Bedreigingen voor fundamenteel wetenschappelijk onderzoek in Nederland brengen onze toekomstige welvaart in gevaar

Opinie | door Raymond Poot
9 december 2021 | De aanpak waarmee de Nederlandse wetenschap sinds de jaren '80 naar de top-5 van de wereld is gestegen, wordt bedreigd, schrijven Raymond Poot en 125 andere wetenschappers. Niet door Open Access of Erkennen en Waarderen, maar door de koppeling daarvan aan het ondertekenen van DORA en de uitrol van Open Science. In deze bijdrage deelt Poot de conclusies en aanbevelingen uit een onderzoek naar de gevolgen van Open Science en DORA. "Een scenario van een internationaal competitieve Nederlandse wetenschap, waar verschillende talenten tot hun recht kunnen komen, is heel goed mogelijk. Daarvoor moet het huidige beleid echter drastisch worden aangepast."
“Op de belangrijkste lijstjes staat de Nederlandse wetenschap nu nog in de top-5 van de wereld. Dat was niet altijd zo”, schrijft Raymond Poot. Beeld: pxhere.

Een begeleidend schrijven bij een rapport over de risico’s van het vervangen van internationale wetenschapsevaluatie criteria door Open Science en DORA criteria. 


Op de belangrijkste lijstjes staat de Nederlandse wetenschap nu nog in de top-5 van de wereld. Dat was niet altijd zo. In de jaren ’80 van de vorige eeuw ging het niet goed met de Nederlandse wetenschap; naar internationale maatstaven waren zowel de productiviteit als de kwaliteit laag. Eind jaren ‘80 werd NWO opgericht, die meetbare kwaliteitscriteria als voorwaarde voor onderzoeksfinanciering invoerde. Later zette NWO talentprogramma’s op waarmee jonge onderzoekers hun eigen onderzoekslijn konden financieren. Het is niet ver bezijden de waarheid om daarna ‘and the rest is history’ te zeggen; het buitenland beziet inmiddels vol bewondering hoe Nederland met een beperkt budget zulke goede wetenschapsprestaties levert.  

Financiering heeft te weinig omvang 

Aan dit succesverhaal dreigt nu een einde te komen, nét nu Nederland topwetenschap hard nodig heeft om de noodzakelijke toekomstige kenniseconomie van nieuwe ideeën en technologieën te voorzien. Dit dreigende einde heeft drie oorzaken.  

Ten eerste besteden we te weinig geld aan wetenschap om het hoge niveau van wetenschapsbeoefening en het wetenschappelijke talent vast te houden. Het meest ambitieuze plan, dat van de Kenniscoalitie, behelst dat Nederland in 2031 drie procent van het BBP investeert in onderzoek en innovatie (momenteel is dat 2,1 procent). De investeringen in Duitsland en de USA, directe concurrenten, komen echter nu al boven die grens van drie procent uit.  

Nederland zou minder investeringen nodig hebben vanwege zijn gebrek aan hightech industrie, luidt een veel gehoord argument. Door recent Rabobankonderzoek wordt dit echter terecht tot een kip-ei redenatie gereduceerd.  

NWO krijgt te weinig geld 

Het tweede probleem is de onbalans in de verdeling van het beschikbare geld. Het Kenniscoalitievoorstel, een blauwdruk voor het komende regeringsbeleid, alloceert geld voor toepassingsgericht onderzoek en sleuteltechnologieën bij het Nationaal Groeifonds, terwijl geld voor onderzoeker-geïnitieerd fundamenteel onderzoek vooral direct naar de universiteiten gaat. Daar zal het worden verdeeld zonder noemenswaardige selectie op wetenschappelijke kwaliteit.  

NWO krijgt er de komende vier jaar nauwelijks geld bij. De bovengenoemde NWO-talentcompetities, die aan de wieg staan van het huidige succes van de Nederlandse wetenschap, hebben er ook in de afgelopen vijf jaar niets bijgekregen. De talentaanvoer van de Nederlandse wetenschap en innovatie moet het doen met honoreringspercentages van rond de tien procent, waarop vele toptalenten terecht zullen besluiten hun heil buiten Nederland of buiten de wetenschap te zoeken. Dit is tragisch voor Nederland. 

In Europees verband laat de European Research Council (ERC) zien dat (fundamenteel) onderzoek, geselecteerd op excellentie en niet op maatschappelijke relevantie, het meeste maatschappelijke profijt geeft, vooral op de middellange termijn. De technologie die uiteindelijk is gebruikt voor COVID mRNA vaccins komt uit ERC onderzoek door Uğur Şahin (CEO BioNTech). De NWO-talentcompetities stonden model voor de ERC en nog steeds haalt Nederland binnen Europa relatief de meeste ERC grants binnen. Het talent is er dus nog in Nederland, maar het geld voor dit type onderzoek steeds minder. Over het volume en de verdeling van Nederlands onderzoeksgeld hebben we uitgebreid bericht in een artikel in de Volkskrant. 

Erkennen en Waarderen wordt gekoppeld aan DORA en Open Science 

Het NWO-talentmodel was zo succesvol dat het ook een nadeel creëerde. Om carrière te kunnen maken, moest iedere academicus binnen de universiteit voldoen aan het NWO-criterium van publiceren in high-impact tijdschriften. Andere belangrijke academische activiteiten zoals lesgeven aan studenten en leidinggeven aan (academische) organisaties hadden geen plek in dit model. Gecombineerd met de al veel genoemde onderfinanciering van universiteiten leidt dit tot veel onvrede.  

Het programma Erkennen en Waarderen (Recognition and Rewards) werd gecreëerd om aan deze terechte onvrede tegemoet te komen. Aan de universiteiten worden andere paden gecreëerd om op andere dan puur wetenschappelijke talenten carrière te kunnen maken. So far so good. In een voor mij vreemde twist werd Erkennen en Waarderen echter gekoppeld aan Open Science en DORA, waaraan ook academici die puur wetenschappelijk carrière wilden maken moesten voldoen. Zo werden Open Science en DORA bij NWO leidend in de evaluatie van wetenschappers en hun onderzoeksvoorstellen.  

Open Science heeft Open Access als een belangrijk principe, maar omvat veel meer beleidspunten. DORA verbiedt de Journal Impact Factor (JIF) als evaluatiecriterium. Zoals ik afgelopen zomer met Willem Mulder en 172 andere wetenschappers in ScienceGuide schreef, leidt dit tot een derde probleem. 

Evaluatiecriteria 

Nederlandse wetenschappers worden niet langer beoordeeld op internationale, wetenschappelijke en meetbare criteria, zoals dat dertig jaar lang zeer succesvol bij NWO gebeurde. Deze criteria zijn door Open Science en DORA deels verwijderd en vervangen door criteria die politiek gemotiveerd en slecht meetbaar zijn. Zoals we beschreven in onze eerdere bijdrage in ScienceGuide worden de negatieve effecten van Open Science en DORA bij NWO versterkt omdat meetbare criteria worden vervangen door narratieven. Soms wordt het CV zelfs geheel weggelaten.  

Onze brief in ScienceGuide leidde tot veel publiek schrijven, maar niet tot een zichtbare verandering van beleid bij NWO of universiteiten. Integendeel, het door ons bekritiseerde beleid wordt in onverminderd hoog tempo uitgerold bij NWO en de universiteiten. De minister draagt het nieuwe wetenschapsbeleid van Nederland uit als voorbeeld voor de wereld.  

Tegelijkertijd komen er verontrustende berichten uit NWO-commissies dat selectie bij NWO door de nieuwe criteria slechter wordt. Kritiek op de nieuwe procedures van NWO wordt afgedaan als ‘het moeten wennen aan het nieuwe beleid’. Samen met de lage honoreringscijfers leidt dit tot een negatieve vortex bij NWO die, mijns inziens, zelfs het bestaansrecht van NWO in gevaar brengt. Het afschaffen van NWO is geopperd door de SP en SGP. Gezien de hierboven beschreven rol die NWO heeft gespeeld bij stuwen van de Nederlandse wetenschap tot op de huidige hoogte lijkt dit een hele slechte optie.  

Rapport over effecten DORA en Open Science 

Om te laten zien dat ‘het beleid’ vanuit Open Science en DORA grote risico’s bevat waaraan we vooral niet moeten wennen, heb ik met Bas de Bruin en Frank Grosveld een rapport geschreven dat dieper ingaat op de materie. Het rapport wordt gesteund door 125 wetenschappers (verdere steun aan het rapport kan per e-mail aan Raymond Poot worden gegeven). In het rapport bespreken we de effecten van DORA op evaluaties, en onderzoeken we de onderliggende redenaties van DORA. Tevens bespreken we de focus van Open Science op het (directe) nut van onderzoek voor de maatschappij, de focus op de betrokkenheid van publiek bij het onderzoek en de focus op ‘team science’ en ‘leadership’. We bespreken we het huidige Open Access-beleid van Open Science, Plan S, om Open Access van alle Nederlandse wetenschappelijke publicaties af te dwingen. 

De conclusies van ons rapport zijn zorgwekkend.  

1) De combinatie van verschillende Open Science policies met DORA benadelen de fundamentele natuurwetenschappen ten opzichte van de meer toegepaste wetenschappen. Middels de ERC en Marie Curie-competities besteedt Europa vijfentwintig procent van zijn innovatiebudget aan wetenschapper-geïnitieerd fundamenteel onderzoek, dat wordt geselecteerd op excellentie. Nederland besteedt maar vijf procent van zijn budget aan dergelijk onderzoek. Europa heeft een reden om zoveel te besteden aan wetenschapper-geïnitieerd onderzoek, blijkt uit conclusie twee van ons rapport. 

2) Wetenschapper-geïnitieerd fundamenteel onderzoek dat wordt geselecteerd op wetenschappelijke kwaliteit, levert per besteedde euro op de middellange termijn aanzienlijk meer maatschappelijk nut dan onderzoek dat wordt geselecteerd op directe maatschappelijke of industriële relevantie. Deze schijnbare paradox houdt verband met de observatie dat het nut van wetenschappelijke ontdekkingen heel moeilijk te voorspellen is, terwijl wel duidelijk is dat zonder echte ontdekkingen er weinig vooruitgang is. Hoewel deze boodschap lastig te verkopen is aan de politiek, is het een zeer belangrijke. 

3) Verschillende Open Science maatregelen verminderen de kwaliteit van de Nederlandse wetenschap door niet te selecteren op wetenschappelijke kwaliteit en tegelijkertijd veel bureaucratie op te tuigen. 

Aanbevelingen 

Deze conclusies brengen ons bij de volgende aanbevelingen. 

1) Beperk Open Science tot Open Access beleid en implementeer dit beleid zonder de (Nederlandse) wetenschap daarbij te benadelen. 

2) Heroverweeg het ondertekenen van DORA. De Journal Impact Factor moet niet dominant zijn in beoordelingen, en het belang van deze factor hangt af van het wetenschapsveld. Het volledig verwijderen van de JIF in alle takken van wetenshap is echter te radicaal en schaadt de Nederlandse wetenschap, in het bijzonder de fundamentele natuurwetenschappen. NIH en NSF, grote en bekende publieke fondsen van wetenschappelijk powerhouse de Verenigde Staten, hebben DORA ook niet ondertekend. 

3) Nederlandse fondsen voor wetenschapper-geïnitieerde fundamentele wetenschap moeten worden uitgebreid, zowel bij NWO als bij de universiteiten. 

4) Nederland moet in de top 5 van de wereld blijven op internationale wetenschapsindicatoren – alleen al uit economische en maatschappelijke noodzaak. Nederland staat voor grote financiële uitdagingen die samenhangen met de vergrijzing en aanpassingen aan het veranderende klimaat. Daarom moet de productiviteit van Nederland worden verhoogd. Dit vereist een kenniseconomie op basis van toponderzoek. Het in stand houden van de kwaliteitsindicatoren en selectiemechanismen die ons dertig jaar lang goed van dienst zijn geweest is daarbij essentieel. 

Toekomstig beleid 

De perfecte storm van een tekort aan fondsen voor de wetenschap, de ongebalanceerde verdeling van die fondsen en het verlaten van internationale evaluatiecriteria is een bedreiging voor de Nederlandse wetenschap die we ons niet kunnen veroorloven. Deze beleidsmaatregelen staan echter los van het principe van Erkennen en Waarderen, het scheppen van alternatieve carrièrepaden, en los van een gematigd streven naar meer Open Access publiceren. Vijfentachtig procent van de Nederlandse publicaties is immers nu al Open Access. Een scenario van een internationaal competitieve Nederlandse wetenschap, waar verschillende talenten tot hun recht kunnen komen, is dus heel goed mogelijk. Daarvoor moet het huidige beleid echter drastisch worden aangepast. 

Het hele rapport is hier te vinden.


  • Dr. Raymond Poot UHD, Erasmus MC
  • Prof. Dr. Bas de Bruin, Universiteit Amsterdam
  • Prof. Dr. Frank Grosveld, Erasmus MC, founding CSO Harbour Biomed
  • Dr. Marjo Donners, UHD, Maastricht UMC
  • Prof. Dr. Hans Clevers, Hubrecht institute
  • Dr. Aniek Janssen, UD, UMCU
  • Dr. Puck Knipscheer, groepsleider, Hubrecht Institute
  • Prof. Dr. Bert Poolman, Universiteit Groningen
  • Prof. Dr. Rampal Etienne, Universiteit Groningen
  • Prof. Dr. Bart van Wees, Universiteit Groningen
  • Prof. Dr. Piet Borst, Staflid en voormalig directeur NKI-Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis
  • Prof. Dr. Chris de Zeeuw, Erasmus MC
  • Dr. Hans Lenstra, UHD, Universiteit Utrecht
  • Prof. Dr. Vincent Christoffels, Amsterdam UMC
  • Dr. Robert Vries, UHD, Universiteit Utrecht
  • Prof. Dr. Cees Dekker, TU Delft
  • Prof. Dr. Pieter Roelfsema, Directeur Nederlands Hersen Instituut
  • Dr. Tobias Dansen, UD, UMCU
  • Dr. Susanne Kooistra, UD, Universiteit Groningen
  • Prof. Dr. Eva de Rooij, Hubrecht Instituut
  • Prof. Dr. Cêlia Fonseca Guerra, Vrije Universiteit
  • Dr. Stefan Barakat, UD, Erasmus MC.
  • Prof. Dr. Maarten Kamermans, Nederlands Herseninstituut
  • Prof. Dr. Yigal Pinto, Amsterdam UMC
  • Dr. Gert Jansen, UHD, Erasmus MC
  • Prof. Dr. Matthias Bickelhaupt, Vrije Universiteit
  • Prof. Dr. Anton Berns, Staflid en voormalig directeur NKI-Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis
  • Prof. Dr. John van Opstal, Radboud Universiteit
  • Dr. Pieter Goossens, Post-doc, Maastricht UMC.
  • Prof. Dr. Erik Biessen, Maastricht UMC
  • Prof. Dr. Robin Peeters, Erasmus MC, Voorzitter Nederlandse Internisten Vereniging
  • Prof. Dr. Marc Vooijs, Maastricht UMC
  • Dr. Elseline Hoekzema, UD, Amsterdam UMC
  • Prof. Dr. Guido van Wingen, Amsterdam UMC
  • Dr. Wiep Scheper, UD, Vrije Universiteit
  • Dr. Francesca Mattiroli, groepsleider, Hubrecht Instituut
  • Dr. Marcos Guimarães, UD, Universiteit Groningen
  • Dr. Maarten Fornerod, UHD, Erasmus MC
  • Prof. Dr. Steven Kushner, Erasmus MC
  • Prof. Dr. Ir. Gustav Strijkers, Amsterdam UMC
  • Dr. Robert-Jan Palstra, UD, Erasmus MC
  • Prof. Dr. Oscar P. Kuipers, Universiteit Groningen
  • Prof. Dr. Bart Nooteboom, Universiteit Tilburg
  • Prof. Dr. Marten Smidt, Universiteit Amsterdam
  • Prof. Dr. Sillevis Smitt, Erasmus MC
  • Prof. Dr. Jop Kind, Hubrecht Institute
  • Prof. Dr. Siewert-Jan Marrink, Universiteit Groningen
  • Prof. Dr. Renate Loll, Radboud Universiteit
  • Dr. Debbie van den Berg, UD, Erasmus MC
  • Prof. Dr. Guus Smit, Vrije Universiteit
  • Prof. Dr. Henk Stunnenberg, Prinses Maxima Centrum, Utrecht
  • Prof. Dr. Gerard van Koten, Universiteit Utrecht
  • Prof. Dr. Sjaak Philipsen, Erasmus MC
  • Prof. Dr. Huib Mansvelder, Vrije Universiteit
  • Dr. Rifka Vlijm, UD, Universiteit Groningen
  • Prof. Dr. Kees Jalink, NKI
  • Prof. Dr. Ron Fouchier, Erasmus MC
  • Prof. Dr. Danny Huylebroeck, Erasmus MC
  • Prof. Dr. Niels Galjart, Erasmus MC
  • Prof. Dr. Ir. Ronald van Rij, Radboud UMC
  • Prof. Dr. Christian Lohmann, Nederlands Hersen Instituut
  • Prof. Dr. Martijn van den Heuvel, Vrije Universiteit
  • Dr. Arne Janssen, UHD, Universiteit Amsterdam
  • Dr. Tineke Lenstra, groepsleider, NKI
  • Prof. Dr. Harm Kampinga, Universiteit Groningen
  • Prof. Dr. Arthur Wilde, Amsterdam UMC
  • Dr. Richard Scheltema, UD, Universiteit Utrecht
  • Prof. Dr. Bas van Steensel, NKI
  • Prof. Dr. Jan Zaanen, Universiteit Leiden
  • Prof. Dr. Joachim Arts, Erasmus MC
  • Prof. Dr. Rene Wijnen, Erasmus MC
  • Prof. Dr. Abraham Buunk, Universiteit Groningen
  • Prof. Dr. Guido Tytgat, Amsterdam UMC
  • Prof. Dr. Ronald van Vollenhoven, Amsterdam UMC
  • Dr. Yaël Nossent, LUMC
  • Prof. Dr. Pim Levelt, emeritus directeur Max Planck Institute for Psycholinguistics
  • Prof. Dr. Reuven Agami, NKI
  • Dr. Michel van den Oever, UD, Vrije Universiteit
  • Dr. Ralph Stadhouders, UD, Erasmus MC
  • Prof. Dr. Wouter Roos, Universiteit Groningen
  • Prof. Dr. Wybren Jan Buma, Universiteit Amsterdam
  • Prof. Dr. Klaas Poelstra, Universiteit Groningen
  • Dr. Hannes Lans, UHD, Erasmus MC
  • Prof. Dr. Ben Feringa, Universiteit Groningen
  • Prof. Dr. Bart Eggen, UMC Groningen
  • Prof. Dr. Judith Klumperman, UMCU
  • Prof. Dr. Rob Baatenburg de Jong, Erasmus MC
  • Dr. Menno Creyghton, UHD, Erasmus MC
  • Prof. Dr. Christian Gilissen, Radboud UMC
  • Prof. Dr. Leon Schurgers, Maastricht University
  • Prof. Dr. Hans Franken, Universiteit Leiden
  • Prof. Dr. Matthias Heineman, Universiteit Groningen
  • Prof. Dr. Sander Tans, TU Delft
  • Dr. Ruth van Holst, UHD, Amsterdam UMC
  • Dr. Hein Schepers, UHD, Universiteit Groningen
  • Prof. Dr. Rob Coppes, UMC Groningen
  • Dr. Colin Logie, UHD, Radboud Universiteit
  • Prof. Dr. Luc van der Laan, Erasmus MC.
  • Prof. Dr. Monicque Lorist, Universiteit Groningen
  • Dr. Mathilde Galli, groepsleider, Hubrecht instituut
  • Prof. Dr. Ody Sibon, Universiteit Groningen
  • Dr. Ir. Eskeatnaf Mulugeta, UD, Erasmus MC
  • Prof. Dr. Helmut Kessels, Universiteit Amsterdam
  • Dr. Zhenyu Gao, UHD, Erasmus MC
  • Dr. Edwin Otten, UHD, Universiteit Groningen
  • Prof. Dr. Han Brunner, Radboud UMC
  • Prof. Dr. Maarten Merkx, TU Eindhoven
  • Prof. Dr. Alan Cienki, Vrije Universiteit
  • Prof. Dr. Erik Storkebaum, Radboud Universiteit
  • Prof. Dr. Willem Mulder, Radboud UMC & TU Eindhoven
  • Dr. Jeffrey van Haren, UD, Erasmus MC
  • Dr. Monika Wolkers, UHD, Universiteit Amsterdam
  • Dr. Marc Verheijen, UD, Vrije Universiteit
  • Dr. Grazia Mancini, UHD, Erasmus MC
  • Prof. Dr. Gerard Borst, Erasmus MC
  • Dr. Devika Narain, UHD, Erasmus MC
  • Prof. Dr. Roelof Hut, Universiteit Groningen
  • Prof. Dr. Michiel Vermeulen, Radboud Universiteit
  • Prof. Dr. Ir. Jaap Sinninghe Damsté, NIOZ
  • Prof. Dr. Luc Brunsveld, TU Eindhoven
  • Prof. Dr. Jeroen Bakkers, Hubrecht Institute
  • Prof. Dr. Noam Zelcer, Amsterdam UMC
  • Prof. Dr. Rob Kaptein, Utrecht Universiteit
  • Prof. Dr. Ir. Dick van Elsas, Universiteit Groningen
  • Dr. Tjakko van Ham, UD, Erasmus MC

Raymond Poot : 

Universitair Hoofddocent bij het Erasmus Medisch Centrum.


«
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.
Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan
OK