We wilden vernieuwing, we kregen eenvormigheid

Interview | door Sicco de Knecht
5 december 2018 | Toekomstig wetenschapsbeleid moet naar een bredere definitie van goede wetenschap dan alleen 'excellentie' vindt directeur van het Rathenau Instituut Melanie Peters. Bovendien moeten instellingen de buitenwereld veel meer betrekken bij het onderzoeksproces. “Ik ben ervan overtuigd dat dit ons helpt om vragen te stellen en het veld te ordenen.”
Melanie Peters – Foto: Rathenau Instituut

Directeur van het Rathenau Instituut Melanie Peters, van huis uit toxicoloog, zag gedurende haar carrière hoe het excellentiebeleid vorm kreeg en de wetenschap naar een hoger plan tilde. Nu vindt ze dat het tijd is voor bezinning. “Het was dertig jaar geleden heel goed dat mensen leerden om hun ideeën onder woorden te brengen voor een publiek met internationale peers. Maar het sturen op steeds dezelfde parameters – met als enige uitgangspunt: meer – daarvan vragen wij ons af in hoeverre dat nu nog zinvol is voor de wetenschap.”

Excellentie anders definieren

Het concentreren van grote hoeveelheden middelen binnen bepaalde groepen is lang het uitgangspunt van het Nederlandse wetenschapsbeleid geweest, maar volgens Peters is deze strategie niet langer houdbaar. “We hebben gekozen voor concentratie van middelen, maar dat heeft als implicatie dat je keuzes zou moeten maken. Dat betekent ook dat je keuzes maakt om niet te investeren in bepaalde onderzoeksrichtingen.”

Dat laatste is eigenlijk niet echt gebeurd. “Wat je wel ziet is dat het beleid heeft geleid tot eenvormigheid, en dat wilden we nu precies niet. We wilden vernieuwing.” Aan de ene kant heeft het excellentiebeleid dus gezorgd voor professionalisering maar aan de andere kant uniformeert het volgens Peters. “Voor het ene vakgebied is deze manier van beoordelen gewoon meer geschikt dan voor het andere.” Elke volgende eis, zij het de maatschappelijke waarde, de valorisatieparagraaf of een eis met betrekking tot impactfactoren maakt de uiteindelijk toegekende projecten eenvormiger.

Het excellentiebeleid heeft zijn langste tijd gehad

Waar op individueel niveau onderzoekers steeds opnieuw worden gedwongen om andere wegen te bewandelen, loopt het collectief steeds achter de laatste hype aan. Dat creëert een hijgerige sfeer waarin weinig tijd is voor bezinning, integratie en consolidatie. Het opnieuw slaan van de balans is waar volgens het Rathenau werk van gemaakt moet worden. In het onlangs verschenen rapport Excellentie is niet gewoon roept het instituut dan ook in feite op om excellentie anders te definiëren.

“Maar je ziet hoe moeilijk dat is,” zegt Peters die nauw betrokken was bij de totstandkoming van het rapport. “We kwamen er tijdens het schrijven achter dat we eigenlijk niet eens de goede woorden hebben om te beschrijven wat we dan zouden willen.” Peters erkent dat de gebezigde termen die dit andersoortige onderzoek zouden  moeten beschrijven er eigenlijk (nog) niet zijn.

Nieuwe beurs? Nieuw onderwerp!

Bovenal moet er meer ruimte zijn voor variatie, maar de uitgangspunten van het huidige excellentiebeleid zijn daarvoor niet geschikt. Het zijn het individueel belonen en werken in een vorm van competitie waarvan Peters zich afvraagt of ze de wetenschap nog verder kunnen dienen. “Het feit dat onderzoekers voor iedere volgende beurs weer nieuw en innovatief moeten zijn, leidt er misschien juist wel toe dat er geen doorbraken komen.”

Het is de vraag of je als wetenschapsgebied werkelijk voort kunt bouwen op de opgedane kennis als de individuele onderzoekers steeds van pad moeten wisselen. “Het is juist de synthese van kennis die in de knel komt door de projectgebonden financiering die het huidige onderzoek kenmerkt.” Ze wil daarbij niet ontkennen dat het waardevol is als diegene bijvoorbeeld een vierjarige training krijgt in de vorm van een promotie. “Maar wat blijft er achter? Het zorgen voor het onderzoeksmateriaal dat achterblijft, daar is steeds minder ruimte voor.”

“Het feit dat onderzoekers voor iedere volgende beurs weer nieuw en innovatief moeten zijn, leidt er juist toe dat er geen doorbraken komen.”

Volgens Peters leidt beloning op excellentie dan ook tot schoolvorming en niet tot theorievorming. “Het was in de jaren ’90 in de materiaalkunde in de VS al de modus operandi om gewoon aan de lopende band verschillende stoffen te testen in een bepaalde opstelling. Dat leverde dan wel heel veel publicaties op over wat stof A, B of C deed met metaal X, maar tot theorievorming over die interactie is het nooit gekomen. Daar was geen tijd meer voor.”

Er zitten dus wel degelijk grenzen aan het succes van excellentiebeleid, maar daar is de laatste jaren niet of nauwelijks rekening mee gehouden. “Het aantal publicaties van alle Nederlandse wetenschappers samen is in iets meer dan tien jaar van 22.000 naar 33.000 per jaar gestegen, maar wat hebben we eraan gehad?” Als Peters hardop nadenkt over de hoeveelheid talent die verloren is gegaan, en de onschatbare waarde die vastzit in onbenutte onderzoeksdata en –opstellingen valt ze even stil.

Meer aandacht voor ondersteunend personeel

De opbouw van het academisch personeelsgebouw reflecteert dan ook het beleid van de afgelopen decennia benadrukt Peters. “In de periode 2003 – 2016 is het aantal promoties met 86% gestegen, het aantal masterdiploma’s met 57%. De hoeveelheid vaste staf aan de universiteit is in de tussentijd nagenoeg gelijk gebleven of in ieder geval amper gegroeid. Die kleine groep moet wel een steeds grotere tijdelijke groep begeleiden en opleiden.”

Ook het aandeel van het personeel dat een ondersteunende functie heeft is de laatste decennia krimpende. “Maar vergis je niet, dat is de backbone van de wetenschap, die mensen kunnen ook excellent en innovatief zijn, maar er wordt niet in geïnvesteerd.” De Rijkskennisinstellingen zijn volgens Peters een goed voorbeeld van de meerwaarde van dit soort functies. “Zij zorgen voor continuïteit van methoden, leggen collecties aan, brengen data samen. Dat zijn ander waarden dan publiceren, maar daardoor niet minder belangrijke wetenschappelijke waarden.”

Instellingen gaan wetenschappers anders belonen en waarderen

Peters is dan ook blij met de ontwikkeling dat sommige instellingen in hun personeelsbeleid meer oog krijgen voor continuïteit. “Een datasteward moet ook carrière kunnen maken door data te integreren die anderen links hebben laten liggen.” Overigens is dat ook de succesvolle strategie die ‘excellente’ groepen vaak hanteren. “Als het even kan investeren groepen in de toekomst. Je ziet dan dat ze databases inrichten, hun community om hen heen goed verzorgen en investeren in meer dan alleen directe output.”

“Het is niet wijs om bepaald type onderzoek te laten doen door mensen die in feite nog in opleiding zijn.”

Het investeren in bestaand talent, en het goed inzetten van data, ervaring en eerder verworven inzichten zou tot de kern van het wetenschapsbeleid moeten behoren. “Het is waarschijnlijk helemaal niet wijs om bepaald type onderzoek te laten doen door mensen die in feite nog in opleiding zijn,” benadrukt Peters. “Als je bijvoorbeeld werkt met complexe apparatuur, of in nauwe samenwerking met een gemeente, dan wil je misschien wel onderzoekers met veel ervaring in kunnen zetten.”

Een eigen werkelijkheid

De schoolvorming die ontstaat door het excellentiebeleid is Peters ook om een andere reden een doorn in het oog. “Onderzoek en onderzoekers hebben een neiging om een geheel eigen werkelijkheid te creëren rondom hun proefobject. Voor je het weet heeft die geen duidelijke relatie meer met de aanleiding om het onderzoek te gaan doen en wordt het ‘onderzoek om het onderzoek’.”

Peters geeft een voorbeeld uit haar eigen vakgebied: “Wij hebben als toxicologen jarenlang gedacht dat kanker werd veroorzaakt door ‘een stof’ die aan DNA zou binden.” Om dat te bewijzen deed het hele veld jarenlang ontelbare proeven met muizen en ratten. “We hadden een model in ons hoofd en dat was het onbetwistbare uitgangspunt. Je moest daar dus ook wel aan voldoen.”

Peters beschrijft hoe er al een heel onderzoeksgebied was ontstaan rondom deze hypothese waarin met vooral met bevestigende kritiek naar elkaars proeven keek. “Dat was ook het type onderzoek waar je middelen voor kreeg, en daar schreef iedereen dus voorstellen voor. Helaas moest na verloop van tijd toch geconcludeerd worden dat dit niet het enige juiste model was.”

Wat bleek was dat sommige stoffen die aan DNA bonden geen kanker veroorzaakten en andere stoffen, die niet aan DNA bonden wel kanker veroorzaakten. Ondertussen was de regelgeving al aangepast, en waren er verscheidene stoffen door de autoriteiten in de ban gedaan. “Dat laat voor mij zien dat je als wetenschap een bescheiden en zelfkritische houding aan moet nemen, waarbij het belangrijk is om open te blijven staan voor reflectie, ook van buitenaf.”

Betrek de buitenwereld

“We zien dat er de afgelopen decennia per geïnvesteerde euro meer artikelen zijn gepubliceerd, maar of er ook betere wetenschap bedreven wordt, kun je daar niet uit afleiden.” Peters wijst daarbij ook op het onderzoek dat het Rathenau in 2015 deed naar de publicatiedruk in de (bio-)medische wetenschap. “Die gaven bijvoorbeeld aan dat veel van de resultaten op geen manier hun weg naar de medische praktijk vinden.”

Het is volgens Peters dan ook belangrijk om de buitenwereld te betrekken in toekomstig wetenschapsbeleid. “Ik ben ervan overtuigd dat dit ons helpt om vragen te stellen en het veld te ordenen.” Ze wil wel een groot misverstand wegnemen voordat het daartoe komt. “Men begrijpt vaak verkeerd wat het betrekken van de buitenwereld inhoudt. Laat ik helder zijn: de buitenwereld kan niet vertellen wat een goede wetenschappelijke vraag is.”

“De maatschappij kan je niet vertellen wat een goede wetenschappelijke vraag is.”

“Het formuleren van een goede wetenschappelijke vraag, dat kunnen wetenschappers nu juist heel goed.” Volgens Peters gaat het veel meer om de maatschappelijke vraag, om wat nu bruikbaar is voor de samenleving. “Het gaat er niet om dat het onderzoek dan gelijk toegepast onderzoek moet zijn. Het gaat erom dat je de inzichten van onderzoek ook zou kunnen benutten – daar kan het dus ook heel fundamenteel voor zijn.”

Wetenschapper is ook gewoon een beroep

Zo’n proces van het scherp slijpen van de vraagstelling is per definitie iteratief volgens Peters. “Dat is een heen-en-weer proces waarin je probeert te begrijpen wat de beweegreden achter een vraag is. Maar ook waarin je laat zien waar de grenzen liggen van wat überhaupt te onderzoeken is.”

Deze wisselwerking moet de wetenschap uit de mystieke sfeer halen voor het bredere publiek. “Men moet zich realiseren dat het ook gewoon een beroep is.” Peters kan zich ergeren aan de wijze waarop er over wetenschap wordt gecommuniceerd. Vooral de distantie tussen wetenschap en publiek, en de vrolijk dienende functie die wordt gesuggereerd storen haar.

“Wetenschapscommunicatie is niet alleen maar ‘leuk praten’ met elkaar. Dat is uitzoeken wat de samenleving vraagt van de onderzoeker.” Het is volgens haar bijvoorbeeld de interactie tussen onderzoeker en de patiënt, die samen het veld aftasten tussen wat medisch mogelijk is en wat de hulpvraag is van de patiënt waar de meerwaarde zit. “Het moet ook duidelijk zijn dat het geen ‘u vraagt, wij draaien’ is, maar eerder het laten zien hoe moeilijk wetenschappelijk onderzoek is.”

Lectoren kunnen voorbeeldfunctie vervullen

“We zitten echt in een volgende fase,” zegt Peters die de boodschap van het Rathenau Instituut herhaalt dat het Nederlandse kennisecosysteem groter is dan de eenzijdige benadering vanuit het wetenschapsbeleid doet vermoeden. “Hogescholen hebben de afgelopen jaren in ieder geval bewezen een belangrijke schakel te zijn in het kennisecosysteem.”

minder druk, meer impact

“Op universiteiten en hogescholen wordt actief de strategische samenwerking met maatschappelijke partners en het bedrijfsleven gezocht.” Volgens Peters kunnen lectoraten als voorbeeldfunctie dienen voor het bredere onderzoek maar ze koppelt er gelijk een waarschuwing aan vast. “We moeten voorkomen dat we met het onderzoek op hogescholen hetzelfde pad inslaan als we met de universiteiten hebben gedaan.”

Het is namelijk juist de weelderige diversiteit die het onderzoek van lectoraten volgens Peters zo interessant maakt. “De ene keer is het vanuit een samenwerking met een bedrijf, dan weer vanuit de stad of vanuit de vakopleiding. Het is vraaggedreven en precies zo’n voorbeeld van een iteratief proces.” Als er een pleidooi is dat Peters terug hoopt te zien in de wetenschapsbrief van minister Van Engelshoven, dan is het wel het pleidooi voor variatie.


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK