Geen middenmoter bij promoties

Nieuws | de redactie
19 mei 2016 | Nederland heeft behoefte aan veel gepromoveerden die goed toegerust zijn op hun werk als hoogopgeleid kenniswerker. Vanuit de RUG laat men de kritiek op hun experiment met promovendi daarom niet op zich zitten. “Meer en beter toegesneden promotieopleidingen zijn een duidelijke maatschappelijke opdracht.”

De kritische beschouwing over dat experiment door PNN-bestuurder Eduard Schmidt wilden Lou de Leij, Dean Groningen Graduate Schools en Marjan Koopmans, Projectmanager Groningen Graduate Schools, dan ook niet onweersproken laten. Zij dienen hem van repliek in een opiniestuk, dat u hieronder leest.

Meer promoties is goed voor Nederland

“Nederland heeft behoefte aan veel gepromoveerden die goed toegerust zijn op hun werk als hoogopgeleid kenniswerker. Dat is goed voor de Nederlandse kenniseconomie. Anno 2016 is Nederland op dit gebied op zijn best een Europese middenmoter. Niet goed genoeg voor een land dat zich op het punt van de kenniseconomie graag in de top-vijf van de wereld wil (blijven) manifesteren.  

Ook voor de individuele promovendus is het goed om te promoveren. Er is bijna geen werkloosheid onder gepromoveerden en de gemiddelde gepromoveerde heeft een uitstekende kans op een interessante en goed betaalde baan. Deze baan was vroeger vooral binnen, maar tegenwoordig in toenemende mate (nu al voor meer dan 70%) buiten de universiteit. Op dit laatste wordt de promovendus helaas in de regel nog niet optimaal voorbereid.

Het bovenstaande wordt door meerdere recente Nederlandse rapporten onderbouwd (zie voor een overzicht bijvoorbeeld de toelichting bij de op 8 januari 2016 gepubliceerde Algemene Maatregel van Bestuur ‘Besluit experiment promotieonderwijs’) en is in overeenstemming met de internationaal gangbare mening (zie o.a., Science 350: 1367-1371, 2015 en Nature 528: 7, 2015). Het aanbieden van meer en beter op de latere loopbaan toegesneden promotieopleidingen is dan ook een duidelijke maatschappelijke opdracht voor de Nederlandse universiteiten.

Hoe extra promotieplaatsen te financieren?

Een belangrijk deel van het Nederlandse universitaire onderzoek wordt extern gefinancierd en als onderzoeksproject uitgevoerd. Deze projecten worden in de regel geschreven door en toegekend aan een hoogleraar of andere universitaire medewerker. Op een dergelijk project kan vervolgens een promovendus aangesteld worden die de uitvoering van het project doet als onderdeel van zijn/haar opleiding tot onderzoeker.

Dit werkt in de regel goed en het merendeel van de promotietrajecten (ongeveer 60%) aan de universiteit wordt op deze wijze gefinancierd. Ook de Rijksuniversiteit Groningen zal, na de invoering van het promotieonderwijsexperiment, deze werknemerpromovendi blijven aanstellen. Echter, in een tijd waarin de financiering van de topinstituten vanuit de FES-gelden afgelopen is, de Nederlandse kennisindustrie de hand op de knip houdt en de competitie voor NWO- en EU-projecten moordend is geworden, is een significante verhoging van het aantal projecten uit deze hoek niet te verwachten, eerder een verlaging.

Er zal dus iets anders bedacht moeten worden als de universiteit meer geïnteresseerde afgestudeerden de kans wil geven om zich verder te ontwikkelen tot gepromoveerd onderzoeker. Een van de mogelijkheden is het creëren van extra promotieplaatsen uit eigen middelen. Probleem hierbij is dat de universiteiten de komende jaren naar verwachting geen extra financiering zullen krijgen.

Het promotieonderwijsexperiment in Groningen

Na een intensieve voorbereidingsfase is in Groningen een opzet gekozen waarbij een groot contingent promotieplaatsen uit universitaire middelen gefinancierd wordt. Deze plaatsen worden ingevuld met promotiestudenten, die hun promotieonderzoek gaan doen aan een ‘curiosity driven’ project waarvoor ze zelf, onder begeleiding, het onderzoeksvoorstel schrijven, bijvoorbeeld in het kader van hun researchmasteropleiding.

Een belangrijke meerwaarde voor de promotiestudent is dat deze tijdens het promotietraject in een speciaal ontwikkelde leerlijn gedegen wordt voorbereid op een baan na promotie, binnen of buiten de universiteit. Ook het leren geven van onderwijs kan, als de promotiestudent dat wil, onderdeel van deze opleiding zijn.

Aantrekkelijke beurs met goede sociale zekerheid

De promotiestudent zal een beurs van ongeveer 1700 euro netto per maand krijgen. Vergeleken met de rest van de wereld (bijna alle landen in de wereld kennen een systeem waarin zowel werknemer- als studentpromovendi een promotie kunnen voorbereiden) is dat een zeer ruime beurs. De hoogte is ongeveer gelijk aan wat een startende werknemerpromovendus als nettosalaris krijgt.

Inderdaad, er is geen pensioenopbouw, geen jaarlijkse schaaltrede van gemiddeld ongeveer 100 euro per maand netto en geen andere CAO-gekoppelde extra’s. Maar, daar staat tegenover dat een promotiestudent het onderwerp van zijn/haar promotieonderzoek zelf vorm geeft en een extra opleiding krijgt die hem/haar goed voorbereidt op een baan na promotie. Daarnaast, en dat is nieuw ten opzichte van eerdere lichtingen promotiestudenten, hebben ze alle sociale zekerheden die werknemerpromovendi ook hebben.

Nog maar één categorie beurspromovendi

Een belangrijke categorie promovendi die ook in het experiment meegenomen wordt, en die in de hele discussie vaak ten onrechte wordt vergeten, is die van de promovendi met eigen beurs, meestal verstrekt door overheidsinstellingen in andere landen zoals China. Dit is in Nederland een groeiende groep (in Groningen nu ongeveer 20%).

Deze promovendi moeten van veel minder geld rondkomen (gemiddeld 1150 euro per maand) en hebben nauwelijks rechten (zie: CJF Waaijer et al., Research Evaluation, 2016, 1–9). In het experiment in Groningen worden de beurzen van deze promovendi aangevuld tot het bedrag dat alle promotiestudenten krijgen en hebben zij dezelfde rechten. Daarmee heeft de RUG in de toekomst nog maar één categorie beurspromovendi met een goedgeregelde (wettelijke) status.

Geen bezuiniging maar investering in kwaliteit

Met het experiment bezuinigt de Rijksuniversiteit Groningen niet, maar investeert ze in het creëren van aanzienlijk meer promotieplaatsen. De toegewezen 850 plaatsen zullen over een periode van vijf jaar ingevuld worden met zuiver nieuwsgierigheidsgedreven promotieonderzoek. Voor Groningen betekent dit een toename van het aantal promotieplaatsen met ongeveer 20%. Hierdoor verwacht de universiteit dat er meer en betere proefschriften afgeleverd zullen worden en dat de kwaliteit van het universitaire onderzoek verder verhoogd wordt.

Daarnaast krijgen deze promovendi een brede en gedegen opleiding. Hierdoor zullen hun kansen op het krijgen van een goede baan binnen of buiten de universiteit verder vergroot worden. Jong toptalent heeft dus een uitstekende reden om zich aan te melden voor een van deze plaatsen. Gezien de vele reacties die we tot nu toe al gekregen hebben, zijn veel kandidaatpromovendi dit van harte met ons eens.

Lou de Leij, Dean Groningen Graduate Schools
Marjan Koopmans, Projectmanager Groningen Graduate Schools


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK