Integriteit bewaken bij praktijkgericht onderzoek

Interview | door Sicco de Knecht
12 december 2017 | “Je ziet dat de discussie over integriteit in een stroomversnelling is geraakt de laatste jaren.” Volgens lector Daan Andriessen is het nu ook goed om eens een thermometer in het onderzoek aan het hbo te steken om te kijken hoe het daar gesteld is met het beleid omtrent wetenschappelijke integriteit.
(Foto: Matthew Pierce)

Het onderzoek aan de hogescholen is volwassen aan het worden. Niet al te lang geleden werd het budget aanzienlijk verruimd met € 72,- miljoen per jaar en steeds meer vindt het onderzoek aansluiting met het onderzoek dat plaatsvindt aan universiteiten. Inmiddels is het volgens Daan Andriessen, lector methodologie van het praktijkgericht onderzoek (Hogeschool Utrecht), dan ook tijd om aandacht te hebben voor de wetenschappelijke integriteit.

Momenteel lopen er twee belangrijke initiatieven parallel aan elkaar, zo legt Andriessen uit. “Er wordt in den breedte gewerkt aan een nieuwe Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit.” Op dit punt werken KNAW, VNSU en de Vereniging Hogescholen met elkaar samen. “Zij zitten nu in de consultatieronde waarin alle input wordt verwerkt.” Binnenkort wordt deze consultatie ook uitgezet bij het bredere publiek.

Tegelijkertijd loopt het ZonMw-project Bevorderen van Verantwoorde Onderzoekspraktijken. In dat project, dat onder leiding van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen wordt uitgevoerd en waarin Fontys Hogescholen en Hogeschool Utrecht participeren, wordt in kaart gebracht wat het beleid van verschillende instellingen op dit terrein is. Ook willen de onderzoekers inzicht krijgen in de vraag waar onderzoekers zoal tegenaan lopen op het gebied van wetenschappelijke integriteit. De inventarisatie omvat een breed scala aan onderwerpen, van ethische toetsing van onderzoek, omgang met auteursrecht tot aan het voorkomen van fraude.

Praktijkgericht onderzoek vraagt om aandacht

Wat de specifieke vraagstukken zijn waar hogescholen mee kampen op het gebied van wetenschappelijk integriteit kan Andriessen nog niet met al te grote nauwkeurigheid zeggen. “Het project zit nog in de beginfase.” Hij wil wel alvast een aantal hypotheses doorlopen die richting zouden kunnen geven aan het onderzoek. “Er zijn specifieke spanningsvelden bij praktijkgericht onderzoek in het hbo en die moet je apart beschouwen.”

Andriessen denkt daarbij aan een thema als onafhankelijkheid. “Wat betreft de onafhankelijkheid van de onderzoeker zie je intern mogelijke spanningsvelden, bijvoorbeeld bij contractonderzoek, omdat er sprake is van een financiële afhankelijkheidsrelatie met een externe opdrachtgever.” Volgens hem is dat niet per se uniek voor het hbo, het is een bijkomend vraagstuk bij veel vormen van praktijkgericht onderzoek. “De vraag is dan wel hoe je die verschillende rollen scheidt binnen je project en hoe je daar integer mee omgaat.”

Wat handvatten voor een dergelijk spanningsveld betreft wil Andriessen nog niet te veel op de zaken vooruitlopen. In het project gaan ze eerst in gesprek met onderzoekers in het hbo om vast te stellen hoe vaak ze dit soort dilemma’s werkelijk ervaren en hoe ze ermee omgaan. Wat hem betreft is die kwalitatieve benadering de beste eerste stap.

Daadwerkelijk kwantitatief vaststellen hoe vaak conflicten rond integriteit voorkomen is volgens hem ook niet haalbaar. “Het start in ieder geval met het vaststellen van wat je goed onderzoek noemt, wat dat betreft heeft de commissie Pijlman daar dit jaar een goede voorzet voor gedaan.” In het rapport dat ingaat op de meerwaarde van het praktijkgericht onderzoek worden al enige suggesties gedaan over de manier waarop de Gedragscode kan worden verbeterd:

Een norm als ‘De wetenschapsbeoefenaar is zich ervan bewust dat hij de middelen en faciliteiten krijgt wetenschappelijk onderzoek te doen en daarin vrije keuzes te maken. Die keuzes legt hij naar beste eer en geweten uit.’ (p. 11 huidige code) beschrijft niet een standaard-situatie en is dus voor verbetering vatbaar.

Ere wie ere toekomt?

Als het over erkenning gaat in termen van auteurschap, ziet Andriessen niet direct grote verschillen met het onderzoek aan universiteiten. Wel is zijn hypothese dat dit punt in het hbo minder vaak tot grote spanningen leidt. “Mijn hypothese is wel dat dit op hogescholen minder speelt omdat onderzoekers niet zo hard worden afgerekend op het publiceren in vooraanstaande wetenschappelijke tijdschriften.”

Wat dat betreft ligt de missie van het hbo volgens hem meer op het bijdragen aan de maatschappij dan om internationaal aanzien. “Maar ik zeg erbij dat we dat nog moeten onderzoeken of dat waar is. Voor hetzelfde geld is het in het hbo net zo erg.” Andriessen is dan ook nieuwsgierig naar het antwoord op de vraag hoe verschillend de twee onderzoekswerelden nu werkelijk zijn.

Lees hier ook Daan Andriessen over de identiteit van onderzoek in het hbo.

In dat verband vindt Andriessen het recente Rathenau onderzoek over praktijkonderzoek bij hogescholen interessant. “Daaruit blijkt dat het onderzoek aan hogescholen zich vooral onderscheidt door de netwerkfunctie – instellingen en bedrijven werken nauw samen. Ook de drijfveren van de onderzoekers zijn duidelijk anders, bovenaan staat relevantie voor de praktijk en onderaan de drang om te publiceren.”


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK