Misvattingen in het debat over verengelsing

Opinie | door Felix Huygen
24 november 2017 | Eind juni schreef ik namens de vereniging Beter Onderwijs Nederland (BON) een opiniestuk in de Volkskrant. Hierin deed ik een beroep op universiteiten, hogescholen en de overheid om de voortschrijdende verengelsing van het Nederlandse hoger onderwijs een halt toe te roepen.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik niet verwacht had dat mijn stuk veel opgemerkt zou worden. Ik had destijds niet de indruk dat het onderwerp als een grote prioriteit werd beschouwd, noch onder studenten, noch onder docenten, die ongetwijfeld veel dringender kwesties aan hun hoofd hadden.

Ik was een achterhoedegevecht aan het voeren, dacht ik. Het tegendeel bleek het geval: mijn artikel riep een massale respons op. Het was die dag het best gelezen stuk op de site van de Volkskrant; het werd intensief gedeeld op sociale media; ik ontving tientallen e-mails met steunbetuigingen, werd door enkele media gebeld en in enkele dagen tijd werd de petitie van BON over dit onderwerp meer dan zesduizend keer ondertekend, een aantal dat wij nooit eerder gehaald hadden. In de dagen erop verschenen er in de kranten meerdere artikelen als reactie, zowel met steun als met kritiek.

Mijn aanklacht tegen de achteloosheid waarmee steeds meer opleidingen het Nederlands volledig uitbannen, had kennelijk een open zenuw geraakt. Mensen zagen in het artikel verwoord wat zij misschien wel dachten, maar vaak onmiddellijk terzijde schoven, omdat velen de opmars van het Engels in het hoger onderwijs als onvermijdelijk beschouwen. Dit brengt mij bij de eerste misvatting in het vanaf afgelopen zomer verhevigde debat over verengelsing:

‘De wereld globaliseert in rap tempo; hoger onderwijs in het Engels is onvermijdelijk.’

Bestuurders die verdere verengelsing bepleiten, benadrukken voortdurend dat ze het Nederlands heus heel belangrijk vinden, maar dat de internationalisering nu eenmaal voortschrijdt en dat Nederland niet kan achterblijven. Kortom, het TINA-denken (there is no alternative), een handige retorische strategie die suggereert dat onze handen gebonden zijn.

Het tegendeel is het geval. Het Nederlandse hoger onderwijs stond ook in de jaren negentig internationaal goed aangeschreven, terwijl het onderwijs vrijwel geheel Nederlandstalig was. Er werd toch toonaangevend onderzoek gepubliceerd (vaak in het Engels), studenten lazen zonder problemen Engelstalige studieboeken, en jawel, er zaten ook buitenlandse studenten in de collegezaal. Ook het Vlaamse hoger onderwijs , waar vandaag de dag slechts 2 procent van de bacheloropleidingen en 22 procent van de masteropleidingen Engelstalig zijn (in Nederland zijn deze cijfers respectievelijk 20 en 70 procent), heeft over het algemeen een goede reputatie.

Er is in de meeste gevallen dus geen sprake van een (inhoudelijke) noodzaak tot invoering van het Engels als instructietaal, een voorwaarde die artikel 7.2 van de Wet op het hoger onderwijs stelt. De massale verengelsing is daarmee niet alleen vermijdbaar, maar zelfs in strijd met de wet.

‘Als docenten en studenten een paar cursussen Engels doen, is het probleem opgelost.’

Er zijn twee problemen met deze stelling. Ten eerste: waarom zou je dan éérst zeventig procent van de universitaire masters Engelstalig maken, evenals een sterk toenemend aantal bacheloropleidingen, en daarna pas taaleisen stellen? Dat is toch het paard achter de wagen spannen? Veel logischer zou het zijn om eerst een hoog minimumniveau te eisen van docenten en studenten voordat ze mogen doceren aan, respectievelijk instromen in, een Engelstalige opleiding.

Maar los hiervan getuigt deze stelling van een gebrek aan realiteitszin. Nederlandse eerstejaarsstudenten beschikken naar schatting over een veertig procent lagere woordenschat in het Engels dan in hun moedertaal. Is er iemand die gelooft dat deze gigantische kloof met een paar cursussen kan worden overbrugd?

Wat betreft de actieve woordenschat is deze kloof nog veel groter. Het zou jaren van onderdompeling in een omgeving van native speakers vergen om het Engels van docenten en studenten op een dergelijk niveau te krijgen, tijd die er in het hoger onderwijs niet is. Als ik voor mezelf spreek: het lezen van complexe teksten in het Engels vormde vaak niet zo’n probleem, maar me op academisch niveau in deze taal uitdrukken ging me allerbelabberdst af. Als ik als student een complexe gedachte wilde uiten, kwam ik in het Engels totaal niet uit mijn woorden, waardoor iedere nuance verloren ging. Voor de meeste van mijn medestudenten gold hetzelfde, wat de discussie – tijdens de Nederlandstalige bachelor nog zeer levendig – doodsloeg.

Het hoeft dan ook geen verbazing te wekken dat overschakeling op het Engels als instructietaal in het hoger onderwijs volgens de KNAW leidt tot dertig procent kwaliteitsverlies. Alleen door het onderwijs in principe in de moedertaal te laten plaatsvinden – tenzij er goede inhoudelijke redenen zijn om voor een andere taal te kiezen – garandeer je dat het niveau van het onderwijs op peil blijft.

‘Het Engelstalig maken van opleidingen is echt geen geldkwestie.’

In een kritische reactie op mijn opiniestuk schrijft Marc van Oostendorp, hoogleraar Nederlands en academische communicatie aan de Radboud Universiteit, in NRC Handelsblad dat onze vereniging geen bewijs aanvoert voor de bewering dat besturen van hoger onderwijsinstellingen voornamelijk om financiële motieven kiezen voor het Engels. Er zouden namelijk veel meer goede redenen zijn om dit te doen, onder andere doordat al die buitenlandse studenten zorgen voor een prikkelender sfeer.

Dat het primaire motief financieel is, is echter allerminst omstreden. De bestuurders zijn de drijvende kracht achter de verengelsing; het is niet zo dat studenten en docenten massaal vragen om meer Engels en nog meer buitenlandse studenten. En die bestuurders geven wijd en zijd openlijk toe dat het aantrekken van meer studenten en dus van meer geld de belangrijkste drijfveer is voor deze beslissing. “Heel eerlijk: het is een overlevingsstrategie”, voert Marion Boerse, opleidingsdirecteur van kunstgeschiedenis aan de Universiteit Leiden, in de Mare bijvoorbeeld aan als reden voor de nieuwe Engelstalige bachelor. “De bekostiging van universiteiten is gebaseerd op groei, maar ook aan groei zit grenzen. Om het hoofd boven water te houden, red je het niet met Nederlandse studenten.”

‘Wij (bestuurders) vinden het Nederlands óók heel belangrijk’

Bij voortduring zingen bestuurders de lof van het Nederlands en benadrukken ze dat Nederlandse taalvaardigheid een prioriteit blijft. Maar deze mooie woorden worden niet door hun daden gestaafd. Ze maken namelijk steeds meer bacheloropleidingen ook volledig Engelstalig, en je kunt onmogelijk aan een Nederlandse student een eis stellen – namelijk een goede beheersing van (academisch) Nederlands – die je niet aan buitenlandse studenten van dezelfde Engelstalige opleiding stelt. Studenten die met een gebrekkige Nederlandse taalvaardigheid van de middelbare school kwamen en die een Engelstalige opleiding volgen, zullen in dat opzicht dus altijd gebrekkig blijven. Artikel 1.3 van de Wet op het hoger onderwijs (die stelt dat universiteiten en hogescholen zich dienen te richten op ‘bevordering van de uitdrukkingsvaardigheid in het Nederlands’) wordt hier met voeten getreden.

De sympathieke suggestie van Marc van Oostendorp om “Nederlandse taalvaardigheid op academisch niveau een belangrijk onderdeel maken van vrijwel iedere opleiding” is dan ook onverenigbaar met de verdere verengelsing van opleidingen die hij óók voorstaat.

‘Omschakeling naar het Engels heeft geen nadelige gevolgen voor de inhoud van de opleiding.’

Dit lijkt op het eerste gezicht logisch: de stof is toch dezelfde, maar dan in een andere taal, dus wat is nu eigenlijk het probleem? Quod non. Want als alle vakken Engelstalig zijn, mag je ook geen Nederlandstalige literatuur voorschrijven. Verengelsing heeft dus wel degelijk kwalijke gevolgen voor de inhoud van opleidingen, zoals Peter Vasterman onlangs beschreef in NRC Handelsblad. Het vak dat hij geeft, Journalistieke cultuur in Nederland, leunt vanzelfsprekend grotendeels op Nederlandstalige literatuur.

Bijgevolg kan het volgend jaar niet meer gegeven worden, want alle keuzevakken aan de UvA zijn vanaf dan verplicht in het Engels. Aan deze Nederlandse universiteit kun je dus niets meer leren over de Nederlandse journalistieke cultuur, maar moet je je beperken tot de Amerikaanse of Britse. Als alle Nederlandstalige literatuur taboe wordt in de collegezaal, betekent dat ook voor veel andere opleidingen een enorme verschraling van het aanbod. De universiteit maakt zich hiermee nog vatbaarder voor de kritiek dat zij losgezongen raakt van de (Nederlandstalige) samenleving.

‘Het volgen van een Engelstalige opleiding is goed voor je Engels.’

Engelstalige colleges van Nederlandse docenten met een beperkte Engelse woordenschat en een gering vermogen zich genuanceerd uit te drukken zijn een zeer inefficiënte methode om de taal beter te leren. Het zou veel beter zijn om in een verder Nederlandstalige opleiding specifieke vakken door native speakers te laten doceren, die gericht zijn op het goed leren spreken en schrijven van academisch Engels, iets wat nu veel te weinig gebeurt. Zeker voor studenten die verder willen in de wetenschap, kan dit zeer nuttig zijn. Op deze manier zal zowel de Nederlandse als de Engelse taalvaardigheid van een afgestudeerde groter zijn dan in de huidige situatie.

Deze laatste suggestie wijst een mogelijke uitweg uit de huidige impasse, een die het Nederlands als academische taal in ere houdt en tegelijkertijd waar nodig de Engelse taalvaardigheid bevordert.

Hiervoor is wel nodig dat hoger onderwijsinstellingen ophouden met elkaar te concurreren om zo veel mogelijk buitenlandse studenten. Nu is het zo dat individuele instellingen er financieel baat bij hebben om steeds meer studenten binnen te halen, omdat dit hun marktaandeel vergroot en geld oplevert. Maar landelijk gezien is deze trend juist onvoordelig, omdat de totale hoeveelheid geld die aan hoger onderwijs wordt gespendeerd, hierdoor nauwelijks toeneemt, waardoor de uitgaven per student gestaag dalen. Een tragedy of the commons dus, die het hoger onderwijs langzaam uitholt – nog afgezien van de vraag of de toenemende massaliteit in het hoger onderwijs en de grote hoeveelheid buitenlandse studenten die een ‘havo-variant’ als vooropleiding hebben gehad, de kwaliteit wel ten goede zal komen.

De overheid zou de financiering van het hoger onderwijs dus zo moeten inrichten dat het ongelimiteerd werven van studenten uit het buitenland en het lukraak overschakelen op het Engels voor instellingen niet langer financieel aantrekkelijk is.

Instellingen zouden ook afspraken met elkaar moeten maken en meer moeten differentiëren: laat ze bepalen voor welke opleidingen het nuttig is wanneer er studenten uit het buitenland bij komen, bijvoorbeeld omdat het een belangrijk vakgebied is waar te weinig Nederlanders voor kiezen. Sta die richtingen toe een Engelstalige opleiding op te richten, met ook een Nederlandstalig alternatief. Zorg dat opleidingen verder in principe in het Nederlands gevolgd kunnen worden, met waar nodig vakken die de Engelse taalvaardigheid bevorderen.

Alleen op deze manier zorgen we dat het Nederlands op het hoogste niveau gecultiveerd wordt, dat de universiteit voeling houdt met de omliggende maatschappij en dat het onderwijs goed is. Als de overheid en de instellingen geen haast maken met het zetten van stappen in deze richting, zal Beter Onderwijs Nederland via de rechter naleving van de Wet op het hoger onderwijs trachten af te dwingen. Om een einde te maken aan de tragedy of the commons is nu collectieve actie geboden.

BON debatteert mee op het symposium ‘Taal Centraal’, aanmelden kan nog via deze link.

Felix Huygen :  Bestuurslid Beter Onderwijs Nederland


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«