Hogescholen moeten betere broedplaatsen voor kennisintensieve start-ups zijn

Opinie | door Rick Bonants & Margo Brouns
21 maart 2022 | Voor docent-onderzoekers in het hbo is het erg lastig om kennisintensieve start-ups te beginnen. Daarmee laat het hbo grote kansen liggen op valorisatie van praktijkgericht onderzoek, waarschuwen Rick Bonants en Margo Brouns van Fontys Hogescholen. Naar aanleiding van gesprekken met vijftien docent-onderzoekers betogen zij dat zowel individuele hogescholen als de Vereniging Hogescholen beleid moeten maken dat docent-onderzoekers helpt om innovaties in de markt te zetten die anders op de plank blijven liggen.
“Zowel individuele hogescholen als de Vereniging Hogescholen dienen een hoognodige beleidsmatige stap te zetten”, betogen Margo Brouns en Rick Bonants. Beeld: William Fortunato.

In 2020 verscheen een rapport van de AWTI genaamd ‘Beter van start: De sleutel tot doorgroei van kennisintensieve start-ups’. In dit rapport wordt het volgende geconstateerd: “Kennisinstellingen hebben meer oog gekregen voor het bevorderen van start-ups als een manier om hun kennis toe te passen. Dat is mede dankzij het genoemde Valorisatie-programma. Bovendien is er bij (jonge) onderzoekers in Nederland een relatief grote belangstelling om hun onderzoeksresultaten te vertalen in activiteiten met economische of maatschappelijke meerwaarde.”  

Een onderzoek onder vijftien (docent-)onderzoekers in het technische domein van Fontys bevestigt de tweede constatering, maar zij constateren ook dat de eerste bewering met name op gaat voor universiteiten, niet voor hogescholen. 

Kennisintensieve start-ups 

Kennisintensieve start-ups onderscheiden zich t.o.v. reguliere start-ups doordat kennis de basis van het competitieve voordeel vormt. Ze ontwikkelen veelal een technologische oplossing gebaseerd op (natuur)wetenschappelijke of engineering onderzoek (R&D), zoals biotech of artificiële intelligentie. Hoewel Nederlandse hogescholen een unieke kennispositie hebben en dichter bij de beroepspraktijk staan, is hun ervaring met kennisintensieve start-ups relatief beperkt, zeker in vergelijking met Nederlandse universiteiten.  

Dat is opvallend; hogescholen zijn immers juist de kennisinstellingen met het imago van ‘toepassen’. Toch vormt dit een relatief ongebaand pad binnen de hogescholen zelf. Hoe komt dit? En waarom is het belangrijk om dat te veranderen? Wat vraagt het als we economische en maatschappelijke meerwaarde gaan creëren via kennisintensieve start-ups?  

De hogeschool als opleider voor de regio 

De oorzaak van bovengenoemd probleem ligt deels in de historische ontwikkeling van de hogeschool als de grote onderwijsinstelling die de regio voorziet van nieuwe professionals. Hoewel er langzaam wat verandert, is het zelfbeeld en de structuur van de hogeschool nog steeds primair gericht op haar maatschappelijke opdracht om nieuwe professionals op te leiden. De stap naar het praktijkgerichte onderzoek wordt steeds beter gemaakt en er is inmiddels sprake van gelijkwaardigheid tussen onderwijs en onderzoek, maar in zowel de financiering als de inrichting van de organisatie is het onderwijs nog steeds dominant.  

Voor een instelling die nog vooral functioneert als een opleidingsinstelling is het creëren van economische en maatschappelijke waarde op basis van nieuwe kennis daarom een grote stap. Het vraagt om een andere (commerciële) oriëntatie, een andere culturele setting en ook een ander set aan waarden en vaardigheden. Bovenal vraagt het om een ander kwaliteitsbesef. 

Kweekvijver voor kennisintensieve start-ups 

Daartegenover staat dat het potentieel binnen hogescholen niet mis is. Door het toegepaste karakter van het onderzoek zou de hogeschool kunnen functioneren als een kweekvijver voor nieuwe kennisintensieve start-ups. Die kweekvijver biedt een stimulerende omgeving waarin studenten en docenten nieuwe vaardigheden leren, hun netwerk uitbreiden en op een zingevende wijze kunnen bijdragen aan de maatschappij. Het ontwikkelen van nieuwe ondernemingen kan daarbij voor jonge mensen, maar ook in het kader van leven lang leren, een prettig perspectief bieden. Bovendien is het een aanjager voor een onderzoekende cultuur, iets dat binnen het hbo aan belang heeft gewonnen.  



Het stimuleren en bevorderen van kennisintensieve start-ups maakt een hogeschool niet alleen een toekomstbestendige opleidingsinstelling maar brengt evenzeer het image van een ambitieuze kennisinstelling met zich mee. Het pad richting een start-up is immers met name relevant wanneer studenten of (docent-)onderzoekers in samenwerking met een bedrijf een technologische innovatie hebben gemaakt die door betrokken bedrijven niet verder wordt ontwikkeld.  

Het exacte percentage is niet bekend, maar (docent-)onderzoekers geven aan dat het eerder regel dan uitzondering is dat dergelijke innovatieve technologische uitvindingen op de plank blijven liggen. Veelgenoemde oorzaken zijn o.a. dat de technologische oplossing te ver verwijderd is van de strategische kernactiviteit van de betrokken organisatie(s), dat de organisatie de capaciteit mist om de betreffende technologische innovatie naar de markt te brengen, of omdat het product of de dienst niet ‘kant-en-klaar’ genoeg is voor de markt. Het starten van een kennisintensieve start-up op basis van de ontwikkelde technologie, maakt het mogelijk om het maatschappelijke en economische potentieel van de innovatie tóch te realiseren.  

Gebrek aan middelen leidt tot kapitaalvernietiging 

Gezien de vlucht die het praktijkgericht onderzoek en hybride leeromgevingen nemen binnen het hbo, ontstaat er steeds meer potentieel voor kennisintensieve start-ups, maar zolang onvoldoende middelen beschikbaar zijn voor het converteren van innovaties naar de maatschappij, neemt de mate van kapitaalvernietiging alsmaar toe. Het is ambitieuze (docent-)onderzoekers en studenten een doorn in het oog dat de infrastructuur niet meegroeit en daarmee onvoldoende bedding geeft aan potentiële kennisintensieve bedrijvigheid.  

Zou je hbo-talent niet juist het gevoel moeten geven dat ook deze ambities en bijdragen erkend en gewaardeerd worden? Het gebrek aan rolmodellen die de (docent-)onderzoekers en studenten zijn voorgegaan helpt ook niet. Tussentijds kijken (docent-)onderzoekers en studenten met deze ambities met een schuin oog naar universiteiten, waar het ontstaan van kennisintensieve start-ups de afgelopen jaren in een razendsnel tempo van de grond is gekomen.  

Als we er niet in slagen om valorisatie door middel van kennisintensieve start-ups te versnellen, zal onze relevantie in het kennis- en innovatie-ecosysteem steeds meer onder druk komen staan. Tot treurnis van de geëngageerde (docent-)onderzoekers is het nu namelijk aan de orde van de dag dat zogenaamde ‘launching customers’ na een onderzoeksproject klaar staan om het product of de dienst dat uit het (onderzoeks-)project is voortgekomen af te nemen. Waarop (docent-)onderzoekers op dat moment met gebonden handen staan. Het proces stokt nu binnen de hogeschool en de nieuwe kennis blijft onbenut.  

Zie voortbrengen kennisintensieve start-ups als opdracht 

Redenen te over om meer ruimte te geven aan kennisintensieve start-ups. De Hogeschool van Amsterdam doet onder de veelzeggende titel ‘mind the gap’ een verkenning naar het realiseren van maatschappelijke impact van het praktijkgerichte onderzoek, onder meer middels nieuwe start-ups. Ook Fontys inventariseerde wat (docent-)onderzoekers en studenten helpt en belemmert om een rol te spelen ten aanzien van het realiseren van deze vorm van maatschappelijke impact. 

Pas als kennisintensieve start-ups worden gezien als een investering in de kennisinstelling en in de voorbereiding van de student op het werkveld, ontstaat er ruimte.

De (docent-)onderzoekers die wij spraken zijn eensgezind in de lezing dat het pad nu vol obstakels ligt. Er bestaan dan wel regelingen voor regulier studentondernemerschap, ondernemersprijzen, minoren en subsidies voor docenten, maar deze zetten kennelijk nog weinig zoden aan de dijk van het kennisintensief ondernemerschap. Het gebrek aan een breed gedragen standpunt over de wijze waarop hogescholen zich moeten opstellen ten aanzien van het (door)ontwikkelen van onderzoek en ondernemerschap dat daaruit kan voortvloeien is niet bevorderlijk. 

Pas als kennisintensieve start-ups worden gezien als een investering in de kennisinstelling en in de voorbereiding van de student op het werkveld, ontstaat er ruimte. Meer dan nu het geval is, zou nieuwe kennisintensieve bedrijvigheid een kernelement moeten zijn in het beleid van hogescholen, omdat het een waardevolle invulling is van hun maatschappelijke opdracht anno 2022.   

Vier aandachtspunten 

Uit onze gesprekken met (docent-)onderzoekers destilleren wij vier aandachtspunten. 

Erkenning en waardering  

Het erkennen en waarderen van medewerkers binnen het hbo is, net als op de universiteiten, toe aan actualisering. De (docent-)onderzoekers in ons onderzoek geven aan dat er relatief weinig waardering is voor de activiteiten die zij verrichten ten behoeve van het oprichten van kennisintensieve start-ups. Ook het ondersteunen van kennisintensieve start-ups van studenten of extra-curriculaire studententeams die kunnen leiden tot kennisintensieve start-up kan rekenen op weinig waardering.  

Zo zegt één van de (docent-)onderzoekers: ‘Het zit niet in de cultuur dat dit onder medewerkers aangemoedigd wordt, terwijl de behoefte er wel is.’ Dat betekent dat de (docent-)onderzoekers die hiermee toch aan de slag gaan dit vooral op eigen initiatief en vanuit intrinsieke motivatie moet doen. Een algemene erkenning van de meerwaarde van ondernemerschap en kennisbenutting als onderdeel van een breed kwaliteitsbegrip zal deze docenten meer rugdekking geven. 

Intellectueel eigenaarschap 

Als nieuwe kennis en producten worden ontwikkeld met publieke middelen, dan is de hele samenleving eigenaar van die kennis. Dat is de basis voor Open Science. Zodra andere financieringsstromen die gericht zijn op het behalen van winst een rol spelen, ontstaat er een nieuwe dynamiek. Van wie is de ontwikkelde kennis dan? Wie kan die te gelde maken?  

Dit raakt aan de vrees voor staatssteun voor bedrijvigheid. Er is geen one size fits all, veelal is maatwerk vereist om goede afspraken te maken. Dat betekent ook dat de juridische afdelingen van de hogescholen moeten beschikken over voldoende kennis en informatie om dit te faciliteren. Dat is meestal nog niet het geval. 

De financiering op het hbo en de vrees voor staatssteun 

De maatschappelijke opdracht van het hbo is met name ingericht op het opleiden van de professional van de toekomst. Tegenwoordig betekent dat zoveel mogelijk opleiden in een authentieke omgeving waarin de student in aanraking komt met actuele vraagstukken en zodoende onderzoekende vaardigheden kan opdoen.  

Dergelijke omgevingen vormen een broedplaats voor kennisintensieve start-ups. Hogescholen krijgen veel middelen van de rijksoverheid. Ruim negentig procent van die middelen is echter bestemd voor het onderwijs. Tegelijkertijd is er binnen hogescholen een brede alertheid op het financieren van private activiteiten met deze publieke middelen. Terecht, maar intussen heeft privaat gewin door (docent-)onderzoekers een sterke negatieve lading gekregen. Dat is niet bevorderlijk voor het ontstaan van een commerciële spin-off. 

Privaat gewin door (docent-)onderzoekers heeft een sterke negatieve lading gekregen.

In de uitzonderlijke gevallen dat een kennisintensieve start-up toch van de grond is gekomen, gaat een van de belangrijkste vragen over de financiële constructie, met name over de toerekening van de toekomstige baten. Een aantal hogescholen beschikt over een participatiemaatschappij (bijv. Saxion en de Hogeschool van Amsterdam), veelal geïnspireerd op die van de universiteiten.  

De 33/33/33 verdeling die daarin is vastgelegd wordt ook gehanteerd bij kennisoverdracht, waarbij de opbrengsten worden verdeeld over de onderzoekers, de instelling en het instituut. Die opbrengsten vloeien dan, net zoals bij universiteiten, terug in een ‘octrooifonds’, waar ze een financieringsbron zijn voor het vestigen van patenten of het dekken andere kosten die gemaakt moeten worden in het kader van kennisoverdracht aan bestaande en nieuwe bedrijven. De situatie is nu nog dermate beperkt ontwikkeld dat onvoldoende duidelijk is welke vormgeving past bij een hogeschool en hoe dat verschilt van de universiteiten met hún knowledge– of technology transfer offices en participatiemaatschappijen.  

Het organisatie- en identiteitsvraagstuk 

Als we kijken naar de inrichting van de organisatie en de kernprocessen, dan zien we dat hogescholen zich nog voordoen als opleidingsinstellingen. Zo is de tevredenheid van de studenten een kern-indicator voor de kwaliteit van de instellingen en dat vertaalt zich naar goede roosters, snelle afhandeling van toetsen etc. Een gestroomlijnde opleidingsorganisatie wordt immers door veel studenten sterk gewaardeerd.  

Dit staat echter op gespannen voet met de minder planbare processen rond ondernemerschap. Stringente roosters en een cultuur van ondernemerschap laten zich in de praktijk lastig combineren. Sowieso doet zich de vraag voor of projectleiders/(docent-)onderzoekers zich voldoende bewust zijn van hun positie in het innovatieve ecosysteem. Zij acteren doorgaans primair als docent en opleider, maar zijn ook actor in het kennis en innovatie ecosysteem – ten aanzien van bedrijven, werkveld en universiteiten.  

Valorisatie door kennisintensieve start-ups 

De druk om het hbo ondernemervriendelijk te maken komt vooralsnog vooral van binnenuit en komt tot stand door enkele ambitieuze studenten en docenten. Ondertussen komen de oplossing vaak van buiten. Er ontstaan bijvoorbeeld externe constructies omdat meerdere partijen zien dat er iets waardevols mogelijk verloren gaat en/of effectiever benut kan worden. Zo is in de Brainport regio The Gate opgetuigd. Vanuit dit netwerk wordt een regionale infrastructuur georganiseerd die kennisintensieve start-ups (in wording) in hun specifieke ondersteuningsbehoefte voorziet; meer ingericht op intellectueel eigendom, R&D subsidies en deep-tech ontwikkeling. 

Het ministerie van OCW financiert nadrukkelijk de eerste twee kerntaken van de hogescholen. Onderwijs en onderzoek krijgen een basisfinanciering (zij het zeer ongelijk 95 procent voor onderwijs tegenover vijf procent voor onderzoek). Aan de derde opdracht van de hogescholen, valorisatie van de ontwikkelde kennis, zijn geen expliciete termen of middelen verbonden. Dat betekent dat er weinig impuls uitgaat van het landelijke beleid, ongeacht alle mooie woorden uit de nota’s van de AWTI. Meer eenheid in de aanpak in het hbo zou erg stimulerend kunnen zijn om zo het verlies van kennis en kapitaal te voorkomen. Er is naarstig behoefte aan hanteerbare regels voor hogescholen op landelijk niveau. Zowel individuele hogescholen als de Vereniging Hogescholen dienen een hoognodige beleidsmatige stap te zetten. 

Het is hoog tijd dat dat hogescholen serieus werk maken van hun derde hoofdtaak. De mogelijkheden zijn er al, evenals de behoeften bij studenten en docenten, maar de (bestuurlijke) inspanning ontbreekt. Het laten liggen van – misschien wel miljarden – aan potentieel op het hbo is niet te verantwoorden. Verandering begint bij het besef dat een investering in deze commerciële kennisactiviteit voor vele studenten, en ook docenten, een boeiend en wenkend perspectief biedt en essentieel is voor onze relevantie in het kennis- en innovatie-ecosysteem. 

Rick Bonants : 

Business Developer (Deep-) Tech bij Fontys Centre of Expertise High Tech Systems & Materials en Consultant Business Services bij Fontys Centrum voor Ondernemerschap.

Margo Brouns : 

Lector Versterking Impact Praktijkgericht Onderzoek bij Fontys Hogescholen.


«
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.
Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan
OK