Universiteiten kijken neer op de lerarenopleiding

Nieuws | door Frans van Heest
14 februari 2020 | Binnen de universiteit heerst een negatief beeld over de lerarenopleiding, met name binnen de bètafaculteit. Dit zorgt ervoor dat instroom achterblijft en het lerarentekort oploopt.
Foto: VSNU lerarenconferentie

De Universiteit Leiden, Rijksuniversiteit Groningen en de TU Delft hebben onderzocht hoe de instroom in de lerarenopleiding bij de bètavakken, wiskunde, informatica, natuurkunde en scheikunde vergroot kan worden. Dit vanwege de zorgen over de lage instroom in de universitaire lerarenopleidingen in bètavakken. De onderzoekers komen met een aantal voorstellen om de instroom in de lerarenopleiding te verhogen om zo bijvoorbeeld ook internationale studenten te verleiden voor het lerarenvak.

Meer bètastudenten maar niet meer leraren

Voor veel schoolvakken in het voortgezet onderwijs is er een groot tekort aan leraren. Dit geldt vooral voor de bètavakken: wiskunde, informatica, natuurkunde en scheikunde. Scholen komen hierdoor in de problemen bij het invullen van vacatures en er staan steeds meer leraren onbevoegd voor de klas.

Dit probleem is direct gerelateerd aan de lage instroom in de universitaire lerarenopleidingen, blijkt uit al eerder onderzoek. De overheid heeft de afgelopen jaren daarom tal van initiatieven de ruimte geboden, waaronder het inmiddels opgeheven Eerst de Klas, speciale programma’s voor zij-instromers, maar deze initiatieven hebben nog niet geleid tot het gewenste resultaat. Een van de initiatieven is de educatieve minor waarin bachelorstudenten in aanraking komen met het leraarsvak en deze wordt ook gezien als de toegang tot de educatieve master.

Nu blijkt dat deze educatieve minoren geen zoden aan de dijk zetten als het gaat om de instroom van studenten uit de bètadomeinen. Hoewel de instroom in bètavakken is toegenomen heeft dit niet geleid tot een hogere instroom in de lerarenopleiding. De onderzoekers hebben zich dan ook gebogen over de vraag hoe het komt dat deze studenten niet kiezen voor de educatieve master na het volgen van de educatieve minor.

Minor schrikt af

Uit het onderzoek blijkt dat studenten die al een educatieve master overwegen door het volgen van de minor bevestigd worden in hun keuze, maar dat de minor er slechts bij uitzondering in slaagt om studenten met geen of weinig interesse in een educatieve master toch te overtuigen om deze master te gaan volgen.

Na het volgen van de educatieve minor zijn studenten niet allemaal positiever geworden over het lerarenvak. Sommige bètastudenten krijgen hierdoor juist een negatiever beeld van het carrièreperspectief van het leraarschap; over het willen bijdragen aan het oplossen van problemen in het onderwijs zoals het lerarentekort; en over het willen werken met kinderen.

Studenten zijn in het algemeen na het volgen van de minor wel positiever geworden over de kenmerken van het leraarschap, zoals leiderschap en de mogelijkheid om bij te dragen aan gelijkheid in de maatschappij. Ook is hun perceptie met betrekking tot de moeilijkheid van lesgeven toegenomen: ze denken aan het einde dat het lerarenberoep moeilijker is dan dat ze dachten aan het begin.

Vakdidactiek is een belangrijk onderdeel van de lerarenopleiding en een essentieel bestanddeel voor de kwalificatie van een tweede- en eerstegraadsbevoegdheid. Leraren in opleiding zijn meer gemotiveerd om de lerarenopleiding af te ronden wanneer ze het vertrouwen hebben om dit succesvol af te ronden. Daarnaast blijkt dat ze enthousiaster en meer gecommitteerd zijn voor het beroep wanneer ze het vertrouwen hebben in hun eigen onderwijscapaciteiten, dit wordt in de literatuur ook wel self-efficacy genoemd.

De onderzoekers zien een positief verband tussen vakdidactische inzichten en self-efficacy bij de minorstudenten. Ook al is dit niet bepalend voor de educatieve masterkeuze, vertrouwen in eigen onderwijscapaciteiten kan wel plezier in het lesgeven vergroten en daaropvolgend wellicht de kans vergroten om later in het onderwijs terug te keren.

Inzicht in carrièreperspectieven

Om de instroom te verhogen, is het noodzakelijk om meer inzicht te verkrijgen in de carrièreaspiraties van bètastudenten in het algemeen en in hoeverre het leraarschap daar onderdeel van uitmaakt. Daarbij is gekeken wat voor carrièreperspectieven bachelorstudenten hebben op de bètafaculteit.  Daarvoor werden 910 studenten ondervraagd.

Bètastudenten kunnen worden onderverdeeld in vijf groepen op basis van hun carrière-aspiraties. Twee groepen daarvan, de onderwijsgroepen, hadden interesse in het leraarschap als carrière. Een kwart van de studenten bevond zich in deze zogenaamde onderwijsgroepen. In de onderwijsgroepen bevinden zich relatief meer vrouwen dan mannen en meer biologiestudenten dan studenten van andere studierichtingen. Wat ook opvalt is dat studenten met de beste studieresultaten ook onder de categorie vallen die interesse hebben in het lerarenvak. Volgens de onderzoekers weerlegt dit de mythe dat alleen de slechter presterende studenten interesse hebben in het leraarschap.

Met dit gegeven in het achterhoofd blijft het volgens de onderzoekers belangrijk dat er aan alle bètastudenten voorlichting wordt gegeven over lerarenopleidingstrajecten en het lerarenberoep. Het is immers mogelijk dat de (zeer) lage interesse bij de andere groepen wordt veroorzaakt door onbekendheid of onjuiste beeldvorming over de lerarenopleiding en het lerarenberoep.

Positieve onderwijservaring

Het laatste onderdeel van het onderzoek heeft betrekking op hoe universiteiten de motivatie stimuleren voor het lerarenvak. Daarbij is ook onderzoek gedaan naar vier docenten die nu voor de klas staan en afgestudeerd zijn. Voor alle vier de bètadocenten in dit onderzoek waren het voornamelijk positieve onderwijs-gerelateerde ervaringen vóór en tijdens de academische studie die belangrijk waren voor het ontstaan van interesse en de uiteindelijke carrièrekeuze voor het leraarschap.

Studenten ervaren tegelijkertijd dat de beeldvorming over onderwijs en het leraarschap op de bètafaculteit niet positief is. Tijdens oriënterende interview benoemde enkele studenten van de educatieve minor dit expliciet:

“Ik denk dat de meeste bètastudenten niet voor het onderwijs kiezen, omdat vanuit de opleiding het onderwijs niet aangeprezen wordt, maar ook niet verafschuwd; meer een beetje gedoogd.”

Een andere student zegt:

“Onderwijs wordt vanaf het begin wel genoemd als carrièremogelijkheid tijdens SLO [studieloopbaanoriëntatie] presentaties, maar het lijkt erop dat er een zekere minachting is voor het onderwijs, dat het werk onder je niveau is.”

Uit de vragenlijstonderzoek blijkt dat nog geen 10% van de bètaminorstudenten van de betrokken universiteiten ervaart dat het beroep van leraar gepromoot wordt binnen de opleiding.

Ook bij het management is er niet veel interesse in de lerarenopleiding blijkt uit interviews en dat er een sterke focus is op onderzoek.

“Dat er toch altijd wel docenten zijn die zeggen je kunt veel beter onderzoeker worden, je moet onderzoek doen en je kunt veel beter dit en dat niet doen. Dat gebeurt wel, dat ga ik niet ontkennen, maar dat willen wij niet.”

“…dat studenten duidelijk wordt gemaakt: als jij door wil in een bepaalde richting dan moet je niet de educatieve minor doen. Dan moet je zorgen dat je vakinhoud op peil is…”

De onderzoekers doen dan ook de aanbeveling dat de bètafaculteit moet werken aan een positievere beeldvorming over onderwijs en het leraarschap. Een gezamenlijke visie van de bètafaculteit en de lerarenopleiding op het opleiden van bètadocenten en het opnemen van onderwijsgerelateerde activiteiten in de bètastudies zal hieraan bijdragen, zo zeggen zij.

Systeemaanpak is noodzakelijk

De wetenschappers van de drie universiteiten komen met concrete voorstellen om de instroom te verhogen. “Voor het begrijpen en effectief beïnvloeden van het keuzeproces van studenten is een systeemaanpak noodzakelijk. Dat wil zeggen dat het gehele universitaire studietraject en daarbij behorende betrokkenen in de analyse moet worden betrokken en niet alleen geïsoleerd de aandacht moet worden gericht op een onderdeel van dit traject zoals de educatieve minor.”

Ook moeten universiteiten werken aan een betere beeldvorming rondom de lerarenopleidingen. “Studenten aan de bètafaculteiten ervaren doorgaans de beeldvorming over onderwijs en het leraarschap niet als positief. De meeste studenten ervaren niet dat het leraarsberoep expliciet wordt gepromoot als een van de mogelijke uitstroomrichtingen. Een positievere beeldvorming en grotere zichtbaarheid van leraarsberoep als uitstroomrichting aan de bètafaculteiten kan een bijdrage leveren aan verhoging van de instroom in de lerarenopleidingen.”

Studenten houden graag opties open

Ook moet er meer binding komen met het beroep van leraar. Het is van belang dat er meer aandacht wordt besteed aan binding van studenten die al onderdelen of de gehele lerarenopleiding al hebben afgerond. Veel studenten houden graag opties open en kiezen niet meteen voor het leraarschap.

Het is in dit verband van belang dat zowel vanuit de universiteit als vanuit de scholen voor voortgezet onderwijs activiteiten worden ondernomen om studenten en afgestudeerden die interesse hebben in het leraarsberoep betrokken te houden. Zodat dit de keuze voor het leraarsberoep op een later moment kan bevorderen.

Frans van Heest : 

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK