Hoger onderwijs moet ook aan eigen studenten taaleisen stellen

Opinie | door Astrid Augustinus & Bram Enning
8 november 2022 | De taalvaardigheid van studenten laat vaak te wensen over. Dat heeft deels te maken met problemen en onduidelijkheden in het basis- en voortgezet onderwijs, schrijven Astrid Augustinus en Bram Enning van de Hogeschool Leiden. Zo omvat het begrip ‘taalvaardigheid’ dermate veel dat het moeilijk is om de taalvaardigheid van studenten eenduidig te meten en op een niveau te plaatsen. Die taalvaardigheid zou binnen het hoger onderwijs kunnen worden verbeterd, maar daarvoor ontbreekt het aan de onderlinge afstemming en de uitwerking van een gewenst eindniveau. Daarom kan daar het begin van de verbetering liggen, aldus Augustinus en Enning.
Beeld: Wadi Lissa

“Mijn leven gaat voorbij met het corrigeren van teksten, althans daar lijkt het soms op. Als de meester van groep 7 zit ik dag in, dag uit elementaire spel- en taalfouten te corrigeren. De teksten zijn alleen niet geproduceerd door kindertjes, maar door hoog opgeleide academici, studenten.”  

Aldus onderzoeker en emeritus-hoogleraar Klinische Biochemie Piet Borst in 2009. Zijn klaagzang was destijds niet nieuw en is nog niet verstomd. In een recent onderzoek van ResearchNed (december 2021) naar het kennis- en competentieniveau van instromende studenten in het hoger onderwijs, gaven docenten onder andere aan dat er verbetering mogelijk is op schrijfvaardigheid. Bij instromende mbo’ers kon ook de leesvaardigheid verbetering gebruiken. In de Staat van het Onderwijs (2022) signaleerde de Inspectie zelfs dat achttien procent van de havisten slaagt met een onvoldoende voor het vak Nederlands op het eindexamen.  

In dit opiniestuk geven we eerst een kort overzicht van de discussie over de taalvaardigheid van studenten. Het is een discussie die al decennia speelt en op politiek en bestuurlijk vlak heeft geleid tot een vloed aan plannen, kaders en adviezen. Afsluitend komen we tot een overweging om de discussie een duwtje in de goede richting te geven.  

Het belang van taalvaardigheid 

Een goede taalbeheersing is noodzakelijk om helder te communiceren met anderen. Dat is belangrijk in het dagelijks leven, in het werkzame bestaan, maar ook in het onderwijs, waar kennisoverdracht centraal staat. Voor succesvol studeren is het van belang dat studenten leren zich adequaat uit te drukken en in staat zijn informatie te verwerken. Een tekortschietende taalvaardigheid belemmert succesvol studeren (het leidt tot vertraging of zelfs uitval), en, misschien nog wel belangrijker, het knaagt aan het niveau waarmee afgestudeerden de arbeidsmarkt betreden. Daarmee tast het de kern van het hoger beroepsonderwijs aan.  

Bij inschrijving ga je akkoord met onze privacy-voorwaarden. Deze voorwaarden zijn hier te lezen.

De nieuwsbrief is exclusief toegankelijk voor medewerkers van onze partners.

De landelijke overheid voelt de noodzaak van verbetering en kondigde in haar Masterplan basisvaardigheden (mei 2022) aan de komende jaren jaarlijks een miljard euro te investeren in het verbeteren van de basisvaardigheden zoals taalvaardigheid in het po, vo en mbo. 

Wat is taalvaardigheid? 

De eerdergenoemde klaagzang van Borst richtte zich vooral op spelfouten en interpunctie. Behalve punten, komma’s, d’s en t’s gaat het echter ook om het kunnen lezen, begrijpen, samenvatten en structureren van (complexe) teksten. Ook de mondelinge vaardigheden (spreken, luisteren, gesprek voeren) horen daarbij. Daarnaast zijn er vaardigheden van een ‘hogere orde’, zoals logisch redeneren en het aansluiten bij het taalniveau van toehoorders. Die aspecten – schrijf-, lees- en spreekvaardigheid – zijn allemaal van belang voor een succesvolle studie en loopbaan en vormen samen de inhoud van het begrip ‘taalvaardigheid’. 

Referentiekader  

Om onderlinge overeenstemming over de betekenis van taalvaardigheid te bereiken en niveaus daarin te expliciteren, is dat alles voor scholieren van het primair en voortgezet onderwijs vastgelegd in het Referentiekader Taal en Rekenen. Verschillende sectoren (po, vo en mbo) kunnen daarmee hun curriculum, lesmateriaal en toetsing onderling en aan elkaar laten aansluiten. Havisten en studenten met mbo-4 worden geacht een niveau van 3F te hebben behaald. Dat niveau is dus het instroomniveau voor het hoger beroepsonderwijs. 

Hoewel de eerste evaluatie van het Referentiekader deze zomer aan het licht bracht dat er nog veel te verbeteren viel in het gebruik ervan, bleef de kern overeind: zo’n kader helpt over en weer heldere verwachtingen te scheppen over wat we (docenten, uitgevers, toetsontwerpers) verwachten van de taalvaardigheid van scholieren. 

Figuur 1. Referentieniveaus uitstroom per sector volgens Referentiekader Taal en Rekenen 

Wat zeggen de cijfers? 

Hoe kan het dat studenten met een tekortschietende taalvaardigheid succesvol kunnen zijn in het hoger onderwijs? Met het Nederlands onderwijsstelsel in gedachten, waar een mbo4- of havo-diploma geldt als wettelijke vereiste voor toegang tot het hbo, zou men mogen veronderstellen dat een geslaagde scholier daarmee voldoet aan de eisen rondom taalvaardigheid. Waar komt dan het gemopper op onze studenten vandaan?  

De signalering dat bijna een vijfde van de havisten met een onvoldoende voor Nederlands slaagt, zou een verklaring kunnen zijn: te veel studenten halen niet het benodigde niveau. Op die signalering is echter wat af te dingen. 

Onderzoek van VU-wetenschappers laat zien ten eerste zien dat het centraal schriftelijk eindexamen (waar de Inspectie over rapporteerde) veel minder voorspellend is voor studiesucces dan het schoolexamen. Voor het vak Nederlands is er zelfs sprake van een zwakke relatie tussen de beide cijfers. Het aandeel studenten dat met een onvoldoende voor het schoolexamen slaagt, is veel kleiner (in Leiden schommelt het jaarlijks rond de drie procent). De VU-onderzoekers zoeken een verklaring in het feit dat het cijfer van het schoolexamen wordt samengesteld uit deeltoetsen die veel meer aspecten van taalvaardigheid bevragen (mondelinge taalvaardigheid, schrijfvaardigheid, literatuur, argumenteren). 

Het korte antwoord is: we weten het niet.

Ten tweede blijkt er (op zijn best) een zwak verband te zijn tussen enerzijds het cijfer voor het Nederlands schoolexamen en anderzijds studiesucces in het eerste jaar van het hoger onderwijs. Studenten die bijvoorbeeld op het schoolexamen een 4,5 halen, kunnen soms best in het eerste jaar 60 EC halen en omgekeerd zijn studenten die een 7,5 als examencijfer halen niet verzekerd van een geslaagd eerste jaar. Ook uitvalpercentages laten maar een klein verschil zien, met bovendien een grote spreiding. 

Wat zegt het cijfer Nederlands over het al of niet voldoen aan de normen uit het Referentiekader? Het korte antwoord is: we weten het niet. Het is een vraag die ook de Inspectie zich stelt; ze kondigde in de Staat van het Onderwijs dan ook aan haar activiteiten op dit terrein te gaan intensiveren.   

Heldere verwachtingen instroom 

De ontwikkelingen rond het Masterplan basisvaardigheden van het kabinet, de Staat van het Onderwijs en de evaluatie van het Referentiekader taal en rekenen wekken de indruk dat er vooral wat moet gebeuren bij het po, vo en mbo. Ondertussen raken de tekortkomingen op het gebied van taalvaardigheid natuurlijk al de dagelijkse praktijk van het hbo. Ook onze analyse laat zien dat er een breed gedragen indruk bestaat dat de taligheid van instromende studenten achterblijft. 

Dat heeft deels te maken met de complexiteit van het concept ‘taalvaardigheid’, dat bestaat uit meerdere aspecten die allen op verschillende niveaus beheerst kunnen worden. Ter illustratie: twee Groningse promovendi kwamen in hun proefschrift uit 2014 tot de conclusie dat er geen goed meetinstrument bestaat voor ‘schrijfvaardigheid’. Ze ontwikkelden een eigen instrument en lieten vervolgens zien dat gerichte interventies een meetbaar effect kunnen hebben.  

Taalvaardigheid is dus, vooralsnog, lastig meetbaar. Voor het startniveau bij de instroom kijken we dan ook met belangstelling uit naar de manier waarop de Inspectie het niveau van de taalvaardigheid wil gaan monitoren.  

Heldere verwachtingen uitstroom 

Dat zal overigens slechts het begin mogen zijn. De taalvaardigheid van studenten is niet statisch; de ontwikkeling ervan stopt niet bij de inschrijving in het hoger onderwijs. We zeggen als sector weinig over het eindniveau dat we zélf verwachten. Toch zijn er – getuige het citaat van Borst en de vele initiatieven op het terrein van taalvaardigheidsondersteuning – wel veel verwachtingen. Om die verwachtingen te expliciteren en hen vooral binnen opleidingen (landelijk) meer congruent te maken, heeft de Taalunie onlangs een voorstel gedaan. Zij bracht recentelijk een rapport met het kader ‘Taalcompetent in het hoger onderwijs’ uit. Het kader is uitgewerkt aan de hand van EQF/NLQF niveaus die passend zijn bij het Associate degree-, het bachelor- en het masterniveau. 

We stellen voor meer focus aan te brengen de discussie over de taalvaardigheid van onze studenten. Zo is het naar ons idee wenselijk om te onderzoeken in hoeverre landelijke afstemming (per sector? per LOO?) over het niveau van taalvaardigheid mogelijk is. Wat verstaan we onder die taalvaardigheid, en wat is daarin passend voor de professional waartoe wordt opgeleid? Zo zal het uitgewerkte eindniveau van taalvaardigheid voor een communicatieprofessional wellicht anders zijn dan voor een fysiotherapeut. Een helder uitstroomniveau zal niet alleen de discussie helpen, maar vooral ook helderdere verwachtingen scheppen richting studenten.  

Astrid Augustinus : 

Senior beleidsadviseur Kwaliteitszorg Onderwijs bij de Hogeschool Leiden.

Bram Enning : 

Onderzoeker bij de Hogeschool Leiden en betrokken bij de G5 onderzoeksgroep, een netwerk van Randstadhogescholen dat is gericht op grootschalig onderzoek naar studiesucces.


«
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.
Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan
OK