‘SPRONG-subsidie kan praktijkgericht onderzoek effectiever en professioneler maken’

Interview | door Michiel Bakker
29 augustus 2023 | Wat kan er nog verbeteren aan een praktijkgerichte onderzoeksgroep die veel subsidies binnenhaalt, goed onderzoek aflevert, een groot netwerk heeft en veel studenten begeleidt? Vooral organisatorische en strategische zaken, vertelt Vincent Voet, lector bij NHL Stenden. Hij is deel van het consortium dat een SPRONG-subsidie van Regieorgaan SIA kreeg. “Nu kunnen we werken met een subsidieagenda en een strategische planning.”
Vincent Voet, lector Circular Plastics bij NHL Stenden.

Voet werkt als lector bij het lectoraat Circular Plastics van NHL Stenden, dat deel uitmaakt van een onderzoeksgroep waaraan Regieorgaan SIA een jaar geleden een SPRONG-subsidie toekende. Het lectoraat telt zo’n twintig medewerkers en doet onderzoek naar de materialen voor een toekomstbestendige kunststofeconomie, vertelt de lector. Zo onderzoeken ze hoe bestaande of nieuwe kunststoffen kunnen worden gereedgemaakt voor de circulaire transitie en beter herbruikbaar of herstelbaar kunnen worden gemaakt. 

Naast het onderzoek naar recycling en biopolymeren kent het lectoraat een derde onderzoekslijn: circulair ontwerp. “Dat is misschien wel de belangrijkste”, aldus Voet. Hierin wordt onderzocht hoe producten zo ontworpen kunnen worden dat ze aan het eind van hun levensduur goed afbreekbaar, recyclebaar of demontabel zijn. 

“We zijn dus vrij multidisciplinair”, vertelt de lector. “We hebben chemici en engineers, maar ook ontwerptechnici in ons team. Samen met studenten en bedrijven uit veelal de regio werken we samen aan de ontwikkeling van nieuwe materialen en producten.” In Emmen zit één van de twee grote chemieparken in Noord-Nederland. De werkveldpartners zitten dus in de buurt. 

Via SPRONG-subsidie naar vaandeldragerschap

Een SPRONG-subsidie wordt niet zomaar toegekend. Het instrument dient primair om reeds goede onderzoeksgroepen nog sterker te maken. De groep waarvan het lectoraat Circular Plastics deel uitmaakt presteerde dus al goed. “Wij zijn al heel sterk verbonden in het regionale netwerk van bedrijven en instellingen”, geeft Voet als verklaring. “We hebben dus al veel partners. Daarnaast halen we veel subsidies binnen, hebben we veel studenten aan ons verbonden en leveren we kwalitatief hoogstaand onderzoek af. Daarmee maak je impact.” 

De groei waartoe de SPRONG-subsidie moet dienen, is in wezen de stap van een betrokkene naar een vaandeldrager, omschrijft Voet. Dit correspondeert met de overgang van fase 3 naar fase 4, in termen van Regieorgaan SIA. “Een onderzoeksgroep in fase 4 moet initiatief nemen, toonaangevend zijn en een voorbeeld geven aan het netwerk eromheen.” Dat betekent iets heel anders dan uitlopen voor de troepen en af en toe achterom roepen wat de juiste richting is. 

Bij inschrijving ga je akkoord met onze privacy-voorwaarden. Deze voorwaarden zijn hier te lezen.

De nieuwsbrief is exclusief toegankelijk voor medewerkers van onze partners.

In hun relatie met bedrijven vraagt deze nieuw rol de nodige afstemming, vertelt Voet. “Daarin moet je balans vinden. In het verleden werkten we heel veel vraaggestuurd. Nu hebben we gezegd: we willen ook een duidelijk eigen profiel en een duidelijke meerwaarde hebben. Wat we doen, is immers vrij breed voor veel bedrijven: van bioplastics tot ontwerp.” 

Toonaangevend zijn betekent dan niet alleen zelf iets initiëren, maar ook gevonden worden door iedereen in Nederland die een vraag heeft over circulaire kunststoffen, legt Voet uit. “We hebben met recycling, biopolymeren en circulair ontwerp wel drie speerpunten gekozen, maar we willen breed aanspreekbaar blijven. In alleen de ontwikkeling van nieuwe biopolymeren zit niet de oplossing, geloven wij. Als je daarmee bezig bent, moet je ook iets weten van circulair ontwerp of de hernieuwbare grondstoffen uit de regio.” 

Vooral organisatorische en strategische versterking

Als een onderzoeksgroep reeds veel subsidies binnenhaalt, goed onderzoek aflevert, een groot netwerk heeft en veel studenten begeleidt, wat kan dan nog worden verbeterd? Voor de groep waarvan Voet deel uitmaakt, gaat het dan vooral om organisatorische en strategische zaken. “Regieorgaan SIA heeft een aantal mogelijke ontwikkelaspecten genoemd: profilering, netwerk, professionaliteit, kwaliteit, impact en doorwerking. In werkgroepen kijken wij wat we daarin kunnen verbeteren.”

Zo wordt nu met de Hanzehogeschool en de Rijksuniversiteit Groningen, allen deel van het SPRONG-consortium, gekeken hoe de groepen met gesloten beurs elkaars faciliteiten en apparaten kunnen gebruiken. “Dat heeft ook tot gevolg dat we steeds vaker samen projecten aangaan. Samen hebben we immers meer te bieden dan alleen.”

Daarnaast heeft het lectoraat van Voet een zogeheten impulsteam kunnen instellen. “Door de SPRONG-subsidie konden we drie nieuwe functies creëren: een onderzoekscoördinator, die bijvoorbeeld het mogelijke gebruik van andere faciliteiten verkent; een projectcoördinator, die meer aan de administratieve kant zit; en een projectontwikkelaar, die kijkt naar nieuwe subsidiemogelijkheden.” 

Deze versterking hoort echt bij SPRONG-subsidie

Door die versterking heeft het lectoraat een nieuw symposium kunnen organiseren, dat niet alleen in het teken van kennisdeling stond maar ook diende om vragen vanuit het vakgebied te verzamelen. Op basis daarvan zijn weer nieuwe trajecten ontwikkeld, vertelt Voet.

“Dat hoort echt bij de SPRONG-subsidie. Normaal krijg je geld voor onderzoek; nu krijg je geld om nieuwe dingen op te starten en een sterkere groep te worden. Dat betekent ook dat je de kans krijgt om voldoende financiering voor je onderzoeksgroep te vinden.” Zo had hij een jaar geleden minder kans om strategische onderzoeksvoorstellen te schrijven. 

“Voorheen keek je welke calls op dat moment open stonden en boog je het voorstel richting zo’n call. Nu hebben we hulp van iemand die ons niet alleen helpt met schrijven, maar ons erop attendeert als een bepaalde call opengaat of weet dat een bepaald voorstel beter over een paar maanden kan worden ingediend omdat er dan een passendere call zal openen. We kunnen nu dus werken met een subsidieagenda en een strategische planning. Dat is veel effectiever en daarmee – in mijn ogen – professioneler; het biedt je de kans om vooruit te kijken, verder dan de dag van vandaag.” 

Beter zichtbaar maken van impact

Nu het eerste jaar van de vierjarige SPRONG-subsidie achter de rug is, zullen de ingezette versterkingen in de komende drie jaar worden bestendigd. “Wat we nu in gang hebben gezet, is nog niet af. Het is belangrijk om iedereen goed in te werken en onszelf niet voorbij te lopen”, zegt Voet. 

Niettemin wil hij de komende jaren proberen de impact van het lectoraat beter in kaart te brengen. “Heel veel van wat we doen, heeft op één of andere manier impact, maar hoe kwantificeer je dat? Het monitoren van aantallen studenten, producten en publicaties is belangrijk, maar heel plat.” In plaats daarvan kijkt het lectoraat ook hoe de invloed van projecten kan worden vastgelegd middels storytelling. “Daarmee kijk je niet alleen naar het begin en het eind, maar beschrijf je de reis die je samen maakt. In elke tussentijdse bijeenkomst met partners maak je immers impact.”

Doorlopende leerlijn in tweede termijn Sprong-subsidie?

Een goede doorlopende leerlijn, geïnspireerd door de waaiergedachte van demissionair minister Dijkgraaf, is ook iets waaraan Voet graag meer gestalte zou geven. “Voorheen dachten we dan vooral aan het inrichten van een mbo-opleiding Circular Plastics, een Associate degree, een hbo-bachelor en een master-programma. Daarbij is echter de eerste vraag of studenten daadwerkelijk doorstromen en de tweede vraag of die doorstroom altijd wenselijk is. Als een mbo’er eigenlijk aan het werk wil, kan die beter dat doen en moeten wij geen ‘hoger is beter’-credo prediken. Mbo-, hbo- en wo-studenten hebben gewoon een andere focus.”

Voorbeelden heeft hij dicht bij huis. “Vorig jaar hebben we met onze hbo-studenten gekeken hoe we de materialencyclus van de Adventure Zoo Emmen sluitend konden krijgen. Daarbij hadden we eigenlijk ook mbo- en wo-studenten nodig”, vertelt Voet.

“Uiteindelijk zou ik naar onderwijs willen waarin mbo-, hbo- en wo-studenten gedeeltelijk bij elkaar in de klas zitten en van elkaar leren: praktisch én theoretisch. Zoiets is echt een uitdaging, maar ik geloof erin. Als onze SPRONG-subsidie wordt verlengd, is dat misschien iets voor de tweede vier jaar.” 


«
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.
Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan
OK