Wetenschapscommunicatie, niets nieuws onder de zon

Interview | door Michiel Bakker
9 november 2022 | Wie honderd jaar geleden als wetenschapper een lezing gaf voor een breed publiek, kwam wellicht met een koffer vol glazen lantaarnplaatjes naast een knalgaslantaarn in de biljartzaal van een café te staan. Tenminste, zulke ervaringen kende de Nederlandse scheikundige Ernst Cohen (1969-1944). Hij was er vroeg bij om met behulp van een projectielantaarn wetenschapscommunicatie door het hele land te bedrijven, vertelt Frank Kessler, hoogleraar bij de Universiteit Utrecht. Hoe lang dat ook geleden is, de vragen over het doel en de vorm van wetenschapscommunicatie waren dezelfden.
Frank Kessler tijdens de slotconferentie van Projecting Knowledge. Beeld: Sabine Lenk

‘Nederland krijgt nationaal centrum voor wetenschapscommunicatie’, kopte de persdienst van de Rijksoverheid in mei dit jaar. Dat centrum moet het gesprek tussen wetenschappers en de samenleving stimuleren en expertise verzamelen en delen. Hoogleraar Ionica Smeets (Universiteit Leiden) en Alex Verkade (Regieorgaan SIA) zullen de kartrekkers zijn.  

Wetenschapscommunicatie met een projectielantaarn 

Wetenschapscommunicatie is niet nieuw. Toch had hun speelveld heel anders geoogd als Smeets en Verkade iets meer dan honderd jaar geleden met deze opdracht op pad waren gestuurd. Niet alleen was de wetenschappelijke kennis destijds minder ver ontwikkeld, ook hulpmiddelen die men bij wetenschapscommunicatie gebruikte waren van een ander kaliber, laat het onderzoeksproject Projecting Knowledge van de Universiteit Utrecht en NWO zien.  

In dat project wordt onderzocht hoe wetenschappers tussen 1880 en 1940 gebruikmaakten van de projectielantaarn in het onderwijs en bij publiekslezingen, vertelt Frank Kessler, hoogleraar Film- en Televisiegeschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Op basis van het onderzoek schreef hij een artikel over de publieke lantaarnlezingen van de Utrechtse scheikundige Ernst Cohen. Hoe nieuw het gebruik van de lichtlantaarn bij wetenschapscommunicatie ook was, de vragen daaromheen leven nog altijd: hoe moet je het doen, voor wie doe je het en welke didactische hulpmiddelen kies je daarbij? 

Op pad met beschilderde glasplaatjes 

De uitvinding van de projectielantaarn (meer daarover in dit filmpje) wordt door sommigen toegeschreven aan de Nederlandse wetenschapper Christiaan Huygens. Het gebruik van een projectielantaarn gaat tenminste terug tot de zeventiende eeuw, toen beschilderde glasplaatjes werden gebruikt. Later werden die vervangen door geprinte fotografische afbeeldingen. Toen de Kodak 35mm-dia’s na WOII op de markt kwamen, vervingen die de glasplaatjes. 

Voor wetenschappers werd het gebruik van de projectielantaarn in de tweede helft van de negentiende eeuw onder andere interessant omdat een microscopische opname groot geprojecteerd kon worden. Zo hoefden studenten of het publiek bij een lezing niet één voor één door een microscoop te kijken, maar kon iedereen gelijktijdig hetzelfde zien terwijl de spreker uitlegde wat men precies zag.  

Hoe vroeg wetenschappers naar de projectielantaarn grepen, verschilde per discipline, vertelt Kessler. Zo hoorden kunsthistorici bij de vroege gebruikers. “De afbeeldingen waren dan wel zwart-wit, maar het was voor het onderwijs veel makkelijker dan het laten rondgaan van een reproductie. Daarnaast gaf het de mogelijkheid om twee kunstwerken op één lantaarnplaatje af te drukken en zo overeenkomsten en verschillen te laten zien. In veel disciplines was de projectielantaarn bijzonder nuttig om studenten te leren goed te kijken.” 

Wetenschapscommunicatie tot nut van ‘t algemeen 

Niet alleen colleges, ook publiekslezingen werden verrijkt met de projectielantaarn. Zo gaf Ernst Cohen (1869-1944), hoogleraar Scheikunde te Utrecht, door het hele land lezingen met behulp van geprojecteerde afbeeldingen. Cohen was misschien geen echte pionier, hij was er nochtans vroeg bij om de projectielantaarn te gebruiken bij zijn manier van wetenschapscommunicatie, vertelt Kessler. Dat Cohen al op jonge leeftijd een toegewijd hobby-fotograaf was, zal daarbij hebben geholpen. 

Kessler stuitte bij toeval op de casus van Ernst Cohen. “In 2011 werd ik, als nieuwe onderzoeksdirecteur bij de Faculteit der Letteren van de UU, gevraagd voor een adviesraad rond de uitgave van de memoires van Ernst Cohen. In diens familie was een manuscript van zijn memoires opgedoken, en een kleinzoon wilde die graag in een becommentarieerde uitgave laten verschijnen. Toen we met Projecting Knowledge begonnen, dacht ik terug aan Cohen, die een mooie onderzoekscasus bleek te zijn.” 

De projectielantaarnlezingen van Cohen (de eerste hield hij al in 1896) hadden verschillende onderwerpen. Vanuit het oogpunt van wetenschapscommunicatie zijn vooral de lezingen over zijn eigen vakgebied (‘Over osmotischen druk enz.’ of ‘Over de metastabiliteit der stof’) en zijn lezingen over wetenschapsgeschiedenis interessant.  

Zulke lezingen hield hij maar gedurende een korte tijd voor een breder publiek (bijvoorbeeld de Volksuniversiteit of de Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen). Leken kwamen vooral om “eenen blik te werpen in de geestelijke werkplaats van den onderzoeker” en hadden weinig aan specialistische feitenkennis, vond Cohen. Liever richtte hij zich op een publiek van vakkundig of wetenschappelijk geïnteresseerden zoals natuurkundige genootschappen of beroepsverenigingen. De wetenschapscommunicatie van Cohen draaide dus, waar dat zijn scheikundige expertise betrof, vooral rond kennisvalorisatie ten bate van de beroepspraktijk.  

James Gilray, ‘Scientific researches! – New discoveries in pneumaticks! – or – an Experimental lecture on the powers of air. –‘. (The Trustees of the British Museum)

Vanuit persoonlijke interesse hield hij zich ook veel bezig met wetenschapsgeschiedenis. Gaf hij een lezing over bijvoorbeeld de geschiedenis van het lachgas, dan deed hij dat vaak aan de hand van een geprojecteerde karikatuur. “Via zo’n karikatuur kon hij laten zien welk beeld men in een bepaalde tijd van de wetenschap had en hoe een wetenschappelijk experiment vandaaruit werd waargenomen. Bij zijn lezingen over het lachgas ging hij bijvoorbeeld zeer gedetailleerd in op hetgeen in die karikatuur (hierboven te zien) getoond werd, zowel op de betekenis van het lachgas als op de houding van het publiek destijds”, vertelt Kessler. 

In Delft was men er vroeg bij 

De mate waarin wetenschappers gebruikmaakten van de nieuwe mogelijkheden van de projectielantaarn verschilde sterk per discipline, ontdekte Kessler. Zo bleek bij het doorzoeken van oude jaarverslagen van hogescholen en universiteiten dat niet alleen het kunstonderwijs heel vroeg was met het aanschaffen van projectielantaarns en lichtbeelden; ook de Technische Hoogeschool van Delft (nu de TU Delft) had destijds al een heel grote collectie lichtbeelden.  

Dat is geen toeval, denkt Kessler. “In Delft gaf men meer praktijkgericht onderwijs, dus daar zat men veel minder dan de universiteiten gevangen in een traditionele habitus. De andere universiteiten zijn ook lichtbeelden gaan gebruiken, hoor, maar hun perspectief was van een ander type.” 

Expedities in beeld 

Ook geografen en geologen maakten dankbaar gebruik van de mogelijkheden die lantaarnplaatjes boden. “De negentiende eeuw was een periode van veel geografisch en geologisch onderzoek; de industrie wilde weten welke metalen en grondstoffen waar gevonden konden worden”, vertelt Kessler. “De wetenschap heeft daarin sterk geprofiteerd van het kolonialisme en tegelijkertijd bijgedragen aan de uitbuitingen tijdens het kolonialisme, onder meer door aan te wijzen welke grondstof waar geëxtraheerd kon worden.” 

Lichtbeelden van wetenschappelijke geologische expedities werden deels intern gebruikt, maar ook benut tijdens lezingen voor een breder publiek. De NOS-journalist die enige tijd geleden verslag deed van een klimaatexpeditie naar Spitsbergen had dus vroege voorgangers. Hun verslaglegging vond dan wel pas na terugkeer plaats, maar de lichtbeelden maakten veel indruk. “Wij hebben de haven van Marseille gezien, de puinen van Pompeï, natuurgezichten van Zwitserland, de bevaarbare straten van Venetië”, zo schreef het Vlaams-Liberaal dagblad Vaderland in 1910 na een lezing met projectielantaarn van politicus Arthur Buysse over zijn (overigens niet wetenschappelijke) reis naar Constantinopel.  

Projectielantaarnlezingen over belangrijke of spectaculaire expedities legden de spreker overigens geen windeieren, weet Kessler. “Amundsen, bijvoorbeeld, de eerste mens die de zuidpool bereikte, had een heel hoog tarief. Als je Amundsen wilde, moest je dokken.” 

Kritiek op medium voor onderwijs en wetenschapscommunicatie 

Cohen begon al vroeg met het gebruik van de projectielantaarn in het onderwijs en bij lezingen, een praktijk die steeds populairder werd. Niettemin kwam er ook kritiek op het gebruik van lichtbeelden, vertelt Kessler. Zo leverde het snel moeilijkheden op in schoolklassen. Om lichtbeelden te kunnen gebruiken moest de ruimte verduisterd worden, en een verduisterd klaslokaal is een goed recept voor wanorde.  Daarnaast zou een les of een inhoudelijke lezing aan de hand van lichtbeelden te veel gericht zijn op vermaak. “Mensen met die opvatting vonden dat studenten vooral goed moesten luisteren en notities moesten maken; men hoefde hen niet te amuseren met plaatjes.” 

Bij inschrijving ga je akkoord met onze privacy-voorwaarden. Deze voorwaarden zijn hier te lezen.

De nieuwsbrief is exclusief toegankelijk voor medewerkers van onze partners.

Er was ook kritiek die de lichtbeelden als didactisch hulpmiddel betrof. Zo kan een geprojecteerd lichtplaatje alleen een (tenminste grotendeels) statisch beeld geven. “Gaat het daarbij om een technische tekening, dan zien studenten alleen het eindresultaat. Om te leren hoe zo’n tekening in elkaar zit, is het echter juist nuttig om te zien hoe en docent die tekening stap voor stap maakt,” licht Kessler de kritiek toe. “Soms is het dus zinvoller om andere didactische middelen in te zetten.” 

Het medium bepaalt de kaders van de boodschap 

Sowieso geldt dat de lichtlantaarn, zoals elk medium, het speelveld bepaalt waarop een spreker zich kan bewegen. “Een betoog wordt anders wanneer daarbij beelden worden getoond”, legt Kessler uit. “Het betoog geeft dan bijvoorbeeld toelichting op die beelden, gebruikt ze als illustratie of bouwt ernaartoe. Daarnaast trekt het beeld de blik van het publiek. De spreker is dus niet meer het primaire punt van aandacht, maar krijgt veeleer een tussenrol, waarop de presentatievorm weer moet worden aangepast. Dat verandert de configuratie.” 

Ook de omgeving waarin een lezing met lichtlantaarn werd gehouden maakte verschil. Cohen wist daar alles van. Sprak hij de ene keer in een zaal die van alle technische gemakken was voorzien, de andere keer ging hij in de biljartzaal van een café de vocale strijd aan met een knalgaslantaarn. 

Wat nieuw lijkt, heeft een lange geschiedenis 

Zelf heeft Kessler ook ervaren hoe veranderende technieken zijn presentaties beïnvloedden. Zo maakte hij tijdens zijn colleges over filmgeschiedenis eerst gebruik van VHS-banden, waarbij een scène al precies op de band kon worden klaargezet – iets wat lastiger werd toen de DVD kwam.  

“Daarbij moest je eerst alle copyrights en FBI warnings langs”, lacht Kessler. “Ik ging daardoor instinctief minder met voorbeelden werken, of ik gebruikte maar één film als voorbeeld. Nu we met PowerPoint werken, is het juist veel makkelijker om filmpjes, afbeelding of citaten te laten zien.” Veranderingen van media of techniek beïnvloeden niet alleen de manier waarop een spreker presenteert, ze beïnvloeden tevens de accenten die in de presentatie worden gelegd. 

Vragen rond het doel van wetenschapscommunicatie, het beoogde publiek, de rol van beeld daarin, de rol van beeld in het algemeen – ze zijn niet nieuw. “Het is belangrijk om te beseffen dat bepaalde dingen niet nu pas opspelen of nu worden uitgevonden maar juist een lange geschiedenis hebben”, zegt Kessler.  

En zelfs dat inzicht is niet nieuw, als men de Prediker mag geloven.