“Ik betaal mijn promovendi niet om te schrijven”

Analyse | door Ingeborg van der Ven & Sicco de Knecht
4 juli 2018 | In het laatste deel van het drieluik over de arbeidsvoorwaarden en rechtspositie van promovendi richten we ons op het einde. Veel promotietrajecten lopen vertraging op, maar hoe wordt hiermee omgegaan? Worden contracten verlengd? Wie draait er op voor slechte begeleiding, te grote ambities en onvoorziene problemen?

Van alle onderdelen van een promotietraject is het einde veelal het meest uitdagende. ‘Het venijn zit in de staart,’ zo gaven de promovendi die wij spraken ons te kennen. Het is ook niet verwonderlijk gezien de grote belangen die ermee gepaard gaan: zijn er bijvoorbeeld wel genoeg publicaties en is het proefschrift op tijd af? Voor de promovendus is het de eindsprint naar de finish met daar de felbegeerde bul. Voor de instelling ligt er aan het einde van het traject de promotiebonus te wachten.

‘Hoogleraren komen met veel weg’

Alhoewel vier jaar vaak wordt aangehaald als het mikpunt voor de promotieduur wordt dit bij lange na niet overal gehaald. Projecten zijn te ambitieus, experimenten mislukken en ook voor promovendi geldt dat er in het leven best wel eens wat tegen kan zitten. De vraag is op wiens bordje het probleem komt te liggen als een promotie uitloopt.

Vertraging, of anders: verlenging, was een thema bij veel van de promovendi met wie wij spraken. Zij het op een medewerkerscontract, zij het op een ander, vaak bleek er aan de einde van de aanstelling nog een stuk promotie over te zijn. Dat promovendi hun proefschrift afschrijven in de WW was voor sommigen vanzelfsprekend? Maar hoe logisch is dit eigenlijk, en mag het eigenlijk wel?

“We wilden alleen een verlenging”

Alhoewel haar kantoor op de universiteit is en ze wordt begeleid door een hoogleraar is het contract van Valerie niet met de universiteit maar met een aparte holding. Zij en enkele collega’s met dezelfde constructie werken op een deeltijdaanstelling. Toch wordt er van hen verwacht binnen vier jaar te promoveren Er bestaat geen officiële richtlijn voor de maximale lengte van een promotie. Wel adviseren meerdere instanties, waaronder de KNAW, dat de promotie een minimum van vier jaar moet bedragen bij een voltijds aanstelling. Sinds dit weekend is vier jaar ook opgenomen als minimum in de cao van de universiteiten. .

Valerie benadrukt dat ze het werken als promovendus op een parttime contract niet per se een slecht idee vindt. “Het is goed om verschillende vormen mogelijk te maken. Je kunt zo kansen creëren die er anders niet zouden zijn, en die passen bij de individuele leef- en werksituaties. Maar je loopt ook risico’s en die risico’s moeten mijns inziens niet door de promovendus gedragen worden.”

Wanneer Valerie en haar collega’s na vier jaar nog niet klaar zijn blijken in deze situatie de risico’s wel degelijk bij de promovendi te liggen.

“Er werd van ons verwacht dat we in de WW verder zouden werken.” Wanneer een van de collega’s WW aanvraagt geeft het UWV te kennen dat de aanvraag niet wordt gehonoreerd – bij het UWV staat geregistreerd dat zij nog een baan heeft. “We zijn toen allereerst naar het juridisch loket gegaan om te kijken hoe de vork in de steel zat.”

De WW (Werkloosheidswet) is in het leven geroepen om werknemers die ontslagen worden de transitie te kunnen laten maken naar betaald werk. De WW-uitkering De hoogte en lengte hiervan zijn situatie-afhankelijk. Typisch gaat het om 70% van het laatst verdiende loon voor een minimum van drie maanden. Wanneer de WW-gerechtigde voldoet aan de jareneis (minimaal 4 van de 5 voorgaande jaren gewerkt) dan wordt de duur van de WW-uitkering langer. is dus per definitie bedoeld als uitkering voor zij die geen werk hebben. Werkgevers, zoals de holding waar Valerie werkt, dragen een premie af aan een collectief  fonds Het Algemene Werkloosheidsfonds (Awf). waaruit de WW betaald wordt.

Voor universiteiten zit de situatie net iets anders in elkaar, zij zijn eigenrisicodrager Werkgevers in de sector Overheid en Onderwijs zijn verplicht eigenrisicodrager voor de WW. Als eigenrisicodrager voor de WW betaalt de werkgever de kosten van de WW-uitkering, als werknemers werkloos worden. UWV betaalt de uitkering aan de werknemer en brengt deze kosten bij de werkgever in rekening. Deze werkgevers betalen geen WW-premie. Op het moment dat de werknemer een WW-uitkering krijgt, wordt deze wel in rekening gebracht, verhoogd met de werkgeverspremie. voor de WW, wat inhoudt dat ze de WW-uitkering de facto zelf overmaken aan de WW-gerechtigde. Bij elkaar is het totale maandelijkse bedrag lager dan het uitbetalen van een regulier salaris (bv. bij verlenging van het arbeidscontract).

“Er werd van ons verwacht dat we in de WW verder zouden werken.”

De jurist ontdekt dat het hele team eigenlijk recht heeft op een vaste aanstelling. Dat zit namelijk zo: In de cao van de universiteiten is opgenomen dat de promovendus een aparte status heeft. Het is een tijdelijke aanstelling zonder recht op een aansluitend vast contract. De arbeidsvoorwaarden van het contract bij de holding vallen echter, net als voor elk ander bedrijf, onder de Flexwet Werknemers met een tijdelijk contract mogen maar maximaal twee jaar, of op maximaal drie contracten, aaneengesloten bij dezelfde werkgever op een contract voor bepaalde tijd werken. Zodra deze periode wordt overschreden moet de werkgever de werknemer in vaste dienst nemen. en niet onder de cao universiteiten.

Dit betekent dat Valerie en collega’s juridisch gezien recht hebben op een vaste aanstelling. Op advies van een advocaat stuurt een drietal collegae een loonvorderingsbrief aan de directeur van de holding. “Iedereen van ons had natuurlijk al vier jaar lang zes dagen per week gewerkt in plaats van vier dagen. Niemand van ons wilde dat vaste contract, maar we hoopten er de verlenging aan over te houden die we nodig hadden om onze proefschriften af te maken.” Ze worden uitgenodigd voor een gesprek.

“Kies maar: geld en een zwijgcontract, of doorwerken in de WW”

Het gesprek ziet er als volgt uit: drie promovendi tegenover de financieel directeur, de directeur van de holding en het afdelingshoofd. De promovendi vragen om een verlenging. “Ze zouden gaan kijken naar de mogelijkheden.”

De situatie escaleert tijdens het tweede gesprek. “In het eerste gesprek was het nog: ‘Jullie hebben een punt maar wij snappen niet dat jullie hier gebruik van willen gaan maken’. Het tweede gesprek was ‘Jullie hebben geen punt en we gaan hier een rechtszaak van maken als het moet. De keuze of we het wilden laten uitlopen op een rechtszaak was volgens hen aan ons.”

“De mensen tegenover ons leken op een heel persoonlijk niveau gekwetst te zijn en reageerden vooral uit die emotie. Tegelijkertijd zijn het mensen waar wij als promovendi in meer of mindere mate afhankelijk van zijn voor het afronden van onze promoties.”

“Het tegenstrijdige was dat ons werd verteld dat we ‘geen punt’ hadden, maar dat wij vervolgens wél een aanbod kregen.” Het aanbod is voor elk van hen anders. Er is wel een gemene deler. “Als wij een vaststellingsovereenkomst zouden tekenen, met een datum van vóór het einde van ons contract Het antedateren van een arbeidsovereenkomst ten behoeve van het verkrijgen van WW is illegaal. , en met de mededeling dat wij geen aanspraak zouden kunnen maken op een vast contract, dan ontvingen wij een som geld.” De vaststellingsovereenkomst bevat bovendien ook een zwijgclausule.

Intimidatie en chantage

Niet akkoord gaan met dat voorstel blijkt geen reële optie. “We kregen niet eens een tegenbod op ons voorstel voor de gevraagde verlenging. Het was meteen hard tegen hard. Als we niet zouden tekenen, mochten we ook geen gebruik meer maken van de faciliteiten die de universiteit ons nu zo ‘onbaatzuchtig’ liet gebruiken nadat onze contracten al waren afgelopen: alle computers zouden worden ingenomen, pasjes ingetrokken, en onze e-mailadressen. ‘Succes met je verdere promotie’.”

“Bovendien zouden ze, en dat zeiden ze echt, aan onze collega’s vertellen dat wij het geld hadden opgeëist dat eigenlijk was bedoeld voor geplande promoties en nieuwe contracten. En dit was het moment dat we allemaal braken,” vertelt Valerie.

Het is de wereld op zijn kop. Promovendi die opkomen voor hun recht – en eigenlijk nog minder dan dat – worden uitgespeeld tegen hun collega’s die ze zogenaamd zouden benadelen. Werken buiten je contractduur onder de noemer van ‘collegialiteit’.

"Alle computers zouden worden ingenomen, pasjes ingetrokken, en onze e-mailadressen. ‘Succes met je verdere promotie’.”

“Volgens onze advocaat was de enige manier om de situatie op te lossen het terugtrekken van onze initiële loonvorderingsbrief. Dat betekent geen geld of verlenging maar we hoefden ook geen vaststellingsovereenkomst te tekenen, dus ook geen zwijgclausule, en we konden door met onze promotie zonder onze goede relaties of emailadressen te verliezen – dan maar in de WW, en met advocatenkosten voor onze eigen rekening.”

“Ik denk echt dat we een sterke rechtspositie hadden, maar de kosten waren te hoog – emotioneel, je relaties op de afdeling, maar vooral ook financieel. Mijn advies voor alle promovendi is echt: sluit een rechtsbijstandverzekering af.” Van het hele team is er vijf jaar na aanvang nog niemand gepromoveerd. Inmiddels is de WW van Valerie afgelopen en promoveert ze in haar eigen tijd, en op eigen kosten.

“Ik betaal mijn AIO’s niet om te schrijven”

Jennifer doet een medische promotie in een UMC, initieel op een contract van twee jaar. “Mij werd gezegd: ‘het komt wel goed’.” Ze werkt de eerste twee jaar prettig samen met haar begeleider. Deze start een samenwerking met een arts die op hetzelfde vlak onderzoek doet. Daaruit vloeit voort dat Jennifer een verlenging van twee jaar krijgt waarop ze door kan met haar onderzoek.

Jennifer is ontevreden over de begeleiding. Door de constructie met de verlenging valt ze nu dus onder twee begeleiders en die blijken niet bepaald dezelfde taal te spreken. “Als je in de kliniek een promotie doet, dan heb je het over hele andere soorten experimenten dan in het lab.” Ook heeft de arts veel te weinig tijd om zich serieus bezig te houden met haar promotie en bijvoorbeeld op tijd te reageren op conceptversies van artikelen die ze opstuurt.

Net als bij veel promovendi die wij spraken is haar boekje na vier jaar nog niet af. Het project blijkt toch te groot, te ambitieus en alle kleine vertragingen tellen op. “Er stond na vier jaar buffelen in het lab nog maar weinig op papier.” Er moet bovendien nog een experiment gedaan worden volgens haar begeleiders.

Om dat experiment af te maken kan de arts haar een paar maanden verlenging geven maar die verlenging komt met een voorwaarde: “Je krijgt een verlenging maar ik betaal mijn AIO’s niet om te schrijven.” Dat betekent automatisch dat het schrijven zal moeten gebeuren in de weekenden of na afloop van de verlenging. Haar andere begeleider is het er niet mee eens, maar kan er ook weinig tegenin brengen.

In 2014 publiceerde het Rathenau Instituut het rapport Promoveren in Nederland met daarin een overzicht van de promotieduur van voltijds aangestelde werknemer-promovendi. Op basis van dit en eerder onderzoek concludeerde het Rathenau al dat het standaardcontract van vier jaar niet toereikend is. Het gemiddelde ligt boven de vijf jaar. Voor promovendi op deeltijdcontracten of die geen medewerker zijn is het onmogelijk om cijfers te vinden. Een flink gat in de data, aangezien zij samen een ongeveer even grote groep beslaan.

Negen maanden wachten op feedback

De onderzoeker probeert mee te denken en helpt waar mogelijk. “Met mijn andere begeleider heb ik gekeken hoe we het konden brengen alsof er vijf maanden alleen maar experimenten waren. Ondertussen kon ik dan in de overige uren schrijven aan mijn artikelen.” Ze beseft achteraf een hele vreemde situatie is geweest.

Wanneer de verlenging afloopt is het proefschrift alsnog bij lange na niet af. De experimenten slokken veel tijd op en van schrijven komt het alsnog amper. Jennifer gaat door in de WW om al het analyseer- en schrijfwerk af te maken. Vanaf dat punt verzwakt de begeleiding vanuit de arts, die al ondermaats was, tot een dieptepunt.

“Mijn begeleider heeft negen maanden gedaan over het lezen van mijn introductie.” Negen maanden waarin Jennifer door moet met andere hoofdstukken van haar proefschrift, maar daar niet mee verder kan. “Vervolgens kreeg ik het terug en was het gelijk duidelijk dat er amper naar gekeken was. Het was feedback die je in een half uur zou kunnen geven.”

“Het is afgekomen, maar niet dankzij haar”

“Toen was ik er gewoon helemaal klaar mee.” Het vervelende is dat ze met deze frustratie nergens heen kan of durft. “Ik wilde geen ruzie maken zo vlak voor het einde.” Haar andere begeleider kan niets voor haar betekenen. In een poging toch een doorbraak te forceren gaat ze naar het hoofd van de afdeling van de arts. “Die zei dat hij wel eens met mijn begeleider zou praten ‘maar dan doe ik het in het algemeen’. Hij had dus niet de ballen om tegen haar te zeggen: ‘volgende week is het klaar’.”

“Mijn begeleider heeft negen maanden gedaan over het lezen van mijn introductie.”

Resultaat van dit alles is dat het schrijven voor geen meter opschiet. “Op een gegeven moment loop je gewoon vast in de frustratie die je hebt. Je kunt niet verder en je voelt je ook gewoon totaal niet serieus genomen.” Het is een demotiverende situatie waar geen vooruitgang in lijkt te zitten. Ondertussen solliciteert ze op andere onderzoeksfuncties en na een jaar WW is ze nu weer aan de slag bij een andere zorginstelling.

Ze kan zich ergens zelfs wel in de arts verplaatsen. “Ze is natuurlijk heel druk bezig met de kliniek, en de begeleiding van studenten en andere AIO’s. Maar ze heeft veel te veel op haar bordje en ze is ook gewoon een mens.” Dat ontslaat haar alsnog niet van verantwoordelijkheden vindt Jennifer. Uiteindelijk schrijft ze het proefschrift af tijdens haar nieuwe baan. “Het is afgekomen, maar niet dankzij haar.”

De duvel schijt op een hoop

Het verloop van een promotietraject ligt niet altijd in de handen van de promovendus zelf. Soms treden er complicaties op waar niemand controle op uit kan oefenen. Proefopstellingen gaan kapot, harde schijven worden per ongeluk gewist, proefdieren overlijden plotseling. Dergelijke voorvallen komen overal voor. De vraag is echter hoe dit vervolgens opgepakt wordt.

Jitske werkt inmiddels al een paar maanden in de WW. “Dat is absoluut geen unieke situatie, ik ken veel meer mensen in dezelfde positie.” De manier waarop ze hier terecht is gekomen daarentegen is wel uitzonderlijk.

Na een geweldig leuke tijd als masterstudent besluit Jitske te promoveren bij de begeleider van een van haar stages. “Wij konden het heel goed met elkaar vinden, ik was gek op die man. Bij hem kon ik echt het werk doen dat ik graag wilde.” Er komt niet eens een echt sollicitatiegesprek aan te pas en ze start op een project dat gedeeld wordt tussen haar universiteit en een kennisinstelling.

De samenwerking tussen de instellingen wordt al snel een probleem. “Beide partijen hadden duidelijk een ander beeld bij wat het project nu eigenlijk moest zijn.” Meer dan een half jaar blijft er onduidelijkheid over wat ze nu eigenlijk gaat doen. “Het kwam erop neer dat de twee projecten die ik zou kunnen doen, beiden al gedaan werden. Op mijn universiteit of bij die instelling.”

Opeens sta je zonder begeleiders

In de tussentijd geeft Jitske heel veel les en doet ze proeven voor anderen. Door haar eerdere werkervaring is ze zeer bedreven in een bepaald type experiment. “Iedereen kwam bij mij aankloppen of ik dat voor ze wilde doen. Ik sta daardoor wel op een aantal artikelen maar daar heb ik niet zo veel aan.”

In de plannen staat dat Jitske na een jaar zal gaan werken bij het onderzoeksinstituut maar die transitie wordt geplaagd door problemen. “Steeds was er weer een kink in de kabel.” Het gebouw blijkt nog niet klaar, de meetapparatuur blijkt niet geschikt. Elke keer moet ze verhuizen, en steeds weer voor niets. Wanneer ze uiteindelijk haar experimentele opstelling verhuist raakt deze beschadigd. “Toen hebben we de stekker uit dat idee getrokken. Dit werkte zo niet.”

Langzamerhand realiseert ze dat dit niet is waarom ze een promotie wil gaan doen, en ze besluit het ongemakkelijke gesprek met haar begeleider te voeren. Maar nog voordat het zo ver komt krijgt haar begeleider kanker, en binnen een paar weken komt hij te overlijden.

“Ik was er zo kapot van… Ik ben echt ingestort.” Jitske besluit een maand vrij te nemen om hier overheen te komen. “Toen ik terugkwam op de afdeling was het alsof hij er nooit geweest was. Niemand had het over hem.” Ze belandt in een zwart gat, waarin niemand naar haar omkijkt. “Er was totaal geen professionele ondersteuning, voor niemand op de afdeling.”

“Er was totaal geen professionele ondersteuning, voor niemand op de afdeling.”

Kort daarop neemt haar tweede begeleider, die bij het onderzoeksinstituut, ontslag. “Daarna ben ik bij verschillende begeleiders ondergebracht maar die konden mij praktisch niet altijd ondersteunen, ze waren gewoon te druk.” Op het moment dat de directie de enige overgebleven post-doc in haar vakgebied wil ontslaan stapt ze met een aantal collega’s naar de directie. “Als jullie hem ontslaan, dan hebben we helemaal niets meer.”

Door de burn-out heen werken

De post-doc blijft aan maar kan haar door omstandigheden toch maar weinig hulp bieden. Jitske zit inmiddels in haar laatste jaar en realiseert zich dat het nooit gaat lukken om binnen vier jaar klaar te zijn. Haar promotor, die eerst op afstand stond, neemt de begeleiding over. Hij kent maar een oplossing en dat is doorwerken. “Ik kreeg bijvoorbeeld een reprimande omdat ik er niet op tijd bij was om mijn opstelling te repareren. Maar die ging stuk op een zondag, om 19:00 uur ‘s avonds!” Ze was die zondag wel aan het werk, maar was om 17:00 uur naar huis gegaan.

Uit meerdere binnenlandse en buitenlandse onderzoeken blijkt dat promovendi een buitenproportioneel groot risico lopen op mentale klachten zoals een burn-out of depressie. Werkdruk alleen is echter zelden de oorzaak van deze klachten. Het zijn het type (academisch) leiderschap, het wel of niet uitspreken van verwachtingen en de mate van autonomie die de werknemer voelt die de doorslag geven.

Jitske moet doorwerken van zichzelf maar raakt steeds vermoeider. Totdat ze merkt dat het niet meer gaat. “Ik ben in de eerste plaats naar mijn huisarts gegaan omdat ik ‘s ochtends na het douchen al weer zo moe was dat ik weer in bed moest gaan liggen.” De huisarts stuurt haar door naar de bedrijfsarts die haar aanraadt twee maanden vrij te nemen. “Daar had ik gewoon geen tijd voor, het moest af.”

Ze besluit het advies niet op te volgen, maar wel om 5-6 uur per dag te werken. Ook op de zaterdagen en zondagen blijft ze werken. “De bedrijfsarts kon me gelukkig wel verwijzen naar coaching en hulp, die bleken gewoon aangeboden te worden door mijn faculteit.” De cognitieve gedragspsycholoog helpt haar de moeilijke tijd door te komen. “Het was heel fijn dat deze niet oordeelde en mijn inschatting respecteerde.”

“Waarom grijpt er niemand in?”

Dat een enkele promovendus al dit onheil  kan overkomen, dat had Jitske van te voren niet voor mogelijk gehouden. “Ik denk dat dit ook wel een uniek verhaal is.” Het is niet uniek dat promovendi buiten hun eigen invloed om vertraging oplopen. ScienceGuide hoorde talloze verhalen waar verantwoordelijkheid om de vertraging in te halen volledig werd afgewenteld op de promovendus.

Het viel Jitske ook op hoe lang het duurt voordat er wordt ingegrepen. “Er is gewoon weinig openheid over. Het is ook bij niemand opgekomen om bijvoorbeeld met de groep te reflecteren op het overlijden van mijn begeleider. Dat is vreemd want het was immers een heel belangrijk persoon voor iedereen op de afdeling.” Wat steekt is dat niemand zich actief betrokken voelt bij de situatie. “Pas op het moment dat iemand echt omvalt gebeurt er misschien iets. Ik snap niet dat er niet iemand is vanuit de directie die zegt: ‘hier moeten wij even ingrijpen’.”

Aan het einde van haar contract krijgt ze een verlenging van zes maanden. Haar promotor helpt haar zo goed als hij kan, maar het boekje is nog niet af. “We hebben nu een modus gevonden waarin het werkt.” Dat werken gebeurt inmiddels al vier maanden in de WW. Door eerdere werkervaring heeft ze nog recht op acht maanden. “Het UWV heeft me initieel wel streng toegesproken dat ik niet mocht werken aan mijn promotie, maar sindsdien heb ik er niets meer over gehoord.”

Een einde aan promoveren in de WW?

“Ik weet dat het fraude is, maar ik heb jarenlang niet aan mijzelf gedacht en dat doe ik dit keer wel even.” Ze is zich er ook van bewust dat ze zich hiermee in een precaire situatie bevindt, als ze bijvoorbeeld opnieuw een burn-out krijgt dan heeft ze een probleem. “Maar als ik het nu niet doe, als ik bijvoorbeeld ga werken in plaats van mijn promotie af te maken dan gebeurt het nooit meer. Het zou zonde zijn van de afgelopen viereneenhalf jaar.”

Dat ze ondertussen niet gewoon verlengd wordt betreurt ze. “Het is de macht die ze over je hebben. Ze weten dat je dat diploma wilt, dus als promovendus blijf je gewoon werken totdat het proefschrift rond is.” Wel wil ze wegblijven van de teneur dat haar verhaal als ‘zielig’ wordt bestempeld. “Ik heb ook iedereen die betrokken is verteld wat zij anders hadden kunnen doen.”

Waarom ben je er niet gewoon mee gestopt?

‘Waarom ben je er niet gewoon mee gestopt als de situatie zo vervelend was?’ Dat was een van de vragen die wij veel promovendi stelden. Het antwoord op die vraag was steevast een variatie op de zogenaamde sunk cost fallacy Zogenaamde verzonken kosten zijn in dit geval de tijd, energie en moeite die de promovendus reeds in de promotie heeft zitten. Het woord fallacy is minder makkelijk te vertalen maar betekent hier zo veel als 'fout' of 'incorrecte inschatting'. Bij elkaar genomen duidt de term op de irrationele keuze van het blijven investeren in een project met als voornaamste reden dat er reeds in is geïnvesteerd, niet in wat het mogelijkerwijs (niet) oplevert. . De titel is hen bovendien zo veel waard dat een promovendus bereid is zich tot het uiterste te rekken, verder dan deze normaal gesproken zou doen, of zoals Karlijn het in het vorige artikel stelde: “Als dit een normale werksituatie was geweest dan had ik het niet gedaan.”

Een promotie onderscheidt van een ‘normale werksituatie’ omdat het besluit of de beloning (de titel) wordt toegekend ligt bij de promotor zelf. Deze heeft een bijzonder grote autonomie om te bepalen wat daarvoor de vereisten zijn. De promovendus heeft deze niet, hetgeen resulteert in een ongelijke machtspositie.

De casussen die wij hoorden kwamen van alle soorten instellingen en alle vakgebieden. Er zaten gevallen tussen van afdelingen met zeer beperkte middelen, en voorbeelden van vakgroepen die slap in de was zaten met meerdere prijzen en beurzen. Kern van de zaak is dat de druk om voor zo min mogelijk geld zoveel mogelijk onderzoekers aan te stellen voor iedereen gelijk is, en de ruimte om hierin zeer creatief te zijn groot is.

“De duur van het dienstverband van een promovendus bedraagt in beginsel vier jaar bij een volledige werkweek. Bij een deeltijd dienstverband of in geval van een tussentijdse omzetting naar een deeltijd dienstverband wordt het dienstverband naar evenredigheid verlengd.”

Het bovenstaande is het nieuw toe te voegen lid in artikel 2.3 van de cao van de universiteiten. Het lijkt voor de hand liggend, maar het feit dat deze clausule er na veel onderhandelwerk in is gekomen geeft aan dat het punt nadruk behoeft. Toch is het de vraag of een dergelijke bepaling de staande praktijk ook daadwerkelijk zal beïnvloeden. De ruimte voor de hoogleraar of de afdeling is daarvoor wellicht te groot.


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK