Verwarring over rol OECD

Nieuws | de redactie
30 oktober 2015 | Het OCW-begrotingsdebat ging over grote thema’s: strategie, ongelijkheid lumpsumbekostiging en de onderwijsbehoeften van 2032. Daarbij ontstond grote verwarring over de OECD: adviseert deze Bussemaker? Waarom dan en waarom een ander niet? Hier enige ontwarring van de kluwen.

1. Anders dan Paul van Meenen van D66 beweerde zijn er geen “vernietigende oordelen” van de OECD over het Nederlands onderwijs. Allereerst omdat de OECD geen oordelen uitspreekt.  De Parijse denktank voor de hoogontwikkelde naties is geen über-NVAO of hyper-Raad van State.

De OECD is ontstaan vanuit de monitoringsorganisatie voor de uitvoering van het Marshall Plan. Daarom dat zij destijds met veel Amerikaanse knowhow en geld gevestigd werd in Parijs en sinds de start zich bezig houdt met analyseren en adviseren over de meest doeltreffende manier om kennisnaties naar meer welvaart, welzijn en open, innovatieve economieën te doen uitgroeien.

Daarom ook dat een beperkt aantal landen lid kan zijn. Het gaat – ook nu nog – om de ontvangers destijds van de Marshall Hulp voor West- en Zuid-Europa en de landen in het democratische deel van de wereld, die zich in de decennia nadien naar vergelijkbare complexe industrienaties hebben ontwikkeld. Dus is Japan wel lid, maar Rusland niet en Chili wel, maar Iran niet. Dat verklaart ook waarom in 2010 Estland het eerste Baltische lid kon worden.

2.  Dat idee van een ‘vernietigend oordeel’ is wel te herleiden tot de bron. Recent publiceerde de onderwijsafdeling van de OECD een studie naar de impact van het rekenonderwijs in de lidstaten wereldwijd. Daaruit bleek tot veler verassing, dat dit onderwijs in ons land meer bijdroeg aan het in stand houden van ongelijkheid tussen leerlingen en hun kansen later dan in elk ander land. De schrik daarover zat er in onderwijsland wel in toen.

3. De OECD publiceert regelmatig lijsten met de uitkomsten per land van de beheersing van vakgebieden in het onderwijs door jongeren. Daaruit kunnen beleidsmakers herleiden op welke niveau van kennis, inzicht en vaardigheid de jeugd in een land zich bevindt vergeleken met die in andere hoogontwikkelde naties.  Dit zijn de zogeheten PISA-rankings en de nieuwe PIACC-rankings voor volwassenen onderwijs en LevenLangLeren.

“We brengen het er erg goed vanaf. Op lezen staan we 3e na Japan en Finland. Op rekenen is alleen Japan beter en bij probleemoplossend vermogen staan we ook 3e,” zei Jet Bussemaker bij de presentatie van de eerste PIACC-ranking in 2013. “Ik kreeg afgelopen week al veel complimenten van andere OECD-ministers voor de Nederlandse prestaties. Maar dat mag niet tot leiden tot “zelfgenoegzaamheid en borstklopperij”.

“We zijn een klein bootje op een grote oceaan, noch de getijden, noch de golven kunnen we aanpassen. Het enige wat we kunnen doen is zorgen dat we een goede bemanning hebben. Een bemanning die flexibel en goed opgeleid is. En gelukkig hebben we die in Nederland. Het zegt veel over de kwaliteit van onderwijs dat je met een Nederlands VWO diploma beter scoort dan met een academische titel uit Italië of Spanje.”

Ook deze rankings zijn geen oordelen of hitlijsten. Zij zijn altijd relatief en geven binnen hun ranking bovendien bandbreedten aan. Zo weten wij dat de Nederlandse jeugd relatief hooggeschoold is in rekenen en wiskunde en dat de zwakkere leerlingen binnen die bandbreedte binnen ons land zelf relatief goed scoren vergeleken met zwakkere leerlingen in onze buurlanden. De bollebozen in andere landen doen het daarentegen vaak veel beter dan de Willy Wortels dan bij ons.  Opnieuw dus: een analyse, comparatieve data en geen rapportcijfer.

4. Grote verwarring ontstond in de Kamer doordat de OECD op dit moment een reviewvan het Nederlands onderwijs doet en minister Bussemaker de Parijse denktank tegelijk heeft gevraagd samen met de SER een traject op te zetten voor de ontwikkeling van een lange termijn skills strategie. Die verwarring werd mede verergerd doordat de OECD-reviewexperts wel een indringende hoorzitting met de Kamer hielden, maar zeer weinig fracties toen de moeite namen de inhoudelijke dialoog aan te gaan, zodat ‘hearsay’ leek te domineren in het begrotingsdebat.

5. Een OECD-review is een intensieve studie naar het onderwijsbestel, -beleid en -perspectief van een land. Deze wordt eens in de tien à vijftien jaar uitgevoerd, altijd in samenspraak met het betrokken land. In 2005-2006 is nog eens zo’n review van ons land gedaan. Minister Plassterk  trad aan in begin 2007 en poogde dat reviewrapport toen schielijk in een lade te doen verdwijnen.

Op dit moment rondt de OECD de eerste fase van de review af die in 2016 gepubliceerd zal worden. Men praat met alle betrokken partijen en bevraagt hen over de stand van zaken, zorgen en perspectieven. Ook bestudeert en vergelijkt men de resultaten en keuzes die ons land daarbij maakt, daaruit distilleert men een lange termijnanalyse, waarin Nederland wordt vergeleken met andere, relevante landen. Eerder dus met Scandinavië dan met Mexico, of eerder met Vlaanderen dan met Korea. De review heeft dus niets te maken met het skills strategie traject van de SER en OECD.

6. Dat SER-OECD traject is een geheel nieuw beleidsfenomeen. De minister heeft deze twee kenniscentra van beleid en strategie gevraagd hun beider sterkste kanten – draagvlak in kennis naast internationale analyse en datacapaciteit – te combineren in een traject van uitdieping en advisering over de toekomstige kennis en vaardigheden, die noodzakelijk zijn voor een complexe, lerende en responsieve samenleving als de onze.

OECD voorman Angel Gurria had een dergelijk lange termijn traject bedacht en wilde dit met een land uitproberen, dat zowel slim als open durfde te zijn. Zijn enthousiasme over onder meer het debat over lerarenkwaliteit tijdens de ISTP 2013 in ‘the Glassroom’ op het Beursplein bleek aanstekelijk. Minister Bussemaker kreeg hierop de brainwave, dat dit wereldwijd perspectief zeer vruchtbaar te enten zou zijn op het brede, nationale perspectief dat via de SER ontwikkeld kon worden.

7. De Kamer heeft nu in zijn verwarring gedacht, dat men naast, bovenop of los van de OECD-review en de skills strategie met internationale input een soort eigen nationale advisering nodig zou vinden. Daar zou de Onderwijsraad nu voor aangesproken moeten worden. Het is maar de vraag of dat College van Staat hierop zit te wachten.

Voorzitter Henriette Maassen van den Brink zei immers onlangs nog tegenScienceGuide, dat zij af wil van incidentele vragen om advies, waarin de Raad steeds dezelfde dingen naar voren moet brengen. “Dat zit soms eigenlijk dicht aan tegen de waan van de dag. Dat hoort niet bij een gezaghebbende Onderwijsraad.” Er was nog iets dat de nieuwe Onderwijsraad trof. “Wat mij opviel in de afgelopen werkprogramma’s was dat de vragen vaak zo breed waren, dat je moest oppassen dat het niet alle kanten op ging. Niets is moeilijker dan het stellen van de juiste vragen.”

 

 

 


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK