NVAO: denk niet lichtzinnig over onze nieuwe taaleis

Nieuws | door Frans van Heest
19 november 2018 | De NVAO waarschuwt hbo en wo-instellingen om niet te lichtzinnig te denken over de nieuwe taaleis in het nieuwe accreditatiekader. Als het veld zelf niet goed verantwoordt waarom een opleiding ‘Social Work’ of ‘Finance & Control’ heet dan pakt de politiek dit op en dan zijn de gevolgen niet altijd te overzien. Ook het gebruik van het Engels als onderwijstaal moet goed beargumenteerd worden.
Foto: Biljana Jovanovic

Tijdens een drukbezochte informatiebijeenkomst van de NVAO wordt er gesproken over het nieuwe accreditatiekader. Als het politiek meezit en er geen vertragingen optreden bij de wetsbehandeling dan is de verwachting dat het nieuwe kader op 1 februari 2019 van kracht zal zijn.

Bij de bijeenkomst in Amersfoort legt René Hageman, afdelingshoofd Nederland voor de NVAO uit wat de reden is waarom er na 2016 nu al weer een nieuw kader komt. “Waarom nu weer een nieuw kader? We hadden het kader 2016 en met de overgangsregeling zijn we uiteindelijk pas net over naar het nieuwe kader. Dan moeten we terug naar juni 2016, toen wij op het verzoek van het ministerie een nieuw kader hadden ontwikkeld, kwam OCW er achter dat ook de wet nog moest worden aangepast.”

Een tweede reden is een kritisch inspectieonderzoek naar de kwaliteitsborging in het hoger onderwijs van vorig jaar. De Inspectie vindt dat de onafhankelijkheid van secretarissen van de visitatiepanels aangescherpt moet worden. Daarnaast vinden ze de gedifferentieerde oordelen, ‘voldoende’, ‘goed’ en ‘excellent’ arbitrair. Daar zou men beter maar helemaal mee stoppen.

Je weet nooit hoe de Raad van State reageert

Hageman legt uit dat de wet momenteel nog voorligt in het parlement maar dat de NVAO geen vertraging verwacht. “De Kamervragen zijn niet zodanig streng of ingewikkeld dat ik denk dat dit een ernstig probleem wordt. Het ligt nog wel voor bij de Raad van State. Daar weet je nooit hoe die gaan reageren, maar uiteindelijk is de verwachting, zeker van OCW dat 1 februari 2019 de datum wordt dat de nieuwe wet wordt ingevoerd.”

Deze vragen vanuit de Kamer hebben vooral betrekking op de nieuwe taaleis in het accreditatiekader. De Tweede Kamer wil weten hoe de minister dit punt gaat handhaven. De wet is daar nog niet expliciet over volgens de Kamerleden van onder andere de SGP en het CDA.

Vanuit de zaal kwam ook de vraag hoe het zit met de nieuwe taaleis wat betekent dit bijvoorbeeld voor de opleidingsnaam. “Er is nu een opleiding Finance & Control, die wordt op 15 Nederlandse hogescholen aangeboden met een Engelse naam. Moet dat straks verantwoord worden?”

Thomas de Bruijn, beleidsmedewerker bij de NVAO reageerde als eerste op die vraag. “De formulering in de wet is neutraal gekozen. Er wordt gevraagd om een motivering van een anderstalige opleidingsnaam of het gebruik van anderstalig onderwijs. Wat wel gevraagd wordt van de opleiding is om een motivering te geven waarom gekozen is voor Finance & Control.” De vragensteller uit de zaal wees erop dat deze naamswijziging van bedrijfseconomie naar Finance & Control al eerder was goedgekeurd door de minister. Toch geeft de NVAO aan dat bij alle nieuwe accreditaties naar dit punt wordt gekeken.

Dit moet je als opleiding wel goed uitleggen

René Hageman (afdelingshoofd Nederland) benadrukt dat hier niet te lichtzinnig over gedacht moet worden. “Het is hier wel een verantwoordelijkheid van de instelling om dit goed uit te leggen. Want de politieke discussie is nu wel zo, dat als er anderstalig onderwijs wordt verzorgd terwijl er eigenlijk geen goede reden voor is. Lees: je hebt alleen maar Nederlandse studenten en de arbeidsmarkt is Nederlands. Dan worden hier wel vragen over gesteld.”

Hageman moest erkennen dat het een onderdeel is in het nieuwe kader waar de NVAO gelukkig mee is. “Het is ook niet iets wat wij nu met heel veel plezier in onze kader hebben opgenomen, maar het is wel een politiek gegeven waar je als instelling ook mee zal moeten worstelen. In elke visitatie zal door het panel hiernaar gekeken worden.”

“Dus elke opleiding moet in zijn eigen rapport aangeven: waarom en welke motieven er gekozen zijn om anderstalig onderwijs of een opleiding met een Engelse term aan te duiden. Dus ook Finance & Control, maar denk bijvoorbeeld ook aan ‘Social Work’ of ‘Design.’ In veel van dit soort gevallen kun je je afvragen is dat logisch? In sommige gevallen is het volstrekt logisch en in andere gevallen roept dat vragen op, die motivatie doet er wel toe.”

Hageman waarschuwde de zaal vol beleidsmedewerkers onderwijskwaliteit dat als het veld dit niet goed regelt, de politiek zich er mee gaat bemoeien. Hij verwees daarbij naar de recente discussie over het BSA, waar ook allemaal Haagse oekazes dreigden. “Als wij dat niet goed doen en vanuit het veld dit niet op een fatsoenlijke manier verantwoorden, dat dan we op een gegeven moment een discussie krijgen zoals bij het bindend studieadvies. We hebben ook gezien wat daar politiek is gebeurd. Dit moet je dus niet te makkelijk opvatten. Je moet als instelling je best doen om met een deugdelijke motivatie te komen.”

Bij de schriftelijke behandeling van de wet hebben Kamerleden ook vooral vragen gesteld op dit punt. Het CDA en de SGP hebben al aan de minister gevraagd dat er niet alleen een argumentatie moet zijn waarom erover wordt gegaan op het Engels, maar dat de NVAO ook de ‘overtuigende kracht’ van de motivatie gaan toetsen. Ook wil het CDA weten hoe zwaar precies de onderwijstaal gaat meewegen. De minister heeft namelijk al aangegeven dat de NVAO ook de accreditatie kan intrekken, als instellingen niet met een goede onderbouwing komen voor de onderwijstaal.

Excellente oordelen zijn er niet meer

Thomas de Bruijn, beleidsmedewerker bij de NVAO, gaat vervolgens in op nog een belangrijke veranderingen in het nieuwe kader. “Er zijn nu een paar dingen in deze wet veranderd. Bij de standaarden zijn nu de oordelen voldoet, voldoet ten dele, voldoet niet. Dat leidt in het nieuwe kader alleen tot oordelen: positief, positief onder voorwaarden of negatief. Dat is een drieslag en daar zit geen gedifferentieerd oordeel meer in. Daar zijn meerdere keren in een Inspectierapport allerlei zaken over gezegd. De onderbouwing daarvan bleek steeds moeilijker te zijn, dat is dus losgelaten.”

Welmoed Roeten, jurist bij de NVAO, legde vervolgens uit dat er ook een nieuw element in het kader is gekomen waar instellingen scherp op moeten zijn, om niet de accreditatie te verliezen. “Wat nieuw is in het kader is dat de accreditatieduur voor onbepaalde tijd is. Dat heeft als consequentie dat als u die accreditatie eenmaal heeft dan loopt de accreditatie niet meer af. Er is geen aanvraagdatum, er komt namelijk straks een inleverdatum. Wij gaan na zes jaar vragen om een rapport in te leveren bij de NVAO, dat betekent dat er gewoon weer een normale visitatie zal zijn.”

Deze verandering is bedoeld om het hoger onderwijs meer eigenaarschap en vertrouwen te geven, maar daar hoort ook een nieuwe verantwoordelijkheid bij, legt Welmoed uit. “Die inleverdatum is wel bepalend en gaan wij ook heel strikt hanteren. Dat moeten we ook doen, omdat het wettelijk zo is geregeld. Als u het rapport te laat inlevert dan moeten wij de accreditatie intrekken.”

De inleverdatum is keihard

Hageman licht op dit punt toe waarom voor deze aanpak is gekozen. “De minister heeft geprobeerd om het vertrouwen in de instellingen uit te spreken door te zeggen: je krijgt een accreditatie voor onbepaalde tijd. Daar hangt wel mee samen dat die inleverdatum keihard is. Zo staat het ook in de wet opgenomen. Dus waar je aan de ene kant het vertrouwen krijgt, dat het onderwijs goed is en mag blijven doorlopen. Is de keerzijde wel dat als je het visitatierapport te laat inlevert, dan ben je ook meteen de accreditatie kwijt. Dat hebben we ook met OCW zo besproken en dat is nu wel de nieuwe realiteit.”

Een ander belangrijke verandering in het nieuwe kader is de rol en onafhankelijkheid van de secretarissen en de panels, zo vervolgde Roeten haar verhaal. “Tot nu toe zijn de eisen voor de panels dat er geen directe of indirecte belangen mogen zijn met de beoordeelde opleidingen. Daar hebben we nu nog twee punten aan toegevoegd. De panelleden mogen ook niet in dienst zijn of een zakelijk belang hebben in de opleiding, ze mogen ook geen advieswerk hebben gedaan voor de opleiding de afgelopen vijf jaar. Deze eisen gelden ook voor de secretaris.”

De Bruijn legde uit dat de functie-eisen aan het panel ook verzwaard worden op advies van de Onderwijsinspectie. “Het voorbereidingsproces van het panel moet aan een aantal functie-eisen voldoen. Daar hebben we wat meer over in het kader opgenomen. Dat zijn teksten die komen ook wel voort uit de aanbevelingen van de Inspectie. Zij merkten op dat het heel belangrijk is dat je als panel goed voorbereid bent. Dat je het dossier goed kent. Dat je niet ter plekke nog het dossier gaat lezen, dat zijn dingen die we toch een keer gezegd moeten hebben, dat is kennelijk belangrijk. De eindwerken moeten ook van tevoren gelezen zijn, en daar moeten meningen en opvattingen over gedeeld worden met elkaar.”


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK