“Je mag best wat investeren in de overstap van vwo naar universiteit”

Motivatie is geen goed criterium voor selectie aan de poort

Interview | de redactie
15 augustus 2019 | Het loont als de opleidingen studenten begeleiden in het “leren studeren”. Dat constateert onderzoeker Sanne van Herpen (Erasmus Universiteit). “De overstap van middelbare school naar het hoger onderwijs is niet vanzelfsprekend.”
Foto: Vyckal

Over iets minder dan drie weken start het nieuwe collegejaar voor ruwweg 150.000 studenten in het hbo en wo. Aan het begin van de studie valt er over het algemeen nog weinig te zeggen over de studieresultaten die je van een student kunt verwachten. Onderzoek van de Sanne van Herpen (Erasmus Universiteit, Risbo) toont aan dat het doorlopen van een pre-academisch programma – een voorbereidingsweek voor het collegejaar – ervoor kan zorgen dat studenten beter beslagen ten ijs komen.

Van beleid naar onderzoek

In 2008 maakten het ministerie van OCW en de koepels voor het eerst afspraken over het studiesucces. Een van de doelstellingen daarbij was om de uitval in het eerste jaar te verminderen, een aspect waar instellingen later financieel op afgerekend werden bij de prestatieafspraken. Ook bij de huidige kwaliteitsafspraken stellen instellingen zichzelf doelen wat betreft uitval en rendement.

Er is dan ook een groeiende interesse in de mogelijke maatregelen die kunnen helpen om dit doel te bereiken. De set van mogelijkheden is relatief beperkt, zo mogen instellingen kandidaat-studenten bijvoorbeeld niet selecteren op het eindexamencijfer. “Initieel was studiesucces een aangelegenheid van beleidsmedewerkers,” vertelt Van Herpen, “en nu beginnen de eerste wetenschappelijke onderzoeken ervan binnen te druppelen.”

In haar proefschrift dat Van Herpen in juni met succes verdedigde bestudeerde zij hoe studenten de overstap van het vwo naar de universiteit ervaren en welke ondersteuning zinvol kan zijn ten behoeve van hun studiesucces. Door middel van vragenlijsten en interviews onderzocht ze onder andere de motivatie achter de studiekeuze van studenten. Ook stelde ze het effect vast van het doorlopen van een voorbereidingsweek op de uitval en de studieresultaten.

Reflecteren op wat voor student je bent

Volgens Van Herpen is het een belangrijke uitdaging voor de opleiding om de overgang van voortgezet naar hoger onderwijs soepel te laten verlopen. “Daar mag je best wat in investeren. Het is een pedagogische en didactische taak. Je moet studenten echt leren studeren.” Over de effectiviteit van de methoden die worden toegepast om studenten te ondersteunen bij het starten aan de universiteit of hogeschool is echter nog weinig bekend

Van Herpen onderzocht daartoe wat het effect is van een zogenaamd pre-academic programma op het studiesucces. Tijdens aanmelding voor de voltijds eerstejaars bacheloropleiding Nederlands Recht, Financieel Recht of Criminologie van de Erasmus Universiteit konden studenten zich vrijwillig aanmelden om hieraan deel te nemen. In dit programma worden aankomend studenten vier dagen voorbereid op hoe het is om te studeren.

“Studenten nemen persoonlijke bagage mee in een opleiding, persoonlijk en ook in hoe ze gewend zijn om te leren.” Het is volgens Van Herpen dan ook een korte cursus waar verwachtingsmanagement en reflectie een belangrijke rol spelen. “We vertellen ze dat ze zelf aan de bel moeten trekken als het niet goed gaat, hoe ze docenten kunnen benaderen en laten ze reflecteren op wat voor student ze kunnen zijn.”

Bijna een punt erbij

Dat programma blijkt zeer nuttig om te volgen. Deelnemers halen in het eerste onderwijsblok (8 weken) van hun studie (statistisch) significant hogere cijfers dan de niet-deelnemende studenten uit de controlegroep, een 6,4 versus een 5,7 gemiddeld. Het feit dat studenten gedwongen werden om verantwoordelijkheid te nemen voor hun leerervaring is volgens Van Herpen een van de belangrijkste redenen voor dit effect. “Ze hadden daardoor kwalitatief beter contact met de tutoren, docenten en medestudenten in het eerste onderwijsblok dan de studenten die niet hadden deelgenomen aan het voorbereidend programma.”

Streven naar studiesucces met aandacht voor het studentenwelzijn

Moeten dan niet alle studenten gewoon dit programma doorlopen? “Het liefst wel,” zegt van Herpen, “oorspronkelijk was het ook de ambitie om dit programma in een bestaand curriculum in te bouwen. Ik denk dat het effect misschien wel nog groter is als iedereen meedoet.” Ze geeft direct aan dat dit natuurlijk speculatie is, maar durft wel te zeggen dat wanneer studenten, docenten en tutoren samen doelen stellen dit sowieso helpt.

Motivatie voor de poort geen goede voorspeller

Aan de hand van de studiekeuzecheck van de Erasmus Universiteit onderzocht Van Herpen ook hoe voorspellend de studiekeuzemotieven van aanstaand studenten zijn voor hoe goed ze presteerden op de universiteit. In deze online enquête wordt aanstaande studenten gevraagd naar aspecten die over het algemeen van belang worden geacht voor de studieprestaties in het eerste jaar zoals inzet, motivatie en persoonlijke ontwikkeling.

Dat de studie-inzet, de ijver en discipline die aanstaand studenten hebben in het leren, een belangrijke voorspeller blijkt te zijn voor verminderde uitval en betere studieprestaties is op zich geen grote verrassing vindt Van Herpen. De achterliggende motivatie, de redenen om voor een bepaalde studie te kiezen zoals carrièreperspectief, persoonlijke ontwikkeling of de aantrekkingskracht van de instelling blijken echter geen van allen samen te hangen met prestaties.

“Er is vrij veel onderzoek gedaan naar de invloed van motivatie op de studieresultaten,” vertelt Van Herpen, “maar alleen bij studenten die al studeren.” Om die reden wordt motivatie vaak aangehaald als belangrijke variabele, maar de motivatie voor de poort blijkt in dit geval dus geen bruikbare voorspelling te doen over het studiesucces. “Het is dus maar de vraag of motivatie bijvoorbeeld bij decentrale selectie wel een relevant criterium is.”

Het is de moeite waard 

Volg de Rotterdamse onderzoeker zouden deze bevindingen ook beleidsimplicaties moeten hebben. Zo zouden instellingen goed moeten overwegen of matchingsprocedures gebaseerd op motivatie eigenlijk wel zin hebben. “Deze procedures, en ook matchingsactiviteiten worden zeer verschillend ingevuld door opleidingen, dus ik kan niet gemakkelijk extrapoleren. Maar het zet wel aan tot denken.”

In een pre-academisch programma zoals dat bij de Rotterdamse opleidingen wordt ingezet ziet zij zeker heil. “Laat ik wel vooropstellen dat ik mij terdege realiseer dat het veel gevraagd kan zijn voor docenten die toch al een forse werkdruk ervaren.” Het feit dat zo’n programma in de zomervakantie draait – wanneer veel medewerkers eindelijk tijd hebben voor onderzoek – is een drempel. “Maar uit interviews met onze tutoren kwam wel terug dat zij ook een duidelijk verschil in betrokkenheid zagen en het gaf een positieve start. Mijn argument zou dan ook zijn dat het simpelweg zin heeft om studenten te helpen een goede start te maken op de universiteit.”

Toevallig loopt het pre-academic programme van de opleidingen precies deze week, weet Van Herpen te vertellen. “Ik ben er momenteel niet bij betrokken maar ik kan wel vertellen dat er in totaal 220 studenten van vier verschillende opleidingen van de Erasmus Universiteit aan meedoen.”


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK