Ander extern toezicht beroepsonderwijs

Nieuws | de redactie
5 mei 2017 | Als er meer regie in de regio moet komen om het beroepsonderwijs toekomstbestendig te maken heeft dit ook invloed op hoe het toezicht georganiseerd moet worden. “Vrijwel alle instellingen hebben gaandeweg meerdere stakeholders te bedienen.” Zo stellen Fred de Bruijn en Pieter Huisman van Hobeon.

Onlangs presenteerde de commissie onder leiding van Jolande Sap haar advies aan demissionair minister Jet Bussemaker. Het advies richt zich met name op de afgestudeerde mbo’er en bepleit een persoonlijke ‘leerrekening’ voor iedereen die initieel onderwijs heeft doorlopen. Lerenden kunnen dat geld van een rekening halen die gevuld wordt door de overheid, werkgevers en werknemers.

Instellingen timmeren te veel zelf dicht

Fred de Bruijn en Pieter Huisman van de Hobeon Groep waren het afgelopen jaar onderdeel van het Forum Beroepsonderwijs. “Een eerste Gideonsbende” waarin partijen als het Platform Bèta Techniek, Kennisland en de AWTI zich bogen over de vraag waar toekomstbestendig beroepsonderwijs aan moet voldoen en wat dit betekent voor het overheidstoezicht op kwaliteit.

“Wat wij merken is dat onderwijsinstellingen vaak zeggen dat er zo weinig ruimte is om echt iets te veranderen”, vertelt Huisman. “Terwijl je toch ziet dat instellingen het veelal zelf dichttimmeren. Elke laag in de organisatie zegt weer: aan mij ligt het niet. En ondertussen komen we niet vooruit.”

De Bruijn en Huisman voerden in het kader van het Forum Beroepsonderwijs gesprekken met bestuurders in het mbo en hbo en schreven daarover een artikel. Daarin stellen ze dat er weliswaar genoeg experimenteerruimte is voor het toezicht, maar dat er een ‘cascade van angst’ in organisaties ingebakken zit. “Er is ‘angst’ voor extern toezicht, die intern doorwerkt – en niet zelden ook nog eens wordt uitvergroot! – tot op de werkvloer. Angst om afgerekend te worden.”

Als er echt iets moet veranderen in het beroepsonderwijs dan zal wel degelijk geëxperimenteerd moeten worden. De Bruijn en Huisman constateren twee bewegingen in het beroepsonderwijs. De Bruijn: “Er gebeurt steeds meer decentraal, er wordt meer aan de regio overgelaten. Maar tegengesteld zie je ook steeds meer een cultuur van verantwoording opkomen. Dat bijt elkaar wel.”

Bredere blik op kwaliteitszorg

Hoofdwaarneming van De Bruijn en Huisman is een verbreding op veel verschillende fronten in het beroepsonderwijs. Trajecten variëren van initieel tot post-initieel en maatwerk, er wordt formeel en informeel geleerd en de organisatievormen waarin gewerkt worden zijn steeds divers met de opkomst van Centers of Expertise en Centra voor Innovatief Vakmanschap. In lijn hiermee leidt deze ontwikkeling volgens hen ook naar een verbreed object van kwaliteit en kwaliteitszorg.

Kijkend naar de beroepsopleiding van de toekomst ziet Fred de Bruijn de school vooral als een schakelcentrum om vraag en aanbod bij elkaar te brengen. “Hoe relevant is een fysieke locatie nog? Dat is een voortdurende worsteling, dat een school ook echt een gebouw moet zijn. Het belangrijkste voor het beroepsonderwijs zeker bij leven lang leren is mensen weer aan een baan helpen. De vraagkant staat centraal.”

Die visie lijkt gedeeld te worden door het advies van Jolande Sap. Zij ziet wel iets in de individuele leerrekening. “Deze variant van vraagfinanciering is structureler dan vouchers en beter in staat om de doelgroep te bereiken dan fiscale faciliteiten, terwijl verschillende partijen eraan kunnen bijdragen”, schrijft de commissie.

Pieter Huisman begrijpt die roep om een alternatieve vorm van vouchers om mensen gedurende hun loopbaan de kans tot bijscholing te bieden, maar mist in het advies van de commissie een duidelijke visie op hoe dat er qua toezicht en regelgeving uit moet gaan zien. “Men kiest voor regionalisering, maar heeft het vervolgens over een deltacommissaris met doorzettingsmacht. Dat staat eigenlijk haaks op elkaar.”

Het nut van een deltacommissaris

Jolande Sap roept in haar advies inderdaad de overheid op om een ‘deltacommissaris’ aan te stellen die landelijk stuurt op de uitvoering van het programma ‘Doorleren werkt’. “Hij of zij draagt zorg voor de uitvoering van het deltaprogramma `Doorleren werkt´ dat met het aantreden van het nieuwe kabinet in 2017 van start zou moeten gaan en een doorlooptijd van vier jaar heeft.”

Volgens de commissie moeten “de bestaande budgetten met betrekking tot scholing binnen de overheid, die  nu zijn ondergebracht bij de ministeries van OCW, SZW en EZ, worden gebundeld en komen onder regie van de deltacommissaris. De deltacommissaris krijgt een eigen (kleine) projectorganisatie en programmabudget.”

De Bruijn en Huisman zien niet zozeer nut in een nieuwe actor in de verticale lijn, maar meer in nadere doordenking van proportionaliteit van extern toezicht. Dat betekent dat er goed gekeken wordt naar de kwaliteit van de keten bij een toenemende rol van de regio en hoe – met name in het mbo- het toezicht zich kan richten op de daadwerkelijk gerealiseerde kwalificaties van afgestudeerden.

Wie zijn er verantwoordelijk?

Het beroepsonderwijs heeft zich de afgelopen jaren verbreed en dat betekent dat ook de vraag om waar het toezicht zich op moet richten en wie daar verantwoordelijk voor is zich moet verbreden. “Vrijwel alle instellingen hebben gaandeweg meerdere stakeholders te bedienen en hebben daarbij vele ijzers in het vuur waarvoor zij binnen de context van Publiek Private Samenwerkingen minstens medeverantwoordelijkheid dragen.”

Volgens de Bruijn en Huisman is nu voor de instellingen een ambivalente situatie ontstaan. “Enerzijds propageert het beleid coalities met derden om redenen van onder andere kwaliteit, aansluiting en doorstroom, maar anderzijds blijft de focus van externe verantwoording het object van overheidsbekostiging en onderwijswetgeving: de diplomatrajecten in mbo en hbo.

Omdat het beroepsonderwijs steeds vaker georganiseerd wordt door bredere coalities van publieke en private partijen, zou ook de verantwoordelijkheidsdeling op die manier moeten worden ingericht. “Dit zou ook implicaties moeten hebben voor de inrichting en scope van het externe toezicht,” stellen De Bruijn en Huisman. 


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«