Niemand zag de Associate degree zitten, toch werd het een succes

Interview | door Klaas-Wybo van der Hoek
11 juni 2021 | De minister, ambtenaren, de hoger onderwijskoepels en hogescholen zelf – overal bestond twijfel over de invoering van de Associate degree, vertelt voormalig beleidsambtenaar Bert Broerse. Toch werden Ad's een succes; het werkveld en de studenten hadden er namelijk behoefte aan.
Voor de toekomst van het hoger onderwijs is er behoefte aan een betere afstemming tussen de onderwijsinstellingen en het werkveld, vindt Bert Broerse. Beeld: Archief Bert Broerse

Bert Broerse werkte meer dan veertig jaar als beleidsambtenaar op het ministerie van OCW. In zijn lange carrière heeft hij het hoger onderwijs tal van grote ontwikkelingen zien doormaken. Eén van de grootste ontwikkelingen betreft de omvorming van honderden hbo-scholen tot grote hogescholen, vertelt hij. 

“Het begrip ‘hogeschool’ gebruikten we vroeger niet; in plaats daarvan spraken we over hts’en, heao’s, sociale academies, pabo’s, enzovoorts. Pas later zijn die verschillende instellingen tot grote hogescholen samengevoegd. Dat was onderdeel van de zogeheten STC-operatie die schaalvergroting, taakverdeling en concentratie voorstond.” 

Taakverdeling hogescholen kan nog beter 

Inmiddels kijkend naar de meer dan dertig bekostigde hogescholen is die schaalvergroting geslaagd, vindt Broerse. Ook de concentratie van hogescholen op een overzichtelijk aantal plekken is goed gelukt. De taakverdeling is echter minder goed van de grond gekomen. “Die blijkt lastig te zijn”, beseft Broerse. “Elke wat grotere instelling heeft de neiging een breed scala aan opleidingen te willen aanbieden. Natuurlijk zijn er enkele uitzonderingen. Denk bijvoorbeeld aan een deel van het kunstonderwijs en een paar zelfstandig gebleven pabo’s.”  

De huidige hogescholen hebben de neiging het aantal lesplaatsen weer uit te breiden, aangevuurd door ambitieuze gemeentebesturen. “In de discussies over de uitbreiding van het aantal vestigingsplaatsen van het hbo kwam zelfs mijn eigen woonplaats Zoetermeer langs. Die kende alleen een ICT-opleiding van de Haagse Hogeschool. Ik werd uitgedaagd iets van een mogelijke uitbreiding te vinden en heb toen geantwoord: ‘ik snap dat je in Zoetermeer geen Concertgebouw of Bijenkorf kunt hebben’.” 

Taak OCW is steeds meer inhoudelijk geworden 

De uitbreiding van de kwaliteitsborging ziet Broerse tevens als een belangrijke ontwikkeling. Waar die taak vroeger alleen bij de Onderwijsinspectie en het ministerie van OCW lag, draagt de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO) sinds de oprichting in 2005 diezelfde taak.  

Meld u hier aan de ScienceGuide Nieuwsbrief

 

Daarnaast heeft Broerse gezien dat het takenpakket van het ministerie van OCW sterk van karakter is veranderd. “De directe controle op al die zaken verschoof in de loop der jaren van het ministerie naar uitvoeringsorganisaties en naar onderwijsinstellingen zelf. Voor financiën ontstond bijvoorbeeld, via een omweg, de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Het werk op het ministerie van OCW werd daarmee steeds politieker en beleidsmatiger, en steeds minder uitvoerend.” 

Werkveld en studenten vroegen om Ad 

Ook de ontwikkeling en invoering van de Associate degree, een onderwijsvorm waarvoor Broerse zich sterk heeft ingezet, vormt voor hem een belangrijke ontwikkeling in het hoger onderwijs van de afgelopen decennia. “Met de Ad werd de ontbrekende schakel tussen de kwalificatieniveau’s 4 en 6 gevonden.” 

Broerse vertelt veel vertrouwen in de Ad te hebben, mede vanwege de duidelijke voedingsbodem die eraan ten grondslag lag. “Vanuit de werkvelden kwam de vraag naar een doorontwikkeling van mensen met een mbo-achtergrond naar een hoger scholingsniveau. De functies binnen de werkvelden veranderen namelijk, en er werd meer van werknemers gevraagd. Ook speelt de Ad, met een opleidingsduur van twee jaar, goed in op de wensen van mbo’ers of havisten die een vierjarige bacheloropleiding te lang vinden.” 

Vereniging Hogescholen werkte niet mee  

Ondanks de duidelijke behoefte vanuit het werkveld en vanuit studenten stonden niet alle hogescholen te springen om met de Ad’s aan de slag te gaan, weet Broerse. “In de opstelling van de Vereniging Hogescholen zag ik een wat merkwaardig en schimmig spel. Er was geen échte tegenwerking, maar de Ad werd absoluut niet met enthousiasme omarmd. Vanwege de vrijheid die hogescholen vanuit het ministerie van OCW kregen om hun eigen profielkeuzes te maken, waren er ook hogescholen die de Ad’s simpelweg niet bij hun profiel vonden passen. Zij kozen liever voor de doorgaande lijn bachelor-master”, vertelt Broerse. 

“Men geloofde er domweg niet in”, voegt hij er nog aan toe. “Er werd zelfs nog gesuggereerd, vanuit de VSNU nota bene, dat de Ad’s bij uitstek tot het domein van het mbo zouden horen, als kop die op het mbo-4 niveau moest komen. Beleidsmatig was echter al bepaald dat de Ad’s tot het hoger onderwijs werden gerekend.” 

Ambtenaren en minister vonden Ad niet relevant 

Ook binnen het ministerie van OCW was niet iedereen enthousiast over de Ad, weet Broerse. “Sommigen vonden de Ad een minder relevant beleidsdossier. Men richtte zich primair op de bachelor-master-structuur. Het pleidooi voor de Ad zag men als een complicerende tegenstroom, vooral ingegeven vanuit het werkveld.” 

In de terughoudendheid binnen het ministerie speelde ook het destijds recente verleden van de structuur van het hoger onderwijs mee. “Vóór de invoering van de bachelor-master-structuur bestond er een ratjetoe aan korte hbo-opleidingen die in één, twee of drie jaar tot een formeel hbo-diploma leidden”, vertelt Broerse. Het gros van de kortere opleidingen werd overigens destijds aangeboden door private onderwijsinstellingen.  

"Ondanks de duidelijke behoefte vanuit het werkveld en vanuit studenten stonden niet alle hogescholen te springen om met de Ad's aan de slag te gaan"

Ook voormalig minister Bussemaker zag de Ad aanvankelijk niet zo zitten, merkt Broerse op. “Dat beeld werd gevoed door haar ervaringen bij de Hogeschool van Amsterdam, waar zij eerder rector was. In die omgeving zouden de werkvelden er geen behoefte aan hebben.” Als minister is ze echter, mede door gesprekken met andere instellingen die goede argumenten ten bate van de Ad aandroegen, van mening veranderd. “De overtuiging kwam evenzeer van werkvelden die de Ad als schakel nodig hadden in hun functiegebouw. Bovendien was de Ad uitstekend geschikt voor opscholing van werkenden.” 

De Ad als zelfstandige opleiding 

Na een aantal pilotrondes bleken de Ad’s behoorlijk succesvol, wat volgens Broerse om een definitieve invoering vroeg. Daarbij bleek het logischer om de Ad’s als zelfstandige opleidingen te laten fungeren dan binnen de bacheloropleidingen te plaatsen. “De Ad’s moesten zich optimaal kunnen ontwikkelen en tegelijkertijd goed aansluiten op de behoeften van deelnemers en werkvelden. Binnen het keurslijf van een bacheloropleiding komt dit niet altijd goed uit de verf.”  

Toen het besluit was genomen om de Ad’s tot zelfstandige opleidingen te maken, kwam echter het risico terug dat mbo-instellingen de Ad’s naar zich toe zouden trekken. Zover is het echter niet gekomen, vertelt Broerse. “Vanzelfsprekend moet er wel een goede wisselwerking zijn met het mbo.” 

De Rotterdam Academy als succesverhaal 

Ondanks de aanvankelijke weerstand is de Ad snel in de wet gekomen, vertelt Broerse. “De Kamerbrede motie Lambrechts van D66 werd in 2004 aangenomen. Die maakte de pilots met Ad’s mogelijk. Daarbij is wel steeds gezegd dat het een pilot betrof en dat men nog moest zien of de onderwijsvorm zou beklijven.” De uiteindelijke invoering van de Ad bleek een tweetrapsraket te zijn. “Eerst werd de Ad in 2013 als onderdeel van de bachelor erkend, en in 2017 kwam de Ad als eigenstandige opleiding in de wet. Uiteindelijk heeft de Vereniging Hogescholen zich eveneens laten overtuigen dat de invoering van de Ad noodzakelijk was.” 

Velen vinden dat het werk aan de Ad nu wel gedaan is, beseft Broerse. “De Ad is in de wet verankerd, heeft een definitieve plek in het bestel, en het aanbod ontwikkelt zich goed. De instrumenten die ertoe doen in het hoger onderwijs, zoals kwaliteitsborging en doelmatigheid, zijn erop integraal van toepassing. Klaar dus zou je zeggen, al er zijn soms zaken die om finetuning vragen.”  

De Ad is echter aan een opmars bezig is. “Meer instellingen zijn het belang ervan gaan inzien”, vertelt Broerse. “Niet alle hogescholen hoeven Ad’s aan te bieden, maar er zou idealiter wel sprake moeten zijn van een landelijk dekkend en toegankelijk aanbod. De dynamiek en het afkijken bij de buren helpen bij de uitbreiding van het aanbod. In Rotterdam is de Rotterdam Academy een succesverhaal, en dit jaar begint in Dordrecht een tweede Academy, in samenwerking met de Christelijke Hogeschool Ede, Hogeschool Inholland en het Da Vinci College.” 

Betere afstemming onderwijs en werkveld nodig 

Voor de toekomst van het hoger onderwijs is er volgens Broerse een behoefte aan een betere en meer dynamische afstemming tussen de onderwijsinstellingen en het werkveld. “Formeel is een ho-instelling autonoom, al pikt men wel signalen van het werkveld op”, vertelt hij. “Dat gaat via de opleidingscommissies en de sectorale adviescommissies van de Vereniging Hogescholen en meer indirect via de accreditatie.” 

Een beter alternatief ziet Broerse echter in een gezamenlijk periodiek overleg tussen onderwijsinstellingen en het werkveld uit de regio. “Ze kunnen aan tafel gaan om te bezien welke trends en concrete scholingsvragen zich aandienen. Zij kunnen dan onderling afspreken hoe deze in het bestaand of nieuw onderwijsaanbod te vertalen, rekening houdend met een doelmatige taakverdeling en hun instellingsprofiel.” 

Klaas-Wybo van der Hoek : 

Klaas-Wybo van der Hoek, oud-bestuurder van NHL Stenden, doet tegenwoordig onderzoek naar globalisering en hoger onderwijs. Daarnaast is hij onder meer actief op journalistiek gebied.


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK