Minister: te veel bijzonder hoogleraren bedreigt onafhankelijkheid onderzoek

Nieuws | de redactie
13 juli 2022 | Minister Dijkgraaf wil onafhankelijk laten onderzoeken of de gedragscode wetenschappelijke integriteit volstaat om de onafhankelijkheid van onderzoek door bijzonder hoogleraren te borgen. Dijkgraaf vindt het zorgelijk dat sommige faculteiten meer bijzonder dan gewone hoogleraren hebben. Dat maakt de onafhankelijke beoefening van onderzoek en onderwijs kwetsbaar, schrijft hij in antwoord op Kamervragen.
Beeld: Sebastiaan ter Burg (CC BY 2.0)

“Opnieuw blijken universiteiten en wetenschappers niet transparant over hun geldschieters. Hoogleraren van de universiteiten van Rotterdam, Tilburg en Amsterdam (VU) zijn voor hun wetenschappelijke werk gefinancierd door de Belastingdienst en accountantskantoren, terwijl dat nergens werd vermeld”, opende Nieuwsuur onlangs in het artikel ‘Een hoogleraar cadeau‘. Voor Kamerleden Jasper van Dijk en Peter Kwint (beiden SP) was dat reden om Kamervragen te stellen aan minister Dijkgraaf.  

Zeven bijzonder hoogleraren bekostigd door Financiën 

In zijn antwoorden (pdf) geeft de minister een lijst van zeven leerstoelen die het ministerie van Financiën momenteel financiert. Deze leerstoelen, die soms over meerdere universiteiten zijn verdeeld, zijn ondergebracht bij de Universiteit Leiden, de Universiteit van Tilburg, Nyenrode, de VU, de Universiteit Maastricht en de Universiteit Utrecht. Volgens Dijkgraaf is die informatie openbaar maar zou er geen misverstand mogen bestaan over de organisatie die deze hoogleraren betaalt. Dat is het ministerie, niet de universiteit.  



Aan Kamerlid Pieter Omtzigt, die eerder Kamervragen stelde naar aanleiding van het Nieuwsuur-artikel, heeft de minister toegezegd samen met UNL een lijst te maken van alle bijzondere leerstoelen die direct of indirect met publieke middelen worden gefinancierd. 

Verantwoordelijkheid voor bijzonder hoogleraren ligt bij universiteiten 

De minister is niet van mening dat de constructie van een bijzondere leerstoel ertoe leidt dat de belangen van het ministerie (of een andere organisatie die een leerstoel financiert) positief worden meegenomen in een wetenschappelijke publicatie. Volgens hem geeft het college van bestuur een externe organisatie pas toestemming om een bijzondere leerstoel te vestigen als deze organisatie de academische vrijheid borgt en de betreffende kandidaat voldoet aan de vereisten voor een hoogleraar. “Op grond van de WHW dient het college van bestuur de bevoegdverklaring in te trekken als het belang van het wetenschappelijk onderwijs zich niet meer verdraagt met deze verklaring. Het niet onafhankelijk uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek, dat verweven is met het onderwijs, is een voorbeeld hiervan”, schrijft hij. 

De universiteit, die niet betaalt, moet dus wel bepalen. De bijzonder hoogleraar en diens leerstoel wordt niet door de universiteit betaald, maar het is de universiteit die moet toezien op de wetenschappelijke integriteit. Zo is het in deze gevallen aan de universiteit om te controleren of een bijzonder hoogleraar transparant is over de externe financiering.  

Voor een ingreep door een onafhankelijke derde partij zoals de Onderwijsinspectie is geen wettelijke basis, schrijft de minister. Wie vermoedt dat een bijzonder hoogleraar zich niet houdt aan de gedragscode voor wetenschappelijke integriteit, zal moeten aankloppen bij de Commissie Wetenschappelijke Integriteit (CWI) van de betreffende instelling. Bij ontevredenheid over het werk van die CWI kan nog worden aangeklopt bij het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (LOWI). 

Onafhankelijk onderzoek naar gedragscode 

Dijkgraaf wil niet meegaan in de stelling dat het goed zou zijn als bijzonder hoogleraren in dienst komen van de universiteit. “De meerwaarde van de bijzondere leerstoel moet niet op voorhand overboord worden weggegooid”, schrijft hij. Wel vindt hij het zorgelijk dat sommige faculteiten meer bijzonder dan gewone hoogleraren hebben; dat maakt de onafhankelijkheid van het onderzoek en het onderwijs kwetsbaar. Daarover wil hij het gesprek aangaan met de sector.  

Dat zal niet het enige gesprek zijn. Ook de gedragscode wetenschappelijke integriteit zal worden besproken met de koepels, de KNAW, NWO en de TO2-federatie. “Het is van belang om een beeld te krijgen van de effectiviteit, handhaving en naleving van de normen en zorgplichten over onafhankelijkheid en transparantie”, schrijft Dijkgraaf. Daarom wil hij deze normen door een onafhankelijke commissie laten evalueren, een voornemen dat hij al eerder meldde. “Afhankelijk van de uitkomsten van de evaluatie zal ik bezien of wettelijke verankering noodzakelijk is”, sluit hij af.  


«
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.
Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan
OK