‘Kansenongelijkheid toegenomen na invoering selectie; wat gaan we eraan doen?’

Interview | door Michiel Bakker
6 april 2022 | Sinds de invoering van volledige selectie is de representativiteit van de studentenpopulatie afgenomen. Hoe kan dat? En hoe kan dat worden voorkomen? Promovendi Lianne Mulder en Suzanne Fikrat zoeken naar antwoorden en oplossingen. Daarvoor moeten ze zich nog veelal tot literatuur en voorbeelden uit het buitenland wenden, maar hun onderzoeken brengen de Nederlandse context in kaart en zullen beleidsmakers van antwoorden voorzien die nu node worden gemist.
“Waar het onderzoek van Mulder laat zien dat de diversiteit na de invoering van selectie is achteruitgegaan, onderzoekt Fikrat of bepaalde selectiemethoden daarvoor meer verantwoordelijk zijn dan andere.” Beeld: ICSA

Het kabinet heeft een wetsvoorstel in voorbereiding wat het combineren van loting en selectie mogelijk moet maken om zodoende de kansengelijkheid in het hoger onderwijs te bevorderen. De Kamer is daarover verdeeld. Zo betwijfelen drie coalitiepartijen (VVD, CDA en CU) of de terugkeer van loting de juiste stap is in het tegengaan van kansenongelijkheid; volgens hen zou het bevorderen van kansengelijkheid ook binnen de huidige selectiemethoden mogelijk zijn.  

Uit recent onderzoek van onder andere Lianne Mulder, die bij het Amsterdam UMC promotieonderzoek doet naar het vergroten van de diversiteit binnen universitair medisch georiënteerde opleidingen in Nederland, bleek echter dat de representativiteit van de studentenpopulatie is afgenomen tijdens de verschuiving van hybride selectie (selectie en loting) naar volledige selectie. Dat onderzoek werd uitgevoerd binnen een consortium van het Amsterdam UMC, het Erasmus MC, de Universiteit Utrecht en de Universiteit Twente.  

“We zien dat er iets gebeurt met de kansenongelijkheid sinds de invoering van selectie”, vertelt Mulder. “In de data van het CBS die wij hebben gebruikt kunnen we zien dat een aantal achtergrondkenmerken een rol speelt in de kans op toelating tot universitair medisch georiënteerde opleidingen en dat het aantal van die achtergrondkenmerken bij de invoer van selectie is toegenomen. Dat betekent niet noodzakelijk dat er iets ‘mis’ is met selectie, maar we kunnen hier niet omheen.” 

Oorzaak kansenongelijkheid in Nederlandse context nog onduidelijk 

Daarnaast staan er vraagtekens bij sommige selectiemethoden die worden gebruikt, vertelt Mulder. “Van sommige selectiemethoden is de validiteit niet wetenschappelijk aangetoond of is zelfs aangetoond dat ze bias kunnen bevatten. Veel van het onderzoek daarnaar komt echter uit het buitenland; daarom zijn we zo blij dat dit nu ook in de Nederlandse context wordt onderzocht.” 

Dat onderzoek naar selectiemethoden in de Nederlandse context wordt uitgevoerd door Suzanne Fikrat, promovenda bij het Erasmus MC, die binnen het eerder genoemde consortium promotieonderzoek doet naar decentrale selectie. Daarbij kijkt ze naar het effect van selectie op diversiteit, naar de percepties die kandidaten van de selectiemethoden hebben en naar de mate waarin bepaalde selectiemethoden het studiesucces van kandidaten uit verschillende subgroepen voorspellen. Met haar onderzoek hoopt ze duidelijkheid te kunnen verschaffen waar die nu nog ontbreekt, vertelt ze. 



“Lianne’s onderzoek suggereert dat er íets misgaat, maar we weten nog niet goed wat er dan misgaat. In Nederland wordt de selectie decentraal georganiseerd, dus binnen de wettelijke kaders hebben opleidingen veel vrijheid om te bepalen welke instrumenten ze inzetten en hoe ze die met elkaar combineren. Daarom kun je niet spreken over ‘de’ decentrale selectie; die kan immers op veel verschillende manieren worden ingevuld.” 

Waar het onderzoek van Mulder laat zien dat de diversiteit na de invoering van selectie is achteruitgegaan, onderzoekt Fikrat of bepaalde selectiemethoden daarvoor meer verantwoordelijk zijn dan andere. “Anderzijds zijn er misschien zelfs methoden die diversiteit bevorderen. Om uiteindelijk te kunnen zeggen wat er in Nederland misgaat bij selectie, moeten we eerst antwoord hebben op mijn onderzoeksvragen. We zijn nog bezig met het publicatieproces, dus er moet nog even worden gewacht, maar het is heel belangrijk om eerst die kennis te hebben voordat er veranderingen worden doorgevoerd.” 

Kansenongelijkheid groter bij selectie op basis van cijferlijsten 

Hoewel het nog aan onderzoeksresultaten binnen de Nederlandse context ontbreekt, is er wel veel internationale literatuur beschikbaar, weet Fikrat. “We zien dat daar een algemeen onderscheid tussen academische of cognitieve methoden enerzijds en non-academische of non-cognitieve methoden anderzijds wordt gehanteerd. Bij academische methoden wordt bijvoorbeeld naar iemands cijferlijst gekeken, terwijl men bij een non-academische methode bijvoorbeeld iemands CV beoordeelt.”  

Die internationale literatuur laat zien dat de kansenongelijkheid op basis van etniciteit en sociaaleconomische status het grootst is wanneer de academische methoden worden gebruikt. Non-academische methoden lijken de kansenongelijkheid op basis van sociaaleconomische status te verminderen, maar met betrekking tot etniciteit tonen verschillende onderzoeken verschillende resultaten. 

Dat lijkt misschien tegen-intuïtief dat juist de beoordeling op basis van cijfers vaker leidt tot kansenongelijkheid; een beoordeling op basis van cijfers zou immers ‘blind’ moeten zijn. Toch is het niet zo simpel, legt Fikrat uit. “Beoordelingen op basis van cijfers of toelatingstoetsen kunnen op enige wijze worden beïnvloed door coaching of bijles – iets wat makkelijk aan sociaaleconomische status te koppelen is. Bij het gebruik van non-cognitieve methoden lijkt dat minder het geval te zijn.” 

Afgaande op de internationale literatuur lijkt er geen selectiemethode te zijn die bij inzet in de praktijk altijd leidt tot een representatieve studentpopulatie. 

Tegelijkertijd betekent het niet noodzakelijk dat bepaalde selectiemethoden bias bevatten wanneer specifieke subgroepen kandidaten minder goed presteren op deze methoden, benadrukt Fikrat. Zo kunnen kandidaten uit sommige groepen bij de overgang naar het hoger onderwijs meer begeleiding nodig hebben; het probleem ligt dan bij de aansluiting, niet bij de selectiemethode. “Afgaande op de internationale literatuur lijkt er geen selectiemethode te zijn die bij inzet in de praktijk altijd leidt tot een representatieve studentpopulatie. Of dat aan de selectiemethoden geweten moet worden is eigenlijk niet te zeggen. Het gebeurt namelijk nooit dat de populatie van kandidaten volledig representatief is.” 

Het probleem gaat aan de selectie vooraf 

Daarmee stipt ze een probleem aan dat veel onderzoek naar loting en selectie parten speelt: zolang de groep die zich mag kandideren voor toelating tot een opleiding niet representatief is voor de samenleving, zal de uitkomst van volledig onbevooroordeelde selectie niet leiden tot een studentpopulatie die wél representatief is. Daarom zou ook een terugkeer naar volledig ongewogen loting statistisch gezien geen representatievere studentenpopulatie opleveren, legt Mulder uit. “Zolang de groep kandidaten niet representatief is, wordt de studentenpopulatie dat bij loting ook niet.” 

Nederland is echter niet het enige land dat dit probleem kent. “Ook in het buitenland zien we dat degenen die in aanmerking komen voor selectie vaak uit groepen komen met een hogere sociaaleconomische status en niet tot bepaalde etnische minderheden behoren.” Daarom heeft Mulder bekeken hoe men in het buitenland probeert om te gaan met een gebrek aan representativiteit binnen de opleidingen. Ze bezocht twee internationale conferenties en voerde gesprekken met buitenlandse experts in het implementeren van beleid bij universiteiten, waarbij ze kennisnam van verschillende systemen en mechanismen die elders worden gebruikt.  

Onderzoek naar draagvlak voor corrigerende selectiemethoden 

Een van die methoden heet contextualized admissions, een methode waarbij de resultaten van een kandidaat voor toelating worden bekeken in de context waarbinnen die resultaten zijn behaald. “Bijvoorbeeld de sociaaleconomische context waarbinnen iemand naar de middelbare school ging en bepaalde cijfers behaalde,” zegt Mulder, “maar ook andere factoren waarvan is aangetoond dat die invloed kunnen hebben op schoolresultaten.” Door die factoren mee te nemen in de beoordeling van kandidaten voor toelating, kan een deel van de kansenongelijkheid worden gecorrigeerd.  

Daarnaast worden in veel landen quota’s gebruikt voor mensen uit ondervertegenwoordigde groepen, bijvoorbeeld mensen met een bepaalde migratieachtergrond of mensen uit afgelegen gebieden. “In verschillende landen zijn er verschillende doelgroepen waarvoor meer ruimte wordt vrijgehouden bij de toelating”, vat Mulder het samen. In Australië wordt zelfs een systeem van ‘bonded medical places’ gebruikt, wat betekent dat een toelaatbare kandidaat in ruil voor gegarandeerde toelating contractueel toezegt na het afstuderen een aantal jaar te zullen werken in een gebied met een tekort aan zorgprofessionals.  

“Zo kun je bij de instroom al iets doen tegen tekorten die er waarschijnlijk ook in de nabije toekomst nog zijn, voornamelijk in afgelegen gebieden. Daarmee verbeter je ook de toegankelijkheid van het hoger onderwijs voor studenten uit die gebieden, omdat zij vaak degenen zijn die gebruikmaken van deze regeling.” 

Mulder is bezig met een onderzoek naar het draagvlak voor dergelijke methoden bij opleidings- en selectiecommissies van Nederlandse universiteiten, experts op het gebied van diversiteit in het onderwijs en de gezondheidszorg en een grote en diverse groep belanghebbenden in de samenleving. Aan de publicatie van dat onderzoek wordt momenteel gewerkt. 

Kansenongelijkheid begint al op de basisschool 

Het grootste verlies aan diversiteit treedt echter op in de stap naar het vwo, liet het eerdere onderzoek van Mulder zien. Zo heeft ongeveer zestig procent van de vwo-studenten minstens één ouder die bij de best verdienende tien procent van de bevolking hoort, terwijl dit voor slechts dertig procent van alle jongeren geldt. “Dat verlies aan diversiteit is veel groter dan het verlies dat optreedt bij de selectieprocedure. Daarom moet er zeker in de stap naar het vwo iets veranderen. In andere landen treedt dat verlies aan diversiteit ook op, maar niet overal in zo grote mate als in Nederland. Scandinavische landen doen het bijvoorbeeld beter.” 

Ongeveer zestig procent van de vwo-studenten heeft minstens één ouder die bij de best verdienende tien procent van de bevolking hoort, terwijl dit voor slechts dertig procent van alle jongeren geldt. 

Wil de representativiteit van een opleiding verbeteren, dan moet ook de representativiteit van de populatie vwo-leerlingen worden verbeterd. Dat begint nog voor de periode op de middelbare school, aldus Mulder. “Het vwo-advies wordt al gegeven in groep acht van de basisschool. De cijfers van bijvoorbeeld de Onderwijsinspectie laten zien dat die vroege opsplitsing in niveaus voor bepaalde groepen kinderen veel barrières opwerpt – kinderen uit groepen met een lage sociaaleconomische status, plattelandskinderen, kinderen met bepaalde migratieachtergronden en kinderen wier ouders geen opleiding op hbo- of universitair niveau hebben genoten.”  

Op veel vragen komt binnenkort een antwoord 

Mulder en Fikrat denken met hun onderzoeken veel vragen te kunnen wegnemen die het debat over loting en selectie nu nog vertroebelen. “Ik was pas aanwezig bij een presentatie over dit onderwerp waarbij op de laatste dia een lijst met prangende vragen stond die nog onbeantwoord zijn – bijvoorbeeld hoe kandidaten uit verschillende subgroepen presteren op een aantal veelgebruikte ongestandaardiseerde toelatingsmethoden zoals een proefstudeertoets en in hoeverre effecten die we ontdekken (verschillen in prestaties en toelatingskansen) generaliseerbaar zijn over verschillende contexten.” 

Ongeveer de helft van alle vragen die tijdens de presentatie werden genoemd worden op dit moment door Fikrat onderzocht, vertelt Mulder. “Hopelijk weten de juiste mensen haar onderzoek te benutten zodra dat gepubliceerd is. Waaraan men het meeste belang hecht, dat is een politieke kwestie, maar wij kunnen ervoor zorgen dat degenen die de besluiten nemen in ieder geval goede informatie tot hun beschikking hebben.” 


«
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.
Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan
OK