Binnen universiteiten wordt leven lang leren standaard

Opinie | door Wieger Bakker
16 januari 2019 | Het is vanzelfsprekend dat in de volle breedte van de universiteiten leven lang leren een vast onderdeel van het primaire proces moet worden en het langzaamaan ook aan het worden is. Binnen mijn eigen, Utrechtse, universiteit kent het een lange geschiedenis, bestaat het in allerlei vormen en op verschillende plaatsen, en zijn de inhoud en deskundigheid meer dan ooit aanwezig om een breder en meer divers aanbod te ontwikkelen.

Die ontwikkeling komt steeds meer in een stroomversnelling terecht, maar tegelijkertijd is er nog een wereld te winnen. In dat verband is kan het helpen wanneer universiteiten zich niet alleen verhouden tot dat deel van het hoger onderwijs waarvoor de overheid verantwoordelijkheid neemt én is het behulpzaam om te kijken naar de dynamiek van onderzoek aan universiteiten.

Meer behoefte aan flexibiliteit

Over de noodzaak van Leven-Lang-Leren bestaat nauwelijks meer discussie. Dat geldt zowel voor wat nodig is voor een innovatieve kenniseconomie als voor het op peil houden van de motivatie, de prestaties en de duurzame inzetbaarheid van professionals. Daardoor neemt de behoefte aan meer flexibiliteit toe evenals de behoefte aan een grotere variatie aan opleidingsmogelijkheden na de initiële opleiding. Circulatie van nieuwe kennis en inzichten, geïnspireerd blijven als professional, verbindingen met nieuwe kennisdomeinen in een veranderende arbeidsmarkt, het vinden van antwoorden op de maatschappelijke vraagstukken; het zijn de kernbegrippen die het denken over Leven-Lang-Leren aan universiteiten bepalen.

Ons Dossier Leven lang ontwikkelen.

In het verleden kende de Universiteit Utrecht, net als andere universiteiten, bloeiende deeltijd – en verkorte opleidingen naast een uitgebreid aanbod aan postacademische leergangen. Rond de invoering van het bachelor- masterstelsel nam de belangstelling voor de vaak langjarige -6 tot 8 jaar- opleidingen af en kwam een deel van het postacademisch onderwijs terug in pre-master en masterprogramma’s of werd overgenomen door andere (markt)partijen. Kenmerkend daarvoor was dat het primair om varianten ging van bestaande initiële diploma-programma’s of om vervolgleergangen voor de daarbinnen opgeleide professionals. De afgelopen jaren zien we dat zich een groeiend aanbod ontwikkelt. Dat aanbod speelt deels in op de vraag van professionals om zichzelf door te ontwikkelen of zich in een andere richting te ontwikkelen.

Deels gaat het om het verwerven van nieuwe kennis op andere terreinen omdat hun functie dat van hen vraagt, maar ook om een behoefte aan uitwisseling van kennis en ervaringen met andere professionals. Interessant is dat dat aanbod niet alleen inspeelt op de inhoudelijke vraag, maar ook op vragen naar meer maatwerk qua didactiek, programmalengte en tempo, en om andere vormen van organisatie en financiering.

Inmiddels zien we die bewegingen binnen allerlei inhoudelijke domeinen en zowel in de vorm van geaccrediteerde programma’s met een eigen didactiek als onderwijsvormen die niet opleiden voor bachelor of masterdiploma zoals, masterclasses voor professionals of leergangen die in samenspraak met een maatschappelijke sector zijn ontwikkeld. Zie in Utrecht bijvoorbeeld een geaccrediteerde opleiding als Gezondheidswetenschappen voor Zorgprofessionals, de Lerarenopleidingen voor het Voorbereidend Hoger Onderwijs, of de Executive programma’s van de faculteit Recht, Economie, Bestuur en Organisatie (REBO); zoals de leergang voor Toezichthouders, het Leerprogramma Leiderschap in Cultuur (LinC) of de Masterclass Entrepreneurial Ecosystems.

Tegelijkertijd gaat de ontwikkeling minder snel, minder systematisch en is die minder breed en gevarieerd dan je zou verwachten op grond van de brede en langjarige aandacht voor Leven-Lang-Leren. Per slot van rekening dateert het concept LifeLong Learning al uit de jaren zestig toen het eerst als ‘Education Permanente’ (Raad van Europa), ‘Learning to be’ (UNESCO) en ‘Recurrent Education’ (OECD) conceptueel tot ontwikkeling kwam. Vanaf de jaren zeventig is het ononderbroken bepleit door de gezamenlijke ministers van onderwijs van eerst de EEG en later de EU. Ook toen al werd overigens door sommigen gesproken over de kansen die universiteiten lieten liggen om hun onderwijs hierbij aan te laten sluiten (Bourdon 2014, p.3007).

Eén van de redenen van die trage ontwikkeling is dat het universitaire onderwijs, meer dan het onderzoek, zich bijna één op één is blijven richten op dat deel van het hoger onderwijs waarvoor de overheid systeemverantwoordelijkheid neemt in bekostiging, kwaliteitsborging en toegankelijkheid, inclusief de efficiëntie- en andere toetsingscriteria die daarbij horen. Dat wil zeggen dat het accent ligt op voltijdse initiële diploma-programma’s voor jongeren en jong volwassenen, waarbij het succesvol afronden van zowel een bachelor als masterprogramma in de nominale studieduur als een belangrijk teken van kwaliteit wordt gezien en het volgen van meerdere studies op verschillende vakgebieden wordt ontmoedigd.

De hele organisatie, inclusief de  financiering, administratie en het personeelsbeleid, zijn daar op afgestemd en onderwijsvarianten die niet in dat systeem passen, doen zich dan ook al snel eerder voor als een ‘probleem’, dan als een waardevolle uitbreiding van het repertoire. Want waar haal je duurzaam het geld en de mensen vandaan; waar is de ruimte om nieuw en inspirerend aanbod te  ontwikkelen en hoe doe je dat; en hoe administreer en verantwoord je de risico’s van onzekere investeringen?

Politiek-bestuurlijke beweging

Naar mijn mening is er juist nu momentum om die vragen te kunnen beantwoorden, zeker als ik kijk naar de situatie die ik het beste ken, mijn eigen universiteit. Onze uitgangspositie is nog nooit zo goed geweest. En wel om drie redenen. Ten eerste is er, gestimuleerd door SER en Onderwijsraad, op nationaal niveau een duidelijke politiek-bestuurlijke beweging om rond leven lang leren -of in termen van minister Van Engelshoven: Leven lang ontwikkelen- een doorbraak te forceren. De ruimte om te flexibiliseren neemt voorzichtig toe en er is inmiddels een groeiend besef dat binnen het wetenschappelijk bedrijf een gelijkwaardige waardering van onderwijs en onderzoek nodig zijn en dat ook overheidsbeleid dat kan faciliteren.

Ten tweede hebben we ook aan de Universiteit Utrecht de laatste tijd niet stilgezeten. Er zijn al enkele jaren investeringsmiddelen vrijgemaakt voor alle faculteiten om te experimenteren en er is ook op verschillende plekken geëxperimenteerd met een toenemende variëteit aan een meer flexibel en modulair aanbod; deels leidend tot diploma’s, deels gericht op een specifieke en kortdurende scholingsbehoefte of op een combinatie van beide. Er zijn werkbare modellen ontwikkeld voor de financiering van docenten en, meest belangrijk, er begint een gemeenschap van actieve en bij deze vormen van onderwijs betrokken docenten te ontstaan. En ook binnen de opgebouwde infrastructuur voor onderwijsinnovatie en onderwijsprofessionalisering neemt het een steeds herkenbaardere positie in.

Onderzoek beter benutten

Maar waar we, ten derde, misschien nog het minst gebruik van hebben gemaakt, is van de opbrengst van de ontwikkelingen op het terrein van onderzoek. Daar ligt voor het verder ontwikkelen van een leven lang leren aanbod een groot aantal mogelijkheden. Om te beginnen hebben universiteiten zich daar niet alleen gericht op waar de -nationale- overheid zich voor verantwoordelijk stelde. Daarnaast en daarbuiten hebben universiteiten en overheden een veelheid aan werkvormen en modellen  ontwikkeld om innovatie van onderzoek te bevorderen, om te investeren, om over de grenzen van disciplines heen samen te werken, om de verbindingen te leggen met de grote maatschappelijke uitdagingen en om de wetenschappelijke staf daarbij te ondersteunen. Denk bijvoorbeeld aan de NWO-programma’s of de onderzoeksprogramma’s van de Europese Unie, maar bijvoorbeeld ook aan de organisatie- en financieringsvormen voor interdisciplinair onderzoek naar strategische thema’s en focusgebieden rond bijvoorbeeld duurzaamheid, arbeid en diversiteit.

De inhoudelijke opbrengst van dergelijke vormen van interdisciplinaire samenwerking kan van grote waarde blijken voor leven lang leren. In dat onderzoek staan maatschappelijke uitdagingen centraal waar grote aantallen organisaties en professionele beroepsgroepen dagelijks mee geconfronteerd worden. Het is van belang om in samenspraak met die organisaties en beroepsgroepen na te gaan welke kennis voor hen relevant is en in welke vorm van leven lang leren die beschikbaar gemaakt kan worden. Maar ook als het gaat om het aanwakkeren van initiatieven kan de onderzoekspraktijk tot voorbeeld strekken. De stimulans die uitgaat van ‘seed money call’s’ voor onderzoek kan mogelijk vertaald worden naar leven lang leren en hetzelfde geldt voor de ondersteuning van onderzoek en bij onderzoeksaanvragen. En ten derde is het omgaan met een variatie aan 1e, 2e en 3e geldstromen in het onderzoeksdomein inmiddels staande praktijk en is er geen principiële reden waarom dat in onderwijsdomein niet zou kunnen zolang die geldstromen maar gescheiden blijven. Omgekeerd zien we dat de deelnemers aan leven lang leren programma’s een interessant netwerk opleveren voor (toegepast) onderzoek.

Inmiddels zien we dat, zij het nog voorzichtig en op kousenvoeten, die wisselwerking tussen de meer dynamische onderzoekspraktijk en het onderwijsdomein gestalte begint te krijgen. Er zijn nieuwe (bachelor-, master)programma’s en masterclasses in ontwikkeling die aansluiten bij de multi- en interdisciplinaire benadering van maatschappelijke vraagstukken. Onze uitgangspositie voor de verdere ontwikkeling van een gevarieerd aanbod van Leven-Lang-Leren is uitstekend.

Waar het nu om gaat is dat we in samenspraak met maatschappelijke partners en beroepsgroepen, meer dan tot nu toe en in de volle breedte, systematisch doordenken waar onze nieuwe kennis relevant is, voor wie die relevant is, in welke vorm die relevant is en hoe we die kennis daar op de beste manier kunnen laten komen. Voor hoe dat moet bestaat niet één uniform model; daarvoor verschillen disciplines, professies en maatschappelijke sectoren en vraagstukken teveel van elkaar, maar op de keeper beschouwd is het niet meer dan vanzelfsprekend dat je weet en toetst waar je betekenis kunt hebben en dat ook regelmatig bijhoudt.

Leven lang leren geen aparte categorie meer

Er is winst te behalen, maar alleen als we dat doen in samenspraak met die professies en maatschappelijke sectoren, inclusief andere delen van het onderwijsveld. Als dat de manier wordt waarop we als universiteiten ‘de dingen doen’, dan verdwijnt op termijn het onderscheid tussen initieel en post-initieel onderwijs en misschien zelfs wel het onderscheid tussen pre-initieel en initieel. Dat is zeker zo als de trend van het vervagen van de harde grens tussen student en werknemer, tussen onderwijs en arbeidsmarkt zich doorzet. Leven lang leren is dan natuurlijk geen aparte categorie meer, maar gewoon onderdeel van de werkzaamheden en van het professionele repertoire van de wetenschappelijke staf, inclusief alles wat daar bij hoort aan professionele kwalificatie en beoordeling.

Maar de universiteiten kunnen het niet alleen. Als we daar een doorbraak voor leven lang leren willen forceren, dan moet ook de overheid daarop voorbereid zijn en zijn serieuzere stappen nodig dan nu gezet zijn. Stappen die verder gaan de dan de standaard beoordelingscriteria bij accreditaties. Binnen het bestaande stelsel van hoger onderwijs is nog maar beperkt ruimte voor het experimenteren en voor het ondernemerschap dat daar voor nodig is. Hoe eerder we daarover in gesprek kunnen gaan, hoe beter.

Wieger Bakker :  Dean for Lifelong learning

Wieger is hoogleraar Kwaliteit en Innovatie van Maatschappijgericht Hoger Onderwijs aan de Universiteit Utrecht.


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK