Instellingsaccreditatie-dogma schaadt het hoger onderwijs

Opinie | door Esma Kendir & Freya Chiappino
31 maart 2021 | De Landelijke Studentenvakbond (LSVb) roept de Tweede Kamer en de volgende minister van OCW ertoe op niet over te gaan op instellingsaccreditatie. "Instellingsaccreditatie vermindert de lastendruk niet. Daarnaast zijn er allerlei manieren om de kwaliteitscultuur te verbeteren", bepleiten bestuurders van de LSVb.
“Instellingsaccreditatie vermindert de lastendruk niet. Daarnaast zijn er allerlei manieren om de kwaliteitscultuur te verbeteren”, bepleiten bestuurders van de LSVb.

Vandaag wordt de Tweede Kamer geïnstalleerd. Een van de belangrijke onderwerpen die voor het hoger onderwijs op het spel staat is instellingsaccreditatie.  Het welbekende project dat de Vereniging van Nederlandse Universiteiten (VSNU) er al jarenlang doorheen probeert te drukken. Hiermee proberen ze de kwaliteitscontrole van opleidingen bij de instellingen zelf te leggen in plaats van bij onafhankelijke accreditatiebureaus. Een kwalijke ontwikkeling die de kwaliteitszorg van opleidingen onder druk zet.  

Instellingsaccreditatie vermindert de lastendruk niet en opleidingsaccreditatie wordt als zinvol ervaren. Daarnaast zijn er allerlei manieren om de kwaliteitscultuur te verbeteren; het accreditatiestelsel hoeft daarvoor niet veranderd te worden. Dit zijn enkele van de glasheldere conclusies uit een jarenlang zorgvuldig doorlopen proces met allerlei onderwijsorganisaties.  

Helaas bleek demissionair minister Van Engelshoven blind voor deze feiten. Ze kondigde in een Kamerbrief aan dat instellingsaccreditatie er wat haar betreft gaat komen. Wij roepen de nieuwe minister van Onderwijs op: trek u de adviezen van onderzoeksbureaus, de kritiek van uw eigen inspectie en de bezwaren van studenten aan. Stop met het volgen van het feitenvrije instellingsaccreditatie-dogma van hogescholen en universiteiten.  

We zijn het doel voorbij geschoten 

In 2018 sprak minister Van Engelshoven in het sectorakkoord met de hogescholen en universiteiten af om te verkennen hoe men een betere balans zou kunnen vinden tussen kwaliteitsborging van opleiding enerzijds en administratieve lastendruk anderzijds. Als LSVb juichten we dit toe; de lastendruk van accreditatie is namelijk hoog, en nadenken over kwaliteitsborging is altijd verstandig.

Meld u hier aan voor de ScienceGuide Nieuwsbrief

 

Sindsdien is er in het hoger onderwijsveld drie jaar lang gesproken over het vinden van die ideale balans. Heel dat proces stond in het teken van de vraag hoe de lastendruk kan worden verlaagd terwijl de kwaliteitsborging gewaarborgd blijft. Als één ding duidelijk is geworden, is het dat het antwoord op deze vraag niet instellingsaccreditatie is. Instellingsaccreditatie verlaagt de lastendruk níét, de kwaliteitsborging wordt er niet door gegarandeerd, en door voor instellingsaccreditatie te kiezen blijven veel andere manieren om beide zaken wél te bereiken onbenut. 

De lastendruk wordt niet verlaagd 

Adviesbureau AEF constateerde dat instellingsaccreditatie geen bijdrage zal leveren aan de feitelijke reductie van de regeldruk.1 Uit de verkenning bleek dat enkel de ervaren regeldruk zou kunnen afnemen. Er is echter geen garantie dat de regeldruk niet méér wordt. In de eerdergenoemde Kamerbrief worden veel zaken rondom instellingsaccreditatie weggezet als ‘uitvoeringskwesties die we later nog wel oplossen’, terwijl de ervaring bij het accrediteren van opleidingen juist leert dat dit soort kwesties ongelooflijk veel tijd en energie kosten, en dus de werkdruk verhogen. 

Uit het onderzoek van AEF, dat is uitgevoerd in opdracht van OCW, blijkt echter ook dat de meeste betrokkenen bij opleidingsaccreditatie hun activiteiten wel degelijk als zinvol ervaren, maar dat zij te weinig tijd en ondersteuning hebben. Daardoor ervaren ze de activiteiten niet alleen als zinvol, maar ook als belastend. Het invoeren van instellingsaccreditatie lijkt dus symptoombestrijding voor een fundamenteel ander probleem, en wel de werkdruk in het hoger onderwijs. Die is immers al jarenlang een doorn in het oog van de hardwerkende docenten. Instellingsaccreditatie zal de feitelijke kant van dit probleem echter niet oplossen. Er is gewoonweg meer geld nodig voor het hoger onderwijs! 

Kwaliteitscultuur op de instelling 

Een argument dat voorstanders van instellingsaccreditatie maken, is dat het de kwaliteitscultuur op de instelling zou vergroten. Dit is echter slechts een aanname.  

De onderwijsinspectie constateerde in 2018 dat de kwaliteitscultuur ook binnen het huidige stelsel van opleidingsaccreditatie verbeterd kan worden.  Om van kwaliteitsborging een continu proces te maken, is instellingsaccreditatie niet de enige oplossing. Ook in het huidige stelsel moet dit gebeuren en ook daarin bestaan daar genoeg kansen voor. De onderwijsinspectie heeft al meerdere mogelijkheden aanbevolen om de borging van de kwaliteitscultuur binnen het huidige stelsel te verbeteren. Als de minister de kwaliteitscultuur wil verbeteren, is instellingsaccreditatie dus absoluut niet noodzakelijk. Het is zonde van eenieders energie om in de hoogste boom te willen klimmen, terwijl je het laaghangend fruit links laat liggen. 

Kwaliteitsborging is niet voldoende gewaarborgd met instellingsaccreditatie 

”De universiteiten en hogescholen nemen de regie over de kwaliteitsbeoordeling van hun opleidingen, en de NVAO beoordeelt niet langer de visitatierapporten van de afzonderlijke opleidingsbeoordelingen”, schrijft demissionair minister Van Engelshoven in de Kamerbrief. Het baart ons veel zorgen dat universiteiten en hogescholen hun eigen opleidingen zelf mogen beoordelen. Het is toch te gek voor woorden dat het bestuur van een onderwijsinstelling zélf haar eigen opleidingen mag beoordelen? 

Het is een groot risico dat dit in de handen van onderwijsinstellingen wordt gegeven, terwijl accreditatiebureaus hierin jarenlang expertise hebben moeten opbouwen. Tevens zullen studenten minder ruimte ervaren om hun kritiek te uiten bij de onderwijsinstelling dan bij een onafhankelijk accreditatiebureau, en is het dan ook de vraag of deze kritiek voldoende meegenomen gaat worden door de onderwijsinstelling. Een onafhankelijk bureau biedt immers een stok achter de deur, zodat de opleiding wel naar de studenten moet luisteren. Dit zal verdwijnen bij instellingsaccreditatie.  

Naast het feit dat bij instellingsaccreditatie tenminste de schijn van afhankelijkheid ontstaat, is opleidingsaccreditatie door een onafhankelijk bureau ook noodzakelijk, omdat op decentraal niveau een beter oordeel van de kwaliteit te vormen is. Het grootste deel van de kwaliteit van een opleiding wordt namelijk niet op centraal niveau, maar op het niveau van de opleiding wordt bepaald. Hoe goed de docenten van een opleiding zijn, hoe het curriculum is vormgegeven, of het rendement van opleiding voldoende is en hoe goed de voorzieningen zijn wordt voornamelijk op decentraal niveau bepaald.  

Decentrale oordeelsvorming over de kwaliteit is ook mogelijk binnen het stelsel van instellingsaccreditatie. In dat geval zullen instellingen echter zelf een systematiek zullen moeten verzinnen om de decentrale oordeelsvorming goed plaats te laten vinden. Dit wiel gaat daarmee op vele verschillende plaatsen nieuw worden uitgevonden. Dit is niet alleen weinig efficiënt, maar leidt ook af van waar het echt om gaat: de zorg om kwaliteit van het onderwijs. 

Centraal beleid overheerst  

Ook veroorzaakt instellingsaccreditatie het risico dat de kwaliteitszorg wordt gecentraliseerd, waardoor er minder aandacht wordt besteed aan de kwaliteitszorg op opleidingsniveau. In het huidige stelsel ligt de regie en het eigenaarschap van de kwaliteitszorg primair bij de opleidingen. Uit ervaring blijkt dat medewerkers zich doorgaans het meest betrokken voelen bij de opleiding. Het risico van instellingsaccreditatie is daarom dat de afstand tussen het centrale niveau van een instelling en het opleidingsniveau wordt vergroot, waardoor het gevoel van eigenaarschap van de individuele docent in de opleiding wordt verlaagd.  

Dit zou dus een verslechtering betekenen ten opzichte van de huidige situatie. Het is zelfs zo dat er in de huidige situatie sprake is van veel controle van bovenaf en weinig zeggenschap op de werkvloer. Zo beschrijven WOinActie, FNV, AOb en de LSVb in hun gezamenlijke position paper dat ‘’Helaas zijn universiteiten sinds de invoering van de Wet Modernisering Universitair Bestuur (MUB) in 1998 steeds meer managementorganisaties en steeds minder werkgemeenschappen geworden: veel sturing en controle van bovenaf, weinig zeggenschap  op de werkvloer. Het is tijd de universiteit terug te geven aan haar eigenaren: medewerkers en studenten.’’ Instellingsaccreditatie versterkt deze controle van bovenaf, waardoor de hogescholen en universiteiten niet in handen is van hun rechtmatige eigenaren; de medewerkers en studenten.  

Opleidingen kunnen niet langer vergeleken worden 

Een waardevol en onderbelicht bijkomstig aspect van opleidingsaccreditatie ligt in de mogelijkheid om opleidingen onderling te vergelijken. In de huidige situatie is het mogelijk om soortgelijke opleidingen van verschillende instellingen langs dezelfde meetlat te leggen.  Instellingsaccreditatie, daarentegen, legt de beoordeling van de opleidingskwaliteit bij de instellingen zelf, waarmee de basis voor vergelijkende oordeelsvorming vervalt.  

Zogeheten meta-analyses moeten volgens de minister in het nieuwe stelsel zorgen dat vergelijkende oordeelsvorming mogelijk blijft. Dat zou mogelijk zijn doordat onderwijsinstellingen de ESG-standaarden – Europese eisen voor kwaliteitszorg – volgen. Het is echter niet duidelijk hoe deze standaarden geïnterpreteerd dienen te worden, en het ziet ernaar uit dat de interpretatie van deze standaarden aan de instellingen zelf wordt overgelaten. Als elke instelling de standaarden op haar eigen manier interpreteert, vervaagt de mogelijkheid om de opleidingen met elkaar te vergelijken. Wat betekent de kwaliteit van een opleiding dan nog?  

Staar je niet blind op instellingsaccreditatie 

De discussie over accreditatie moet fundamenteel anders gevoerd worden. Het gesprek over accreditatie moet gaan over het creëren van vertrouwen en een actieve betrokkenheid van studenten en docenten bij het accreditatieproces. Voor de kwaliteit van het onderwijs is het noodzakelijk dat opleidingsaccreditatie in haar huidige vorm blijft bestaan. Instellingsaccreditatie is namelijk niet zo fantastisch als de demissionair minister in haar Kamerbrief doet voorkomen. Wij roepen dus niet alleen de komende minister van OCW, maar het hele hoger onderwijsveld op: wees kritisch, en staar je niet blind op instellingsaccreditatie! 

Esma Kendir : 

Algemeen Bestuurslid van de Landelijke Studentenvakbond (LSVb)

Freya Chiappino : 

Vice-voorzitter van de Landelijke Studentenvakbond (LSVb)


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK