Het collegegeld kan best nog wat omhoog

Nieuws | de redactie
31 maart 2020 | Afgestudeerden in het hoger onderwijs profiteren in financiële zin zoveel meer van hun studie dan mbo’ers dat het collegegeld best omhoog kan, stelt de Leidse hoogleraar Koen Caminada. Daarom moet ook het leenstelsel in stand blijven.

De Leidse hoogleraar Empirische analyse van sociale en fiscale regelgeving heeft in een onderzoek gekeken naar wat de economische argumenten voor de subsidiering van de financiering van het hoger onderwijs zijn. Ook naar wat de mogelijke reacties van onderwijsdeelnemers zijn indien zij geconfronteerd worden met studieleningen. Ook is er gekeken naar hoe zit het met de leenaversie van studenten die er toe zou leiden dat de toegankelijkheid van het hoger onderwijs in het gedrang zou komen.

Van kleuterschool tot universiteit

Caminada schat de opleidingskosten vanaf de kleuterschool tot aan het vwo-diploma op gemiddeld 101.400 euro, met een gemiddelde looptijd van iets meer dan veertien jaar. Wie vervolgens de route via het wetenschappelijk onderwijs vervolgt, is na circa 22 jaar onderwijs afgestudeerd met een masterdiploma en laat de teller stoppen op 156.700 euro.

Een wo-studie kost gemiddeld ongeveer 55.300 euro. Per nominaal studiejaar bedragen de kosten dus tussen de 11.060 en 13.825 euro, afhankelijk of de nominale studieduur in bachelor- en masterfase samen 4 of 5 jaar bedragen. De studenten worden echter niet geconfronteerd met deze werkelijke kosten per opleidingsjaar, want zij betalen immers slechts 2.083 euro per jaar collegegeld.

Door deze omvangrijke subsidie van meer dan 80 procent is naar instrumenten gezocht om studenten te prikkelen om niet langer dan nodig over hun studie te laten doen, schrijft de Leidse hoogleraar. Het sociaal leenstelsel werd geboren. De relatieve prijsverhoudingen in de studenteneconomie zouden veranderen tussen studeren, nevenactiviteiten, bijverdiensten en eventuele studievertraging die studenten hierdoor oplopen. Studenten besteden volgens onderzoek slechts twintig uur per week aan hun studie en switchen veel meer van studie dan in het buitenland. Als studenten meer geconfronteerd worden met de werkelijke kosten van hun eigen studie en keuzes, besteden ze meer tijd aan hun studie en denken ze beter na over hun studiekeuze, was daarbij de gedachte.

Hoe hoger de opleiding, hoe hoger het inkomen

Wie kijkt naar de inkomens van afgestudeerden in het mbo, hbo en wo, krijgt een indicatie van het profijt dat afgestudeerden hebben van hun diploma. In het algemeen kan gesteld worden dat een opleiding een positieve invloed heeft op het individuele inkomen na afstuderen. Hoe hoger de opleiding, hoe hoger het inkomen. Omdat recente cijfers ontbreken, baseert Caminada zich hier op oudere cijfers uit 2011 van het CBS. Daaruit blijkt dat wo-ers gemiddeld twee keer zoveel verdienen als mbo’ers (53 duizend versus 25 duizend euro per jaar) en anderhalf keer zoveel als hbo’ers (36 duizend).

Als zeer ruwe benadering van het profijt van een universitaire opleiding, heeft Caminada de inkomens van mbo-ers vergeleken met die van afgestudeerde wo-ers in vergelijkbare beroepenvelden. Het jaarlijkse inkomensverschil is aanzienlijk en bedraagt voor alle studierichtingen maar liefst 28.000 euro bruto per jaar.

Opgeteld over het gehele werkzame leven gaat het dan om een extra bate van ongeveer een miljoen. Wie dat gemakshalve vergelijkt met de totale kosten van een universitaire opleiding (zeg 55.300 euro) ziet hoe renderend wo-opleidingen zijn. Te meer omdat studenten slechts een klein deel van de totale studiekosten direct zelf betalen. De Leidse hoogleraar komt dan ook tot de conclusie dat het collegegeld door toepassing van het profijtbeginsel best nog wel wat omhoog kan.

Geen reden voor overheidsingrijpen

Moet er dan ook iets veranderen? Op grond van de economische theorie stelt Caminada dat er in beginsel geen reden is voor overheidsingrijpen als de relevante markten goed werken (de scholingsmarkt, de arbeidsmarkt en de kapitaalmarkt). Het prijsmechanisme zorgt er dan voor dat het aanbod van geschoolde arbeid aansluit bij de vraag naar geschoolde arbeid. Als de vraag naar geschoolde arbeid door werkgevers toeneemt, zal dat bij goed werkende markten tot uitdrukking komen in een hoger loon, waardoor werknemers hun scholingsinspanningen zullen vergroten.

De subsidies in het hoger onderwijs worden vaak gerechtvaardigd om de toegankelijkheid te waarborgen. Toegankelijkheid betekent dat alle potentiële studenten met voldoende capaciteiten kunnen gaan studeren, ongeacht hun sociaaleconomische achtergrond. Uitgaande van deze definitie leidt het sociaal leenstelsel niet tot vermindering van de toegankelijkheid. Iedereen met voldoende geschiktheid, ongeacht sociale status komt in aanmerking voor een lening bij DUO, inclusief een verzekering tegen het niet kunnen terugbetalen van deze lening.

Toegankelijkheid verward met prijsgevoeligheid

Toegankelijkheid wordt vaak verward met prijsgevoeligheid, schrijft Caminada. Door prijsverhoging kunnen sommige studenten besluiten niet meer deel te nemen aan hoger onderwijs. In dat geval gaat het echter niet om de toegankelijkheid van het hoger onderwijs, maar om de prijsgevoeligheid van de studiekeuze.

Of er minder studenten zijn gaan studeren in het hoger onderwijs als gevolg van de hoge private bijdragen (introductie van het sociaal leenstelsel)? Dat is nog niet bekend, schrijft de Leidse onderzoeker. Empirische studies laten zien dat door prijsverhogingen de deelname aan het hoger onderwijs nauwelijks afneemt. Dit heeft volgens Caminada te maken met de hoge opbrengsten van studeren.

De private bijdragen – individueel of van familieleden – aan het hoger onderwijs zijn de afgelopen twintig jaar flink gestegen. De studiefinanciering is steeds meer versoberd en uiteindelijk omgezet in een leenstelsel en ook het collegegeld is verhoogd. Dit heeft echter niet tot minder deelname geleid, integendeel: die is juist alleen maar toegenomen.

Toegang tot lenen is gegarandeerd bij DUO

Concluderend schrijft de vicedecaan van de Faculteit Governance & Global Affairs, dat het goed is dat studenten geleidelijk een grotere eigen verantwoordelijkheid hebben gekregen voor de financiering van hun eigen studie. Omdat een studie een goede investering is, omdat toegang tot lenen via DUO gegarandeerd is en omdat het te lenen bedrag bescheiden is, werden geen ongunstige invloeden verwacht voor de toegankelijkheid.

Studenten zullen door het leenstelsel bewuster gaan nadenken over nevenactiviteiten en eventuele studievertraging die ze daardoor kunnen oplopen. Studeren krijgt weer een hogere prioriteit dan biercommissaris van een studentenvereniging zijn en dat is winst van het sociaal leenstelsel, schrijft de Leidse hoogleraar.

Goed dat er oog is voor de gevolgen van het leenstelsel

Toch houdt hij ook nog wel een slag om de arm. Zo is het nog te vroeg om de balans op te maken. Duidelijk is dat het maatschappelijke en politieke klimaat aanzienlijk veranderd is. De herinvoering van de basisbeurs, in enigerlei vorm, ligt niet in de rede, maar het is volgens Caminada wel goed dat er oog is voor de bredere maatschappelijke gevolgen van het stelsel en de moeilijke positie waarin jongeren zich bevinden.

Dat eerste valt overigens te betwijfelen. Steeds meer politieke partijen willen het leenstelsel de facto afschaffen en weer een vorm van een basisbeurs invoeren.

Ook ziet de Leidse hoogleraar dat jongeren worden geconfronteerd met de flexibilisering van de arbeidsmarkt en stijging van de huren en huizenprijzen. Jongeren krijgen steeds later een vaste baan, kopen later een huis en beginnen later aan een relatie en kinderen. Caminada vindt het daarom goed dat de minister laat uitzoeken welke rol het sociaal leenstelsel speelt in deze bredere maatschappelijke context.


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK