Praktijkgericht onderzoek voor diabetespatiënt

Interview | door Tim Cardol
20 september 2019 | Waar diabetespatiënten vrij gemakkelijk hun bloedsuiker kunnen meten zijn er vooralsnog geen handzame methoden om direct insuline te meten. Twee lectoraten van Saxion werken samen met het bedrijfsleven om dit in de toekomst mogelijk te maken. "Wij kijken naar een praktijkvraag en zoeken daar een bestaande technologie bij," zegt lector Martin Bennink.
Foto: Saxion

Deze week presenteert het onderzoeksteam van Martin Bennink (Saxion-lector NanoBio) samen met de onderzoeksgroep NanoPhysics (lector Cas Damen) een prototype van hun meetapparaat om insuline te meten. In samenwerking met het bedrijfsleven proberen zij de brug te slaan tussen fundamentele wetenschappelijke inzichten en een praktische toepassing.

Een heel klein molecuul

“Voor diabetespatiënten zijn veel tools beschikbaar, maar die meten vooral glucose,” vertelt Bennink ScienceGuide. Het meten van insuline is mogelijk maar wordt momenteel alleen gedaan in ziekenhuislaboratoria en gebeurt daarom veel minder. Toch zou het voor het instellen van de medicatie en de diagnose behulpzaam kunnen zijn om snel direct insuline te kunnen meten.

“Insuline is een heel klein molecuul en tot overmaat van ramp is het in een hele kleine concentratie aanwezig in het bloed.” Dat maakt het moeilijk meetbaar, maar met zogeheten geïntegreerde fotonische sensoren is dat nu wel mogelijk. Deze sensoren gebruiken de eigenschappen van licht en hoe dit reageert op moleculen voor de detectie. “We zijn met het lectoraat al een aantal jaren bezig met deze fotonische sensoren en de ontwikkeling richting een toepassing ervan.”

Die toepassingen zijn niet louter te vinden in het medisch domein, integendeel. “Fotonische sensoring wordt ook gebruikt, bijvoorbeeld bij gasdetectie als het om luchtverontreiniging gaat,” legt Bennink uit. “Een andere toepassing is bij het meten van gassen die vrijkomen bij de rotting van voedsel. Je kan dan in een heel vroeg stadium rotting detecteren en dat kan helpen om de houdbaarheid van voedsel te verbeteren.”

Het niemandsland tussen universiteit en bedrijf

De onderzoeksgroep van Bennink bevindt zich op het grensvlak van de nanotechnologie en de levenswetenschappen. Dit project is tot stand gekomen uit de wisselwerking die het onderzoek heeft met het bedrijfsleven. “De technologie die we gebruiken is al gepatenteerd door een bedrijf uit Twente. Wij brengen vervolgens vooral een aantal zaken bij elkaar, om het op deze wijze dichter bij een toepassing te brengen.”

Bennink heeft zelf een uitgebreid verleden bij de Universiteit Twente. Hij ziet dan ook wel een concreet verschil met het praktijkgericht onderzoek dat hij nu doet bij Saxion. “Op een universiteit onderzoek je bijvoorbeeld of bepaalde principes wel of niet werken, maar het traject daarna is iets wat universiteiten typisch niet doen.”

Maar juist dan is het nog te vroeg voor bedrijven om aan te haken. “Een toepassing is dan vaak nog niet robuust genoeg om daadwerkelijk te implementeren. Het is nog geen product wat ze kunnen gebruiken. Dat is wat wij als hogeschool wel doen. Wij kijken naar een praktijkvraag en zoeken daar een bestaande technologie bij. Op universiteiten is de horizon vaker tien tot vijftien jaar, maar bedrijven willen na een of twee jaar toch wel zicht hebben op een oplossing.”

En zicht op een oplossing is er nu, al houdt Bennink nog wel een slag om de arm. “Het is nog geen finaal product. Het is een prototype dat laat zien dat het werkt, maar er zal nog wel wat moeten gebeuren. We hebben bewezen dat het insuline kan meten in water, maar in bloed is nog wel een uitdaging. Dat is namelijk geen schone oplossing dus daar zit nog wel wat ontwikkelwerk.”

Een mooie weg richting een baan

Het doorontwikkelen tot een voor huisartsen en misschien zelfs patiënten te gebruiken detector gebeurt bij Saxion onder meer door studenten. “Studenten studeren bijvoorbeeld af in een project als dit,” legt Bennink uit. “Het stelt ze in staat om hun studie te voltooien en onderzoeksvaardigheden opdoen.

Bovenal is een afstudeerproject als dit een mooie opening naar bedrijven toe, en een relatief laagdrempelige bovendien, vertelt hij. “Voor een bedrijf is het handig dat ze in deze fase betrokken zijn bij het onderzoek, voor de student is het – als ze dat interessant vinden – een mooie weg richting een baan.”

“Dat is voor mij ook wel de rol van het lectoraat,” vindt Bennink. “Er moet in het praktijkgericht onderzoek ook altijd een link zijn met het onderwijs op de hogeschool. Dat betekent ook dat het onderzoek uit dit project leidt tot nieuw cursusmateriaal, maar het heeft ook nieuwe apparatuur opgeleverd die in het lab gebruikt kan worden.”

“Wij kunnen projecten doen samen met bedrijven, maar we moeten altijd in de gaten houden dat het doorwerking krijgt naar het onderwijs,” vindt Bennink. “Mijn werk is niet wezenlijk veranderd als het gaat om het financieren van projecten, maar wat er wel wezenlijk veranderd is, is de praktijkgerichtheid.”

“Op de universiteit had je een onderzoeksgroep die gebouwd is rond een bepaalde expertise en werkt vanuit die expertise. Ik merk hier in de hogeschool dat je meer aan de andere kant begint. Je begint bij de vragen die bedrijven hebben en vanaf die kant ga je vervolgens bepalen wat je nodig hebt.”


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK