond van de economische crisis- stelde de toenmalige Commissie Bakker in zijn rapport ‘Naar een toekomst die werkt’ (2008) dat gezien de demografische structuur van onze beroepsbevolking veel ervaren vakmensen de arbeidsmarkt zouden gaan verlaten. Die voorspelling is -enigszins verlaat door de bankencrisis en door de verhoging van de pensioenleeftijd- wel degelijk uitgekomen. Maar we investeren te weinig in goede gegevens en te weinig in de gerichte vernieuwing van opleidingen. In een recent Manifest voor ‘Onderzoek in het mbo’ verbazen collega-onderzoekers zich erover dat er geen tijd meer is om in branches een zorgvuldige arbeidsmarktverkenning te doen.

Om een voorbeeld te geven: het UWV heeft ‘Hoe werven bedrijven’ met veel informatie over baanconcurrentie bijvoorbeeld sterk afgeslankt sinds 2015. Wat vandaag en vogue is zijn studies die laten zien hoe gemakkelijk werkenden intersectoraal kunnen aansluiten. Door databestanden te koppelen kan worden aangetoond dat in beroepen vaardigheden worden ontwikkeld die ook in andere beroepen beschikbaar zijn. Dat is onmiskenbaar een enorme vooruitgang van het arbeidsmarktonderzoek, maar het is de vraag of het onderwijs helpt verstandige afwegingen te maken in het opleidingsaanbod en in de inhoud van het leerplan.

Neem nog even het voorbeeld van de doelmatigheid van artiesten. Het vergaande advies van de CMMBO is gebaseerd op twee studies, een kwantitatief onderzoek van het ROA en een kwalitatief van de Hogeschool van Rotterdam. Het gaat daarbij om de vraag hoe groot de arbeidsmarktkansen zijn? Die arbeidsmarktkansen zijn geanalyseerd in de periode 2014-2015, net na het dieptepunt van de economische recessie. De opleiding artiest voldeed inderdaad net niet aan de politieke beleidsregel (66% in plaats van 70% vindt werk, wel vindt 50% werk op niveau). Echter, in de onderliggende studies had men nagelaten in detail te kijken naar de sterke ontwikkeling van het zelfstandig ondernemerschap in deze sectoren Overigens constateerde de Hogeschool Rotterdam dat gesprekspartners ‘geen representatief beeld gaven’. Het ging eerder om ‘een bloemlezing uit een analyse van geventileerde zienswijzen’ (p.55). Wel concludeerde men zonder toelichting dat er sprake is van ‘wildgroei’ aan opleidingen en van ‘kannibalisatie die ten koste gaat van kwaliteit van afzonderlijke, bestaande opleidingen’ (p.59). . Er was feitelijk geen onderbouwing van de studiekeuze en loopbaan van deze studenten. Waar komen ze vandaan, waarom studeren ze wat ze studeren, hoe ontwikkelen zij zich? Wat is hun beroepsidentiteit? Welke ambities hebben ze? Hadden ze alternatieven? Gaan ze werken of stromen ze door naar het hbo? Terwijl daar juist de sleutels zitten voor sturing en begeleiding van de studenten vanuit de opleidingen. Een benaderingswijze kan vervolgens zijn of schoolverlaters na afloop van de studie uiteindelijk zelfstandig in zijn of haar bestaan kan voorzien Het sociaal minimum in Nederland bedraagt in 2019 ruim 1200 euro bedraagt, het minimumloon 1600 euro per maand .

Naar een andere agenda

Als we de arbeidsmarktstudies overzien is er geen twijfel dat er grote veranderingen plaatsvinden. De omvangrijkste problemen liggen al met al vooral in het laagste segment van de arbeidsmarkt: daar is de baanonzekerheid het grootst, de lonen het laagst en de (jeugd)werkloosheid het hoogst. Dat is in alle Europese landen zo, en Nederland mag zich gelukkig prijzen dat de uitdagingen hier geringer zijn dan in veel omringende landen. Goed beroepsonderwijs helpt daarbij enorm.

"De politiek moet meer terughoudend zijn in het willen vaststellen van de impact van economische bedrijvigheid voor het beroepsonderwijs."

Het totaal aantal werknemers in beroepen op middelbaar niveau blijft de laatste tien jaar redelijk constant en lijkt de komende jaren niet sterk te veranderen. Hier is wel een proces van upgrading van beroepsvereisten gaande en van flexibilisering in de arbeidsinzet. De arbeidsmarkt is voor deze beroepen volledig voorspelbaar noch maakbaar. Er ontstaat te gemakkelijk het idee dat veralgemenisering van de opleiding hét recept is voor de toekomst. Echter, jongeren die direct uitstromen naar werk hebben belang bij het aanleren van vakinhoudelijke vaardigheden, lees nog maar eens de verkenning ‘De toekomst van vakmanschap’ van Kohnstamm/ROA (2017) die daar juist voor pleit.

De politiek moet daarom meer terughoudend zijn in het willen vaststellen van de impact van economische bedrijvigheid voor het beroepsonderwijs. Studenten moeten hun beroepsbeeld nog vormen en volgen soms omwegen en zijpaden. Dan helpt het om goede richtingsbordjes te plaatsen. Enkele jaren terug was er crisis in de bouw, nu komen we door het woningtekort en de energietransitie duizenden vakmensen te kort.

Kunnen we de beschikbare arbeidsmarktverkenningen als uitgangpunt voor de inrichting van het leerplan nemen? Dat kan in de huidige situatie alleen als dit wordt verbonden met een inhoudelijke analyse van de vakontwikkeling en de daarbij benodigde kennis en vaardigheden. De algemene ontwikkelingen zijn bekend, maar we kunnen Amerikaans onderzoek niet zondermeer extrapoleren naar de Nederlandse situatie. In Nederland zijn gedetailleerde arbeidsmarktverkenningen schaars geworden, en op basis daarvan kunnen opleidingsteams niet een samenhangend opleidingsprogramma inrichten.

We zijn daarom van mening dat er een andere middellange termijn investeringsagenda van toerusting over de levensloop nodig is, gezien de maatschappelijke opdracht voor het (middelbaar) beroepsonderwijs in het licht van de circulaire economie en de energietransitie, de tekorten in de zorg en het onderwijs, de veranderingen in zakelijke dienstverlening, de groei van digitale technologie over de hele linie, de herpositionering van kleine beroepen, en de krimp in de veiligheidssectoren. Onderdeel van deze agenda is een scherpere analyse waarin duidelijk wordt wat tenminste geleerd moet worden in het initiële onderwijs en hoe mbo-opgeleiden zich vervolgens een positie kunnen verwerven in de Nederlandse samenleving. Het ligt voor de hand dat dit voor mbo-2 anders is dan voor mbo-3 of 4. De minister erkent dit gelukkig nu ook in haar brief van 2 september jl.

Het gaat volgens ons om de uitwisseling tussen arbeidsmarktgegevens en de ontwikkelingsfunctie van het onderwijs in relatie met de branche, de kennis van nieuwe productiemethoden en ontwerp-gericht onderzoek om opleidingen vorm te geven. Het Nederlandse beroepsonderwijs is juist betekenisvol dankzij de drieslag van kennis, vaardigheden en attitude. Technologie kan daarbij behulpzaam zijn: zonder ambachtseconomie is geen kenniseconomie mogelijk. De creativiteit van artiesten, het uithoudingsvermogen van sporters, en het vakmanschap van orthopedisch schoenmakers zijn noodzakelijk in onze economische structuur, ook voor de toekomst van de technische sector en de zorg.

We moeten de discussie over macro-doelmatigheid daarom niet alleen beperken tot een cijfermatige discussie, en ook niet alleen tot het mbo, en in de nieuwe agenda veel beter onderkennen dat bedrijven nieuwe werkwijzen ontwikkelen en ook dat door de demografische teruggang er concurrentie gaande is om schaarse mensen. De ene sector strijdt met de anderen om reputatie en medewerkers op uiteenlopend niveau, terwijl het nieuwe ondernemerschap dat uit het beroepsonderwijs voortkomt het totale potentieel vergroot.

Marc Van der Meer :  Bijzonder hoogleraar Onderwijsarbeidsmarkt

Marc van der Meer is wetenschappelijk adviseur voor de MBO-sector. Hij is bijzonder hoogleraar aan de Tilburg University.

Ruud Baarda :  Organisatieadviseur

Ruud Baarda is onafhankelijk onderzoeker en wetenschappelijk adviseur voor het mbo, beroepsonderwijs en arbeidsmarkt.


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK