Lerarenopleiders hebben niet genoeg tijd voor leesonderwijs

Nieuws | de redactie
23 november 2021 | Lerarenopleiders en docenten in Nederland in Vlaanderen voelen de urgentie om studenten en scholieren beter te leren lezen, maar kunnen hiervan geen werk maken wegens tijdgebrek en een overvol curriculum. Dat blijkt uit onderzoek van de Nederlandse Taalunie.
“Als goed voorbeeld noemen de onderzoekers de pabo van NHL Stenden. Daar lezen studenten minstens dertig jeugdboeken per opleidingsjaar.” Beeld: Rodnae productions.

De Vlaams-Nederlandse Taalraad Begrijpend Lezen, onderdeel van de Nederlandse Taalunie, heeft onderzocht hoe het begrijpend lezen van leraren-in-opleiding verbeterd kan worden. Toekomstige leraren moeten leerlingen namelijk begrijpend lezen aanleren terwijl lerarenopleiders al jaren merken dat het niveau van leraren-in-opleiding zélf te wensen overlaat. Hoe dit in het overvolle curriculum nog extra aandacht gaat krijgen, is echter de vraag. 

Leesmotivatie en leesvaardigheden staan onder druk 

Uit het onderzoek, dat bestaat uit interviews met medewerkers en studenten van vijftien lerarenopleidingen in Nederland en Vlaanderen, blijkt dat het belang van goed leesonderwijs binnen lerarenopleidingen erg duidelijk is. Docenten voelen de urgentie om studenten te helpen met het leesonderwijs. Zo bleek uit het internationale PISA-onderzoek dat de leesvaardigheid van studenten in 2018 op het laagste punt stond in vijftien jaar. Daarnaast merken docenten bij lerarenopleidingen dat het leesplezier onder studenten door de jaren heen minder en minder wordt. 

De docenten werken wel aan het vergroten van die leesmotivatie bij studenten. Zo worden studenten aangemoedigd om boeken te lezen, wordt in de klas gesproken over boeken en worden lessen begonnen met poëzie. Op de opleiding wordt zodoende benadrukt dat de toekomstige leraren een voorbeeld moeten zijn voor hun leerlingen. De leraren-in-opleiding moeten op de hoogte zijn van jeugdliteratuur om hun leerlingen zo goed mogelijk te begeleiden bij het lezen daarvan.  

Als goed voorbeeld noemen de onderzoekers de pabo van NHL Stenden. Daar lezen studenten minstens dertig jeugdboeken per opleidingsjaar. Twee derde van deze boeken moet uit de afgelopen vijf jaar komen, om zo te verzekeren dat de studenten op de hoogte zijn van recente ontwikkelingen in de jeugdliteratuur. Ook is een systeem bedacht waarbij studenten de favoriete boeken van andere studenten kunnen zien, wat leidt tot gesprekken die belangrijk zijn voor de manier waarop studenten leesplezier ontdekken. 

Curriculum zit al zo vol 

Initiatieven zoals die bij de pabo van NHL Stenden zijn echter eerder incidenteel dan structureel. Er is meestal geen specifiek beleid dat is gericht op leesvaardigheden; ondanks het belang daarvan hebben de meeste opleidingen hun taalbeleid voornamelijk gericht op schrijven en praten. Dat terwijl de onderzoekers beargumenteren dat lezen gezien kan worden als “de motor die de andere taalvaardigheden kan meetrekken.” Een speciaal beleid hiervoor noemen de onderzoekers dan ook van groot belang, maar bij de opleidingen spelen nog zoveel andere zaken dat hiervoor moeilijk ruimte te vinden is. 



Dit komt ook naar voren uit veel van de gesprekken met lerarenopleiders. Ze willen graag meer tijd wijden aan leesvaardigheden, maar het curriculum zit al erg vol met andere hele belangrijke zaken. Daarnaast speelt de landelijke kennisbasistoets volgens veel lerarenopleiders een negatieve rol; leesvaardigheden worden hierin op een specifieke manier getoetst, waardoor het verleidelijk is om aan de hand daarvan les te geven. Ook wetenschappelijk onderzoek over begrijpend lezen en de didactiek daarachter blijft soms onderbelicht in lerarenopleidingen. Alle geïnterviewden bleken echter wel goed op de hoogte te zijn van de laatste ontwikkelingen op dit gebied. De onderzoekers zagen wel dat er soms te snel gekeken wordt naar leesplezier in plaats van naar het hele plaatje, waarin zowel leesplezier als technisch lezen een plaats moet hebben.  

Een mogelijke oplossing hiervoor is om het technisch lezen vaker te laten voorkomen in andere vakken dan het Nederlands. Begrijpend lezen is immers ook een belangrijk onderdeel van het begrijpen van bijvoorbeeld teksten voor het vak geschiedenis. Een vakoverstijgende samenwerking binnen het curriculum wordt daarom gezien als goed leesbeleid; dit staat dan ook vaak op de agenda als opleidingen het curriculum vernieuwen, hoewel dat nog te weinig structureel gebeurt 

Samenwerkingen en andere initiatieven zijn te incidenteel 

Andere samenwerkingen die volgens de onderzoekers kunnen helpen zijn samenwerkingen met vaste stagescholen. Scholen hebben vaak al vaste lesmethoden wat lezen betreft, en schoolleiders zijn niet altijd bereid dit te veranderen. Sommige lerarenopleidingen zetten daarom samenwerkingen op met stagescholen waarbij ze ook in overleg kunnen gaan over didactiek. Dit helpt tevens met de brugfunctie die lerarenopleiders volgens docenten hebben; beginnende leraren kunnen hun wetenschappelijke inzichten meenemen naar de praktijk en die daarmee verder ontwikkelen.  

Ook kunnen lerarenopleidingen meer naar elkaar kijken voor hulp, vertelden docenten tegen de onderzoekers. “Zo zou een database met kennisclips, handige tools en goede praktijkvoorbeelden rond effectief leesonderwijs een hulp zijn voor veel opleiders.” 

Volgens de geïnterviewden en de Taalraad is het tot slot ook noodzakelijk dat de overheid structurele veranderingen coördineert om zowel leesvaardigheden als de leesmotivatie van jongeren te stimuleren.  

Er zijn volgens de betrokkenen al genoeg goede bestaande initiatieven, maar die zijn incidenteel. Goede coördinatie in de samenwerking kan deze initiatieven meer breedte en samenhang geven en tegelijkertijd handvatten bieden aan lerarenopleiders en leraren-in-opleiding.  


«
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.
Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan
OK