Geen principiële bezwaren tegen Yantai

Verslag | door Sicco de Knecht
9 februari 2018 | “Wij hebben geen fundamenteel probleem met dit plan maar het was gewoon geen overtuigende business case.” Niet de discussie over academische vrijheid, maar de bereidheid om energie te stoppen in een branchcampus en de (financiële) risico’s blijken toch de zwaarste argumenten tegen een Groningse branchcampus in Yantai.
V.l.n.r. Konstantinos Efstathiou, Geoff Hall en Lena Scheen

De afgelopen jaren hebben meerdere buitenlandse universiteiten zich gevestigd met een (branch)campus in Chinese steden. Op uitnodiging van het Globalisation Studies en het Centre for East Asian Studies van de Rijksuniversiteit Groningen kwamen vertegenwoordigers van een aantal van die buitenlandse universiteiten samen om hun ervaringen met het opzetten van een (branch)campus in China te delen.

De bijeenkomst stond al langer gepland, in anticipatie van een nog te nemen besluit van de universiteitsraad over de wenselijkheid van een branchcampus in Yantai. En alhoewel vorige week het definitieve besluit al werd genomen om de plannen voor de campus in Yantai af te blazen had de organisatie toch besloten de bijeenkomst door te laten gaan. De ontwikkelingen rond Yantai zelf stonden niet op de agenda, maar dat kon niet voorkomen dat het daar toch over ging.

Academische vrijheid niet het belangrijkste issue

De vertegenwoordigers van de buitenlandse universiteiten kregen allereerst de gelegenheid om vanuit hun eigen ervaring te vertellen het doen van onderzoek en geven van onderwijs in China. Lena Scheen, die lesgeeft aan de New York University in Shanghai verwoordde de boodschap van het gehele panel helder: “Natuurlijk moet je zo’n grote stap niet klakkeloos nemen. Je zou geen goede academicus zijn als je hier geen kritische vragen bij zou hebben.” Desalniettemin waren de panelleden van mening dat de negatieve risico’s van een campus in China het niet winnen van de positieve aspecten.

Kritische vragen waren er zeker, zo bleek uit het rapport dat de Yantai-commissie van de universiteitsraad afgelopen maandag vrijgaf. In anticipatie op de zorgen uit de zaal over academische vrijheid nam Scheen alvast een voorschot: “In zekere zin zijn wij voor de Chinese overheid een uitzondering en tegelijk een experiment. Wij hebben onze eigen internetverbinding en kunnen vrij gebruik maken van de mogelijkheden, maar zodra je het gebouw verlaat is dat natuurlijk voorbij.”

Geoffrey Hall, decaan van de dependance van Nottingham University in Ningbo gaf aan zeer bekend te zijn met de reserveringen die ook sommigen van zijn collega’s hadden bij de onderneming in de havenstad Ningbo. “Ik heb ook zeker kritieken gehoord van mensen die het maar een louche onderneming vonden. Inmiddels durf ik wel te stellen dat onze moedercampus wat de onderwijskwaliteit betreft nog wat zou kunnen leren van hoe we het in Ningbo aanpakken.”

Praktisch gezien konden zowel Scheen als Hall bevestigen dat ze nooit enige hinder in hun academische werkzaamheden hadden ondervonden. “Het gaat nu goed, en niets is zeker in het leven, je moet alleen wel redelijk zijn. Over het algemeen verwachten mensen alleen maar negatieve verrassingen, maar er zijn ook heel veel positieve verrassingen,” voegde Hall daar aan toe. “Alhoewel 50% van de studenten in mijn klas lid zijn van de Communistische Partij praten wij in onze leslokalen bijzonder vrij, ook over onderwerpen als democratie.”

De beschuldiging dat een buitenlandse aanwezigheid in China het regime legitimeert is volgens Hall kortzichtig. “Ik zie genoeg problemen met het hedendaagse China, maar over het Verenigd Koninkrijk ben ik ook niet echt te spreken.” In het verlengde daarvan benadrukte hij dat het wat hem betreft juist de taak is van academici om die verschillen te overbruggen. “Je moet als academicus altijd enige distantie bewaken ten opzichte van het systeem waarin je werkt, en altijd kritisch blijven – ook in China.”

Business model ontoereikend

Tot verbazing van enkele aanwezigen, waaronder het panel, waren de zorgen over de academische vrijheid slechts een marginaal onderdeel van de overwegingen van de medezeggenschap en sommige tegenstanders in de zaal om het plan te verwerpen. Als belangrijker argument werden de tekortkomingen van het ‘business model’ van deze onderneming genoemd.

Een lid van de universiteitsraad lichtte het als volgt toe: “Wij hebben duidelijk aangegeven dat we geen fundamenteel probleem hebben met dit plan. Ook niet om in China een vestiging te starten. We hebben zelfs geen fundamenteel probleem met de aanwezigheid van een partijsecretaris. Het ging ons om het plan dat voorgelegd is, dat was gewoon niet overtuigend.”

In het rapport van de Yantai-commissie wordt onder andere ingegaan op de prognoses van de studenteninstroom en vraag of het mogelijk is voldoende personeel te werven voor het plan. Daarnaast wordt bekritiseerd dat de RuG geen ‘verdienmodel’ in Yantai zou hebben en dat onduidelijk is welk deel van de opbrengsten terug zou vloeien.

Voor de Universiy of Nottingham was het financiële plaatje juist heel positief, zo wist Geoff Hall te vertellen. “Mijn universiteit is dit project ingegaan met de verwachting binnen tien jaar de investering terugverdiend te hebben. Dat bleek al binnen vier à vijf jaar het geval.” Wat dat betreft maakte ook Scheen van New York University zich weinig zorgen. “Wij zouden met gemak ons studentenaantal kunnen verdubbelen, maar dat doen we niet uit het oogpunt van kwaliteit.”

“Er is genoeg geld in China, dat is niet iets waar wij ons ooit zorgen over hebben gemaakt,” stelt Hall. Hij beschrijft hoe kort geleden een grote magnaat uit Hong Kong nog eens een flinke donatie deed. “Hij verklaarde tijdens een diner dat hij 60 miljoen yen aan ons over zou maken. Dat is een slordige 7 miljoen pond… No strings attached.”

Kritiek op het proces

Panellid Konstantinos Efstathiou, die eerder vanuit de Liverpool University samenwerkte met een universiteit in Xian en nu werkt aan het instituut voor mathematica van de RuG, reageerde op de conclusies van de universiteitsraad: “Ik ben echt uit het veld geslagen door deze beslissing.”

Hij wilde van de medezeggenschap weten waarom zij niet duidelijker zijn geweest in hoe ze de invulling dan hadden willen zien. “Ik weet dat jullie in allerlei commissies heel hard hebben gewerkt om dit plan te bestuderen, en ik ben het zelfs met een aantal van jullie punten eens. Maar ik heb nooit gehoord wat jullie voorwaarden waren.” Dat verwijt ging er bij de universiteitsraad niet in. “Wat denkt u dat wij de afgelopen jaren hebben gedaan?” wierp een van de aanwezige raadsleden terug.

Uit de discussie werd in ieder geval duidelijk dat het proces bij de betrokken partijen kwaad bloed heeft gezet. “Dit plan is al tweeënhalf jaar in de maak, en we sturen het steeds weer terug,” stelde een ander raadslid. “Op een gegeven moment moet je besluiten of het ‘goed genoeg is. Dat gevoel hadden wij niet.” 

Is er animo?

Voor de universiteitsraad gaf de bereidheid van het personeel van de faculteit Science and Engineering de doorslag. “Wij hebben meerdere gesprekken gehad met medewerkers van de faculteit en zij gaven bij ons aan het niet te zien zitten”, gaf een van de raadsleden aan. “Vooral de medewerkers van scheikunde, levenswetenschappen en techniek waren kritisch. Voornamelijk omdat het moeilijke programma’s zijn om te organiseren. Het is niet de eerste opleiding die in je opkomt als je zegt: daar ga ik eens een branchcampus mee beginnen.”

Op het punt van bereidwilligheid gaf Jacques Zeelen, hoogleraar leven lang leren in een globale context, het slotakkoord. “Wat ik hier voel in de zaal, ook onder de kritische aanwezigen, is dat men in principe positief is. Ik hoor helemaal geen anti-internationaliserings of anti-China argumenten voorbijkomen.” Hij uitte daarnaast wel verbazing over de gang van zaken. “Ik moet zeggen dat ik niet het gevoel heb gekregen dat er een goede dialoog is geweest. Ook niet tussen de universiteitsraad en de mensen op deze universiteit.”

Zeelen pleitte er dan ook voor om het proces opnieuw open te gooien en hij wees er daarbij op dat er al heel veel wordt samengewerkt, internationaal en ook met Chinese partners. “Ik heb het gevoel dat we nog veel meer kunnen doen, maar laten we de kleine zaken vooral laten voor wat ze zijn. De tegenwerpingen zijn reëel, natuurlijk, en zo’n businessplan moet je verbeteren. Als er goede tegenargumenten zijn, dan moet je daar wat mee.”

“Als sommige stafleden twijfelen of ze zich wel aan zo’n project willen committeren, en ze zichzelf afvragen of ze wel in zo’n opwindende omgeving willen werken, dan is die zorg reëel. Zoek dan stafleden die wél staan te trappelen En laten we de ervaring van andere collega’s daarbij betrekken.” Terugkijkend op het proces leek het Zeelen beter het vingerwijzen nu achterwege te laten. “Er zullen een boel dingen mis zijn gegaan, niet iedereen heeft op het juiste moment het goede gedaan, maar laten we de aankomende tijd aangrijpen om het beter te doen.”


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«