Vrijheid van wetenschap – drie steentjes in een rustige KNAW-vijver

Opinie | door Carel Stolker
23 mei 2018 | Als rector magnificus mengt hij zich actief in het debat rondom de vrije wetenschapsbeoefening. Zijn lezing op de 443ste dies in Leiden “Waarom ik hoogleraren niet tot de orde roep” leverde zowel binnen als buiten de eigen universiteit discussie op. Carel Stolker vindt het KNAW-briefadvies 'Vrijheid van wetenschapsbeoefening in Nederland' op dit thema te voorzichtig en nodigt de academische gemeenschap uit om nu door te pakken.
(foto: Adina Voicu)

Er is voor universiteiten geen belangrijker onderwerp dan de vrijheid van wetenschapsbeoefening. De geschiedenis van de wetenschap leert ons dat wel.

Galileo moest zijn stellingen afzweren voor de inquisitie. Giordano Bruno werd in 1600 verbrand voor het hooghouden van het heliocentrisch wereldbeeld. Immanuel Kant kreeg een schrijfverbod over religie opgelegd. Ernst Renan werd zijn leerstoel aan het Collège de France ontnomen vanwege zijn boek over Jezus. Hegel informeert in zijn correspondentie onder vrienden waar hij zijn boeken het best zou kunnen uitgeven om de censuur te ontlopen. In ons land publiceerde Spinoza in het Latijn, en toen men voorstelde een van zijn boeken in de landstaal uit gegeven wees hij dat af wetend dat het hem veel problemen zou opleveren (Bury’s, 1913).

Vrijheid van wetenschapsbeoefening. Het onderwerp is dus al oud. De Verlichting heeft het vooruitgangsgeloof en de functie van wetenschap daarin enorm gestimuleerd. Sinds het begin van de negentiende eeuw is in Europa de wetenschapsbeoefening structureel verbonden geraakt met de wereldwijde machtsontplooiing van Europa, met kapitalisme en imperialisme.

Zij werd een instrument van overheden en grote ondernemingen om de kennis van de wereld te vergroten en vervolgens in dienst te stellen van politieke macht. Pas rond dat tijdstip begint Europa werkelijk een voorsprong op te bouwen op de rest van de wereld. Vanaf 1950, zijn we getuige van het vervolg: de wereld heeft het westerse model overgenomen en een eind gemaakt aan de Europese dominantie. Die functie van wetenschap is dus inderdaad oud.

Diversiteit van opvattingen is voor mij als rector van een brede en diverse universiteit en voor de decaan van bijvoorbeeld de rechtenfaculteit niet vanzelfsprekend.

Onze eigen KNAW dankt haar ontstaan aan deze functie van de wetenschap. Haar voorloper is het Koninklijk Instituut, een creatie van Lodewijk Napoleon. En als een echo ervan behoort tot de huidige missie van de KNAW ‘bij te dragen aan de ontwikkeling van onze samenleving’.

We mogen daarom Kamerlid Pieter Duisenberg en de Tweede Kamer dankbaar zijn voor de motie (hierna: motie-Duisenberg) en voor het aannemen daarvan, en voorts de KNAW voor het briefadvies in reactie daarop.

Waar hebben we het eigenlijk over?

De motie gaat blijkens haar tekst over “homogeniteit, zelfcensuur en gebrek aan diversiteit in de wetenschap”. Het KNAW-advies gaat over het veel bredere ‘vrijheid van wetenschapsbeoefening’. En in het spraakgebruik aan en over universiteiten hebben we het weer vaak over ‘academische vrijheid’.

‘Academische vrijheid’ (en dus ook de beperking daarvan) is een breed begrip, en over de afgrenzing met ‘vrijheid van wetenschap’ is nog veel te zeggen en te doen. Joris Groen, een wetgevingsjurist, spreekt in zijn proefschrift uit 2017, en eerder al in een preadvies uit 2015, van academische vrijheid als een overkoepelende rechtsnorm die bestaat uit een waaier van verschillende rechten verbonden aan de uitoefening van academische taken (Groen, 2017). En die ‘waaier’, meer een beschrijving dan een definitie, is van een indrukwekkende omvang.

Daarnaast heeft academische vrijheid in zijn visie betekenis als ordenend beginsel in verschillende rechten, die geen aanspraken aan individuele academici impliceren. Dan lijken we in het bredere domein van de vrijheid van wetenschap te belanden. De vrijheid van wetenschap is niet alleen een ondergrens voor het handelen van de overheid, maar dient het gehele beleid te doortrekken, aldus Groen (Groen, 2017, p. 265).

Een paper van de League of European Research Universities (LERU) uit 2010 stelt ‘academische vrijheid’ centraal, met als uitgangspunt 'Academic freedom is not only seen as a goal in itself. It is important especially since it makes it possible for universities to serve the common good of society through searching for and disseminating knowledge and understanding, and through fostering independent thinking and expression in academic staff and students.' LERU, Academic Freedom as a Fundamental Right, October 2010 : “… that academic freedom is of paramount importance for current and future research as well as for teaching at universities, in Europe and worldwide.”

In België nam in 2006 de rechter het op voor de universiteit als een “bevoorrechte plaats van de academische vrijheid, die het beginsel inhoudt volgens hetwelk de lesgevers en de onderzoekers, in het belang zelf van de ontwikkeling van de kennis en van de verscheidenheid van de meningen, een zeer grote vrijheid moeten genieten om onderzoek te verrichten en om in de uitoefening van hun functies hun mening te uiten,” (Grondwettelijk Hof nr. 157/2009, 13 oktober 2009, overweging B.7.1).

Sinds 2016 dwingt het Standaard Evaluatie Protocol (SEP) 'The assessment committee considers the diversity of the research unit. It is precisely the presence of mutual differences that can act as a powerful incentive for creativity and talent development in a diverse research unit. Diversity is not an end in itself in that regard, but a tool for bringing together different perspectives and opinions.' Standaard Evaluatie Protocol (SEP 2015-2021) voor het onderzoek universiteiten om het belang van die verscheidenheid – ‘diversiteit’ – in de zelfevaluaties te bespreken.

Het onderwerp is dus breed, een waaier misschien, en het is dus van belang te focussen Ik wil dat doen door te focussen op de tekst van de motie gaat als gezegd over homogeniteit, zelfcensuur en gebrek aan diversiteit in de wetenschap. Wie het advies leest, en de wijze waarop de KNAW het presenteert, kan op die punten 'De beginselen van behoorlijke wetenschapsbeoefening ‒ bestaande uit juridische kaders, gedragscodes en institutionele mechanismen ‒ vormen tezamen een goede basis voor het waarborgen van de vrijheid van wetenschapsbeoefening in Nederland. Er zijn geen signalen dat er structureel sprake is van een beperking van deze vrijheid. Het regelmatig evalueren en actualiseren van de regelingen en codes blijft vanzelfsprekend van groot belang net als de voortdurende aandacht voor de correcte manier van het verrichten van onderzoek in de opleidingen voor onderzoekers en studenten.' KNAW-briefadvies 'Vrijheid van wetenschapsbeoefening in Nederland' pagina 1 gerustgesteld zijn.

Als er op het punt van vrijheid van wetenschapsbeoefening al iets schuurt, dan is het, aldus het advies vooral de valorisatieopdracht van onderzoekers. Zo kan de steeds grotere nadruk op maatschappelijk relevant onderzoek de academische vrijheid beperken. De KNAW wijst met name op het belang van de juridische kaders, gedragscodes en institutionele mechanismen.

Die zijn inderdaad belangrijk, en ook de nieuwe Code Wetenschappelijke Integriteit zoals die na de zomer zal gaan gelden, maakt daar deel van uit. De wijze waarop die code tot stand is gekomen, met input van velen en met bovendien een landelijke consultatie waaraan iedereen kon meedoen, laat zien hoe het moet. Een open proces, en een voorbeeld van ruimte geven aan diversiteit van opvattingen.

Maar het mogelijke probleem van gebrek aan diversiteit vraagt dagelijkse bestuurlijke aandacht en moed.

De motie-Duisenberg en de nervositeit eromheen

Eerst even terug naar de motie en de publiciteit daar omheen. De Tweede Kamer was van oordeel “dat er altijd plek moet zijn voor het vrije woord in de wetenschap, gedreven door nieuwsgierigheid en waarheidsvinding”. En de tweede gedachte onder de motie was “dat de vrije wetenschap nooit gehinderd mag worden door verschillen in morele of politieke meningen”. Dit lijkt vanzelfsprekend.

Opwinding ontstond toen de indruk werd gewekt dat we van onze universitaire collega’s de politieke kleur in kaart zouden moeten brengen, om dan vervolgens op last van de overheid correcties te gaan aanbrengen. En ook al was dat niet de bedoeling van opsteller Pieter Duisenberg, de toon was gezet. Daarbij speelde ook een rol dat Duisenberg korte tijd later voorzitter zou worden van de koepel van de Nederlandse universiteiten (VSNU). De gedachte dat er linkse en rechtse wetenschap zou zijn, draagt niet bij aan het vertrouwen dat de samenleving in de wetenschap mag hebben. En zo ging de motie langzamerhand tot de nodige nervositeit leiden.

In een interview met ScienceGuide vond KNAW-President José van Dijck het debat daarom “een moeras”; maar ze zei ook: “Die motie is helemaal niet gek, daar kunnen we wel wat mee.”

Geprezen het land dat een koninklijke academie van wetenschappen heeft!

Wetenschap is vaak normatiever dan we denken

Nu zullen sommigen, met name uit de natuurwetenschappen, misschien verbaasd zijn dat politieke voorkeuren of politieke achtergrond überhaupt een rol kunnen spelen in wetenschappelijk onderzoek. Het briefadvies van de KNAW spreekt immers van waarheidsvinding als de centrale opdracht van de wetenschap. En hoe kan wetenschap dan ‘politiek’ worden?

Dat dat niettemin mogelijk is, heeft het WODC ervaren. De affaire Onlangs bleek dat de leiding van het ministerie van Justitie en Veiligheid invloed leek uit te oefenen op de vraagstelling en resultaten van het onderzoek van dat gerenommeerde instituut. herinnert ons eraan dat een deel van het wetenschappelijk onderzoek in ons land plaatsvindt binnen een departementale organisatie. En het ministerie van Defensie heeft in het Nederlands Instituut voor Militaire Historie een vergelijkbare instelling. De vrijheid van onderzoek heeft daar bijzondere waarborgen nodig, omdat de minister direct aan de geldkraan van deze instituten zit. Het leidde zelfs tot een kort geding (‘De zaak Jagtenberg’, 2000).

Maar de kwestie is breder. Een aantal wetenschappelijke disciplines zit door zijn aard dicht op de politiek. Neem mijn eigen discipline, de rechtswetenschap.

Dit alles maakt dat wetenschap en politiek soms irritant dicht in elkaars buurt komen.

Want behalve een beschrijvende wetenschap is dat ook een prescriptieve wetenschap, met een nogal normatieve inslag. Enerzijds is er niet één waarheid omtrent het Nederlandse of Europese of internationale burgerlijk recht, strafrecht of fiscale recht. En anderzijds is het recht in een samenleving – het onderwerp waar juristen aan de academie zich mee bezig houden –uiteindelijk een balans tussen rechtszekerheid, doelmatigheid en rechtvaardigheid. En toch worden van rechtswetenschappers antwoorden verwacht die over voldoende argumentatieve draagkracht moeten beschikken: de objectivering van standpunten voorbij alle politieke en maatschappelijke conflicten is een onderdeel van de rechtswetenschappelijke arbeid (Stolker, 2003).

En niet alleen zij bevinden zich in een deels normatieve wetenschap, ook politicologen doen dat. Zo is er ook niet één ‘waarheid’ als het gaat om de politieke inrichting van een samenleving – kijk alleen maar naar de zeer uiteenlopende politieke inrichtingen van de landen in Europa.

Een deel van de wetenschappen houdt zich dus bezig met het zoeken naar ‘beter’: zoals beter recht, of een betere politieke vormgeving van een samenleving, of een veiliger samenleving. En omdat het gaat om wetenschappelijk onderzoek op basis waarvan politieke en juridische besluitvorming plaatsvindt, komt het onderzoek in deze wetenschappelijke disciplines gemakkelijk dicht op de politiek te zitten. Politiek én in de zin van het wetgevende proces én als het product van wetgeving (Bell, 1983)

Ook voor historici heeft het begrip ‘waarheid’ een andere betekenis dan dat in de natuurwetenschappen. Historici weten dat geschiedenis drie keer gebeurt. De eerste keer als de loop van de gebeurtenissen in het heden. Daar maken we zelf deel vanuit, zonder dat we goed begrijpen wat er gaande is en wat onze rol daarin is. De tweede keer is als de historicus het verleden reconstrueert, analyseert en verklaart. Dan ontstaat enige mate van orde, een coherent verhaal, maar dat verhaal is onvolkomen; het wordt sterk gestuurd door de gestelde, ‘standplaatsgebonden’ vragen, en het berust op vaak (nog) onvolkomen bronnen. En de derde keer is als de lezer, met de eigen standplaatsgebondenheid, kennis neemt van de opbrengsten van het historisch onderzoek. Dat is de achtergrond van het veel geciteerde adagium van de befaamde Nederlandse geschiedswetenschapper Pieter Geyl van geschiedenis als discussie zonder eind. Dat is wel wat ingewikkelder dan het vinden van ‘de waarheid’.

Anderen zullen weer wijzen op heel nieuwe studies en studierichtingen als Europese studies, cultural studies, critical race theory. Daar wordt wel de opvatting gehoord dat de wetenschap in dienst  staat van maatschappelijke verandering: wetenschap is geen goed, geen waarde in zichzelf, maar een instrument, een instrument voor maatschappelijk-politieke verandering (Cliteur, 2018).

Dit alles maakt dat die geruststellende, vooral op de natuurwetenschappen gebaseerde, ‘waarheidsvinding’ complexer is dan het KNAW-advies suggereert. En het maakt ook dat wetenschap en politiek, inclusief politieke voorkeuren van wetenschappers, soms irritant dicht in elkaars buurt komen. De oplossing is transparantie: laat in je politieke werk en in je wetenschappelijke werk steeds zien of, en zo ja waar, wetenschap en politiek elkaar raken of zelfs overlappen. Dat raakt overigens aan de oproep van de KNAW om alert te zijn op de institutionele mechanismes, regels en gedragscodes.

In het licht van homogeniteit, zelfcensuur en gebrek aan diversiteit in de wetenschap heb ik drie zorgen, drie steentjes in die betrekkelijk rustige vijver van de KNAW dus.

  1. Diversiteit van opvattingen, onderwerpen en perspectieven

Links of rechts? „Ik denk dat het allemaal niet zo relevant is”, zei commissievoorzitter Nico Schrijver toen zijn advies af was in een interview in de NRC. “Je vindt beide stromingen. De faculteit politicologie heeft veel linkse wetenschappers. Maar bedrijfseconomie heeft waarschijnlijk weinig GroenLinks-stemmers. We hoeven het niet te weten en het zou er niet toe moeten doen als iedereen zich netjes aan de wetenschappelijke standaarden houdt.”

Dat nu lijkt me te gemakkelijk: tel de linkse politicologen op bij de rechtse bedrijfswetenschappers, en alles komt goed. Is dat wat Nico Schrijver zegt? Als het waar is dat onderzoekers binnen bepaalde wetenschappelijke disciplines een duidelijke politieke of misschien zelfs partijpolitieke dominantie kennen, dan is waakzaamheid geboden.

En waarom? Omdat politieke voorkeuren of politiek-culturele achtergronden in sommige wetenschappelijke disciplines een rol kunnen spelen. Binnen eenzelfde onderzoeksgroep is dat misschien nog niet zo erg, maar het kan zorgelijk worden als een hele discipline wordt gekenmerkt door een monocultuur. Hier ligt een opdracht voor universiteitsbestuurders, in het bijzonder voor rectoren en decanen: academische vrijheid moet immers in belangrijke mate worden waargemaakt aan de universiteit, in de omgeving waarin de academicus dagelijks functioneert, zo concludeert ook Groen in zijn proefschrift (Groen, diss. 2017, p. 247).

Een ander voorbeeld is Afshin Ellian zelf. Al zo’n 15 jaar persoonsbeveiliging, en zijn groep zit achter een gesloten deur met kogelvrij glas.

Het KNAW-advies Ze beveelt universiteiten aan: 'Stimuleer een open organisatieklimaat, een cultuur waarin verschillen worden gewaardeerd en waarin niet te angstig wordt gereageerd op onderzoek en mogelijke uitkomsten daarvan, inclusief keuze van onderzoekthema’s die politiek of maatschappelijk niet onmiddellijk hoog aanzien genieten.' ziet dat ook wel. Maar, wat zijn onderwerpen van ‘hoog aanzien’? Is dat ter onderscheid van onderwerpen met ‘laag aanzien’? Dit lijkt een veelzeggend zinnetje in het advies.

Wie de vraag over diversiteit aan onderwerpenkeuze stelt aan iemand als Paul Cliteur uit mijn eigen universiteit, zal te horen krijgen dat diversiteit van opvattingen en daarmee van onderwerpenkeuze aan de academie een probleem is (voor een eerste analyse Groen, 2017). Zo maakt hij zich zorgen dat politiek-maatschappelijk niet-mainstream onderwerpen nauwelijks financiering Ze komen, in zijn opvatting, eenvoudigweg niet door de mainstream peer review van NWO of van de ERC heen. Denk aan het onderzoek van Machteld Zee naar Sharia Courts in Engeland. kunnen vinden. En zonder eerstegeldstroom, of zonder financiële impulsen uit de derde geldstroom, zou ook het onderzoek van Thierry Baudet met zijn perspectief op Europa niet gedaan kunnen worden (Baudet, 2016). Het is trouwens een van de redenen dat Leiden, als een van de weinige universiteiten, nog eerstegeldstroompromovendi heeft.

Heeft Cliteur gelijk? Ik kan het niet op voorhand uitsluiten; het onderscheid in onderwerpen van ‘hoog’ en ‘laag’ aanzien stelt in elk geval niet gerust. Ik heb me destijds als decaan van de Leidse rechtenfaculteit wel gerealiseerd dat het mainstream-denken in bijvoorbeeld het Europees recht, het internationaal recht, of het fiscaal recht wel voor zichzelf zorgt. Het ‘andere’ geluid, dat minder main-stream is, heeft meer behoefte aan steun. Dat is ook een dringende opdracht aan NWO en de ERC.

  1. Diversiteit in het debat

Mijn tweede vraag is die naar diversiteit in het debat. Kiezen als bestuurder voor vrijheid van meningsuiting op je campus is lang niet altijd gemakkelijk, zo laten tal van recente voorbeelden aan Nederlandse en buitenlandse universiteiten zien. Dat ondervond ik als decaan van de rechtenfaculteit in 2006. Afshin Ellian herinnerde me daar onlangs aan. Er werd in onze faculteit een debat georganiseerd tussen hem en de Haagse Imam Fawaz, over de Deense cartoonaffaire. Als decaan opende ik het debat. Daarbij had ik vooraf nadruk gelegd op een aantal kernwaarden: jullie moeten in het debat respect en waarachtigheid van argumenten en feiten in achtnemen. En ik had benadrukt, wist Afshin zich te herinneren, dat het een beetje gezellig moest blijven.

Maar bij het debat waren wel de Politie Leiden, de DKDB, en onze eigen universitaire beveiliging aanwezig. Bij elkaar hadden we om en nabij 10 gewapende mannen in en buiten de zaal waar het debat plaatsvond. Wat is mijn punt: academische vrijheid in tijden van internationaal terrorisme en andere gewelddadige conflicten kan niet bestaan zonder veiligheid. De universiteit moet die veiligheid waarborgen. Zonder veiligheid geen vrijheid.

Een ander voorbeeld, ik zeg het hier maar met mijn handvol steentjes, is Afshin Ellian zelf. Al zo’n 15 jaar persoonsbeveiliging, en zijn groep zit achter een gesloten deur met kogelvrij glas. Beste KNAW, diversiteit van opvattingen is voor mij als rector van een brede en diverse universiteit en voor de decaan van bijvoorbeeld de rechtenfaculteit niet vanzelfsprekend! Het zou heel goed zijn als wij als rectoren door de KNAW en door NWO worden gesteund in die dagelijkse opdracht vorm te geven aan de diversiteit van opvattingen – als een gezamenlijke opdracht ten behoeve van de wetenschap.

Na afloop van mijn diesverhaal zei hoogleraar Afshin Ellian me nog iets wat bleef hangen: “Carel, is het jou wel eens opgevallen dat als we het in ons land over het debat hebben, we vaak verwijzen naar het nationale debatcentrum De Rode Hoed. Maar dat zouden toch de veertien universiteiten van ons land moeten zijn?”. Het deed me denken aan mijn eigen observatie als rector als ik hoor spreken over de KNAW als ‘het geweten van de Nederlandse wetenschap’. Dat is prima natuurlijk, maar dat geweten mag geen enkele universiteit aan de KNAW uitbesteden. Het gaat dus, opnieuw, om een gezamenlijke verantwoordelijkheid!

Ik mis dat in het Briefadvies.

Dat is prima natuurlijk, maar dat geweten mag geen enkele universiteit aan de KNAW uitbesteden. Het gaat dus, opnieuw, om een gezamenlijke verantwoordelijkheid.

Vrijheid in het debat is trouwens ook een thema in het onderwijs. Naar aanleiding van mijn toespraak kreeg ik een mailtje van een student die zichzelf kenschetste als ‘gematigd rechts-conservatieve rechtenstudent’ aan de Universiteit Leiden:

“Ik heb de afgelopen jaren niet bepaald het idee gehad dat ik vrijelijk mijn mening kon uiten op mijn faculteit. Mijn eerste herinnering hieromtrent stamt uit mijn propedeusejaar bij de lessen ‘Inleiding Internationaal Recht’. Een discussie over de zin en onzin van de Verenigde Naties werd destijds niet gewaardeerd. Net zo min werd het gewaardeerd de wenselijkheid van grote vluchtelingenstromingen te bediscussiëren.

(…) Bepaalde docenten ventileren en presenteren hun opvattingen vaak als zijnde academische wetmatigheden waar niet van af te wijken valt. En studenten worden als gevolg hiervan ontmoedigd hun eigen, andere meningen te verkondigen en gedwongen om op een bepaalde manier te denken over maatschappelijke kwesties.”

Er zijn ook voorbeelden van precies het tegenovergestelde en ik zou dus denken dat we dit soort signalen serieus moeten nemen, ook in onze universitaire docent-opleidingen (BKO). Nader uitgewerkt in een afscheidsbundel voor Bert van der Zwaan (2018). In de VS zijn er voorbeelden hoe je werkelijk tot diversiteit in the classroom kunt komen (Ben-Porath, 2017). Ik laat het op dit moment hierbij.

  1. De internationale dimensie van vrijheid van wetenschapsbeoefening

Tot slot mis ik in het Briefadvies de internationale dimensie. Die wordt door de auteurs geëcarteerd. Maar de wereld is of lijkt turbulenter dan ooit, en onze universiteiten maken deel uit van de turbulentie die de mondialisering en de spanningen in de internationale politieke verhoudingen veroorzaken.

Zo raakt het recente weglopen van de VS uit de deal met Iran onze universiteiten rechtstreeks; Wageningen University is daarvan een treffend voorbeeld. Die universiteit was juist bezig om haar wetenschappelijke banden met instellingen in dat land aan te halen, en tegelijkertijd hadden de Vlaamse rectoren nu juist alle banden met Iran verbroken, vanwege de dreigende executie van onderzoeker en arts Ahmadreza Djalali van de Vrije Universiteit Brussel.

Een ander voorbeeld is Turkije, en de vervolging van wetenschappers en universiteitsbestuurders daar. Die situatie heeft geleid tot een open brief van de rectoren van de Nederlandse universiteiten. Het rectorencollege waarschuwde dat in tal van landen wetenschappers worden opgepakt en dat politici en bedrijven in tal van landen de wetenschap in diskrediet brengen. Dat raakt onze collega’s daar keihard, maar, aldus de rectoren, het raakt ook de vrije wetenschap in Nederland.

Maar denk ook aan de Chinese wetenschappers en studenten over wie een kille wind waait, een wind die ook onze eigen onderzoekers en onze studenten kan bereiken. De internationale dimensie van het onderwerp vrijheid van wetenschapsbeoefening had naar mijn gevoel aandacht moeten krijgen.

  1. Afsluiting

De KNAW roept in haar advies op tot waakzaamheid, en dat is inderdaad nodig, maar méér dan het advies laat zien. Mijn oproep aan de KNAW (en NWO) is: help ons als bestuurders van universiteiten de vrijheid van wetenschap ook in de dagelijkse praktijk waar te maken. Het gaat om een gezamenlijke opdracht om de diversiteit binnen de universiteiten te waarborgen en om de diversiteit te waarborgen binnen het debat, zowel nationaal als internationaal.

Gezamenlijk dienen wij immers een van de grootste kostbaarheden van onze wereld: de vrije wetenschap.

Dit opiniestuk is gebaseerd op de toespraak van Carel Stolker op de KNAW-bijeenkomst Vrijheid van wetenschapsbeoefening in Nederland op dinsdag 22 mei 2018. 

Carel Stolker :  Rector Magnificus en Voorzitter van het College van Bestuur van de Universiteit Leiden

Literatuurverwijzingen

A History of the Freedom of Thought

J.B. Bury’s, A History of the Freedom of Thought (1913) voor vele andere voorbeelden

Motie Straus-Duisenberg

Motie Straus-Duisenberg, Kamerstuk 34550-VIII-120 Publicatiedatum 2 februari 2017

 

Briefadvies KNAW Vrijheid van wetenschapsbeoefening in Nederland

KNAW briefadvies naar aanleiding van de motie Straus-Duisenberg, Vrijheid van wetenschapsbeoefening in Nederland, 13 maart 2018

Academische vrijheid: een juridische verkenning

Groen, J.R., Academische vrijheid: een juridische verkenning, diss. Erasmus University Rotterdam, 2017, open access, mijn cursivering.

Academische vrijheid en wetenschappelijke integriteit

J.R. (Joris) Groen, Academische vrijheid en wetenschappelijke integriteitEen onderzoek naar vrijheid en verantwoordelijkheid in wetenschappelijk onderwijs en onderzoek, Preadvies voor de Nederlandse Vereniging voor Onderwijsrecht (NVOR) 2015

Academic freedom as a fundamental right

De zaak Jagtenberg

Rechtbank ’s-Gravenhage 22 december 2000, LJN AA9145. Op een website van Stichting de Greb vindt men de politieke en journalistieke stukken rond wat is gaan heten ‘de zaak Jagtenberg’

Ja, geléérd zijn jullie wel!

C. Stolker ‘”Ja, geléérd zijn jullie wel! Over de status van de rechtswetenschap’, 2003 Nederlands Juristenblad, p. 766 e.v.

Rethinking the Law School

C. Stolker Rethinking the Law School: Education, Research, Outreach and Governance, 2014 Cambridge: Cambridge University Press Hoofdstuk 6 (‘Legal scholarship, venerable and vulnerable’).

Policy arguments in judicial decisions

John Bell, Policy arguments in judicial decisions, Oxford 1983, 6 e.v. definieerde politiek als ‘an exercise of power giving direction to society’.

Cultuurmarxisme: er waart een spook door het Westen

Paul Cliteur, Jesper Jansen, Perry Pierik, Cultuurmarxisme: er waart een spook door het Westen, Uitgeverij Aspekt, Soesterberg 2018.

De aanval op de natie-staat

Thierry Baudet, De aanval op de natie-staat, diss. Leiden, Bert Bakker 2012

 

Choosing Sharia? Multiculturalism, Islamic Fundamentalism and British Sharia Councils

Machteld Zee, Choosing Sharia? Multiculturalism, Islamic Fundamentalism and British Sharia Councils, diss. Leiden, Eleven International Publishing, 2016.

Machteld Zee’s onderzoek kreeg een vervolg in Engeland door Catherine Bennett,

‘Polygamy is not a cultural conceit. It is an affront to women’

Catherine Bennett, ‘Polygamy is not a cultural conceit. It is an affront to women’, The Guardian 10 juli 2016:

Places of Engagement: Reflections on Higher Education in 2040

Afscheidsbundel voor Bert van der Zwaan, Places of Engagement: Reflections on Higher Education in 2040 – A Global Approach, Amsterdam: Amsterdam University Press, 2018 (verschijnt deze zomer).

Free Speech on Campus

Sigal R. Ben-Porath. Free Speech on Campus, Philadelphia: Philadelphia University Press 2017.

 


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK