In het onderwijs worden nepafspraken gemaakt met nepvertegenwoordigers

Nieuws | door Frans van Heest
10 oktober 2018 | Paul van Meenen (D66) waarschuwt dat het draagvlak voor onderwijsinvesteringen in de samenleving heel broos wordt als het geld niet in de klas terecht komt, maar verdwijnt in de lumpsum. Dit zei hij bij de boekpresentatie van, 'De sluipende crisis, waarom het onderwijs niet beter wordt.'
Boekpresentatie, foto: De Balie

Iedereen lijkt het erover eens dat het onderwijs beter kan. Maar op initiatief van de samenleving en de politiek komt er steeds meer op het bordje van het onderwijs terecht. Hierdoor komt een cruciale taak: het verbeteren van het onderwijs in het gedrang. Ook is er vrijwel geen controle of de taken die vanuit de overheid over het onderwijs worden uitgestort daadwerkelijk worden uitgevoerd.

De afspraken die de overheid maakt met de PO-Raad en de VO-Raad zijn nepafspraken met nepvertegenwoordigers. Dat zeggen docent wiskunde René Kneyber en Dorien Zevenbergen, ambtenaar bij de Onderwijsinspectie in hun boek, ‘De sluipende crisis, waarom het onderwijs niet beter wordt.’ Afgelopen vrijdag was de boekpresentatie en gingen de twee auteurs in discussie met Paul van Meenen, Kamerlid voor D66 en Edith Hooge, hoogleraar onderwijsbestuur aan de Universiteit van Tilburg.

Onderwijsbeleid is een nerdy onderwerp

Aan het begin van de boekpresentatie zegt Kneyber dat hij opgelucht is dat er toch nog mensen naar de bijeenkomst zijn gekomen op vrijdagavond in de Balie. “Toen we dit gingen voorbereiden dacht ik: er zal waarschijnlijk niemand komen, het is toch een beetje een nerdy thema onderwijsbeleid.”

Kneyber die lid is van de Onderwijsraad ziet dat het veel geroemde rapport Dijsselbloem niet altijd zijn positieve sporen heeft nagelaten in het onderwijs. “Tien jaar geleden is het rapport Dijsselbloem verschenen. Wij zien sindsdien toch keer op keer dat de ambities om het onderwijs te verbeteren niet slagen. Dat de dingen die wij graag zouden willen: of het nu om beter rekenonderwijs gaat, meer gymonderwijs, of meer kansengelijkheid creëren, maar heel moeilijk van de grond komen. Uit de analyse die wij gemaakt hebben blijkt dat heel veel beleid niet slaagt. Sinds Dijsselbloem is dit probleem eigenlijk alleen nog maar groter geworden.”

Niemand durft nog wat sinds Dijsselbloem

De overheid heeft zich volgens Kneyber te veel teruggetrokken. “Een van de problemen is dat we een heel terughoudende overheid hebben gekregen. En dat niemand bepaalde problemen – zoals het stelsel dat het onderwijs echt in de weg zit – meer durft aan te pakken, vanwege Dijsselbloem. “

Een voorbeeld van die terugtrekkende overheid is volgens Kneyber te zien bij het aantrekken van jonge docenten. “Die terugtrekkende overheid zien we terug in allerlei ambities. In 2013 had iedereen heus wel in het vizier dat er een lerarentekort aan zat te komen. Een van de ideeën destijds was om de jonge docenten vast te houden en om daar geld voor uit te trekken. Daar is toen met de VO-Raad een afspraak over gemaakt. Er zou €65 miljoen worden geïnvesteerd, dat neerkwam op € 69,35 per leerling via de lumpsum.”

Wel daadkracht maar geen slagkracht

Van deze afspraak is weinig terechtgekomen ziet Kneyber en dat komt door de vrijblijvendheid van dergelijke afspraken. “Het grappige aan dit soort afspraken is dat niemand zich eigenlijk beseft dat de VO-Raad wel leden heeft in de vorm van schoolbesturen. Maar dat de afspraken die de VO-Raad maakt niet worden nageleefd.”

“Schoolbesturen hoeven zich niet te verantwoorden aan de overheid en de besturen hoeven zich ook niet te verantwoorden aan de VO-Raad. Als het geld niet uitgegeven wordt aan jonge docenten, dan zit iedereen naar elkaar te kijken en voelt niemand zich verantwoordelijk. Ik noem dat nepafspraken met nepvertegenwoordigers. Dat leidt ertoe dat er wel veel daadkracht is vanuit de overheid, maar er is geen slagkracht. Het probleem wordt daarmee niet opgelost, er zijn niet meer jonge docenten aangenomen.”

Een denkfout is volgens Kneyber dat er niet hard gestuurd kan worden vanuit de overheid. “Vaak wordt gedacht dat harde sturing niet hoort bij een decentraal systeem zoals in Nederland. Dat is helemaal niet zo. In een decentraal systeem heb je ook harde sturing nodig. Dan moet je soms zeggen: dit is wat er nu gaat gebeuren.  Anders kom je daar met z’n allen niet uit in zo’n decentraal systeem. Als het bijvoorbeeld gaat om kansenongelijkheid dan heeft het ministerie ingestoken op een Gelijke Kansen Alliantie. In de praktijk houdt dat in dat er heel veel partijen met elkaar gaan praten en brochures gaan maken.”

Wat is nu de echte crisis?

Terug naar de titel van het boek ziet de docent wiskunde een belangrijke crisis in het onderwijs. “Wat is nu echt de sluipende crisis? Ik zou zeggen dat de echte crisis een geloofwaardigheidscrisis is. Omdat iedere keer dat ze in Den Haag komen met nieuwe ideeën iedereen in het onderwijsveld zegt: ‘ja dat waait wel weer over.’ “Terwijl er soms ook hele goede dingen tussen zitten. Ik zou dat willen problematiseren. Ik vind dat wel een probleem. Ik denk dat er sommige dingen zijn die alleen de overheid kan en dat die daarop moet durven sturen.”

Een andere aanbeveling in het boek van Kneyber en Zevenbergen is om vooral geen korte termijnbeleid meer te maken. “Je kan niet verwachten dat dingen in drie of vier jaar gaan veranderen in het onderwijs. Het kost besturen, schoolleiders en leraren tijd om de praktijk in de school daadwerkelijk te veranderen. We weten uit onderzoek dat het 8 tot 14 jaar kan duren voordat je daadwerkelijk de effecten ziet van beleid. Waarom zijn we zo gefixeerd op de korte termijn? Waarom pakken we niet een termijn van 10 jaar? En als je dan zo nodig sectorakkoorden moet sluiten, doe dat dan over een termijn van 10 jaar. En de ambitie moet zijn om dat in te bedden in een periode van dertig jaar.”

Heeft een ambtenaar een bullshit-job?

Dorien Zevenbergen die eerder op OCW en nu bij de Inspectie werkt ziet dat zij en haar collega’s steeds weer hun bestaansrecht moeten aantonen. “De leraren zijn de enige die zich elke dag bezighouden met onderwijs. Die hoeven zicht nooit zorgen te maken over hun bestaansrecht. Voor al die andere functies in het onderwijs, inclusief die van mij geldt dat niet. De vraag die ik en mijn mede onderwijsambtenaren zichzelf zouden moeten stellen: heb ik eigenlijk een bullshit-job? Die heb je op het moment dat jij je werk niet meer zou uitvoeren en niemand het werk van jou zou overnemen. Dat dan de wereld in het beste geval hetzelfde eruitziet en in het slechtere geval erop vooruit zou gaan.”

Zevenbergen vindt dat haar collega’s op OCW en de Inspectie zich voortdurend moeten afvragen of ze wel zinvol bezig zijn. “Ik zeg: wantrouw de onderwijsambtenaar die zegt dat hij geen bullshit-job heeft. Voor ons bestaansrecht moeten wij het echt verdomd goed doen. Wij kunnen het alleen verdomd goed doen in een systeem wat goed in elkaar zit. Dat is een systeem dat gericht is op leren hoe te slagen in plaats van hoe te slagen.”

Ik dacht het niet

Edith Hooge had toch wel wat vraagtekens bij het betoog van Kneyber. “Wat ik fascinerend vind is dat je zegt: ‘de overheid is sinds Dijsselbloem heel terughoudend geworden.’ Ik dacht het niet. Als je kijkt naar wat er is gebeurd dan zie je dat de overheid juist meer en ook hard is gaan sturen op onderwijskwaliteit. En met hard bedoel ik gewoon met wetten en niets geen ‘nepafspraken.’”

Ook stoort Hooge zich aan het idee dat Kneyber in zijn boek opwerpt dat iedere euro die je in het systeem stopt ook zichtbaar resultaat moet opleveren. “Het onderwijs is geen bedrijfsleven. Het onderwijs is geen kwestie van: we gaan er zoveel instoppen en we krijgen er zoveel voor terug. Dat hele return on investment-denken dat is wat ik heel erg bij jou zie. Natuurlijk moet er verantwoording zijn. Het is publiek geld, maar ik denk dat het probleem van het beleid van de afgelopen jaren ook juist dit soort van denken is. Het is net alsof de overheid een contractpartner is, die investeert en dan moet er een return on investment zijn. Ik denk dat het onderwijs een basisvoorziening is en daar betaal je gewoon voor, punt.”

Kneyber vond deze kritiek toch iets te gemakkelijk. “Stel je voor dat je als overheid zegt: ‘alle kinderen moeten Chinees leren’. Dan moet je als overheid toch eerst inventariseren wat de capaciteit is van het onderwijs om dat daadwerkelijk te realiseren? Dan moet je toch ook de vraag stellen: hoeveel gaat het kosten om dit te realiseren? Dat is het probleem in de hele publieke sector. Dat we overal hooggespannen verwachtingen hebben, terwijl we niet goed in kaart brengen hoeveel het nu moet gaan kosten. De grootste rekening daarvan zie je in het primair onderwijs. Die hebben de grootste moeite om te voldoen aan de deugdelijkheidseisen.”

Lumpsum is een typische uitgavebeheersing

Paul van Meenen (D66) moet erkennen dat de politiek niet altijd consistent is. “Vanuit de politiek worden er inderdaad soms onmogelijke rare opdrachten gegeven aan het onderwijs. Waarbij er in die financiering geen relatie is tussen hetgeen wat je beschikbaar stelt en wat je verwacht. Lumpsum is een typische uitgavebeheersing. Je hebt een bepaald bedrag, dat stel je ter beschikking, je roept er wat bij wat je voor dat geld verwacht. Vervolgens hoop je maar dat dit lukt. Er zijn eigenlijk helemaal geen realistische beelden over de haalbaarheid.”

Van Meenen maakt zich ook zorgen over de rol die de sectorraden hierin spelen. “Het is niet alleen de overheid die dit vraagt, maar zij wordt daarin gesteund door partijen als de PO-Raad en de VO-Raad. Die sluiten een contract met een soort maakbaarheidsgedachte: ‘geef ons dat geld maar en dan gaan wij dit realiseren.’ Vervolgens komt daar helemaal niets van terecht. Helmaal niets,” zo herhaalde Van Meenen.”

Draagvlak voor investeren in onderwijs wordt heel broos

Dat dit geld niet zichtbaar wordt geïnvesteerd in het onderwijs, baart D66 zich zorgen. “Je moet publiek geld verantwoorden, niet zozeer naar de overheid, maar vooral naar de school, de ouders, leerlingen en studenten. Wat ik waarneem is een toenemende ontevredenheid over de onduidelijkheid waar dat geld naartoe gaat. Ik zie dat het draagvlak voor investeren in onderwijs heel broos wordt in dit land, doordat zoveel van dat geld niet zichtbaar verantwoord wordt en niet de klas bereikt. Daar moeten we met ons allen heel veel zorgen om maken.”

Hooge sneed in een nieuw punt aan in de discussie. Zij is wel enthousiast over het pleidooi in het boek voor regionale scholingscentra voor docenten, die geleid worden door de beroepsgroep zelf. “Je zou een nieuwe coöperatie kunnen maken, er is er net een gestopt”, verwijzend naar de Onderwijscoöperatie. “Waar leraren zich kunnen nascholen en waar onderzoek wordt gedaan. Dat vind ik jullie beste aanbeveling, zodat scholen voor leraren, schoolleiders en besturen leerplaatsen worden. Je hebt de betrokkenheid dan ook bij goed onderwijs van onderop.”

De lerarenopleidingen moeten die rol vervullen

Van Meenen viel de hoogleraar bij en zei dat de lerarenopleidingen hier een belangrijke rol  in kunnen spelen. “Volgens mij hebben wij eigenlijk al zoiets en dat zijn lerarenopleidingen. De pabo’s zouden die rol kunnen vervullen. Ik denk dat het alleen maar zou kunnen als de beroepsgroep zelf – hadden we maar een beroepsgroep voor leraren, –  leiding zou geven over wat daar gebeurt.  Dan zou je de lerarenopleidingen die rol ook kunnen geven.”

Hooge had nog wel een kanttekening bij die professionalisering. “Pas op dat je niet het primaat bij de leraar legt. Alleen het professionele perspectief neerleggen bij de leraar dat kan niet. Ik denk dat de kleine teams op scholen, hoe goed ze ook zijn niet alleen die professionalisering kunnen regelen. Dan ontbeer je de inbreng van de mensen die het onderwijs ontvangen: kinderen, ouders, studenten maar ook al die invloeden van de samenleving. Scholen zijn mini-samenlevingen daar heb je meer voor nodig dan alleen dat smalle perspectief van leraren.”

Schrale en armoeiige opvatting

De hoogleraar onderwijsbestuur stoort zich dan ook aan de vrees in het onderwijs om geld uit te geven aan professionalisering. “Wat mij altijd bijzonder stoort. Is dan in het onderwijs altijd iedereen doodsbang is om geld uit te geven.”

“Ik vind het schrijnend om in dit land te zien dat bestuurders in het primair onderwijs, niets maar dan ook niets voor hun eigen professionaliteit en bestuurlijke functioneren durven te organiseren. Omdat we met tranen in onze ogen zeggen: ‘al het geld moet naar de leerlingen’, dat vind ik een schrale en armoeiige opvatting over goed onderwijs maken.”


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK